Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/10.2.2
10.2.2 Ontbinding van de arbeidsovereenkomst
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS358277:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 106. Zie hierover: Knipschild 2014, p. 38-41. De Verzamelwet SZW 2015 (reparatiewetgeving met betrekking tot de Wet werk en zekerheid) stelt voor dat de werkgever binnen twee maanden na de dag waarop de toestemming voor opzegging door het UWV is geweigerd, een verzoek indient tot ontbinding bij de kantonrechter. Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 988, nr. 3, p. 5.
Vgl. Bij de Vaate & Hummel 2014, p. 10.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 31-32.
De opzegverboden bedoeld in art. 7:670 lid 1 tot en met 4 en 10 nieuw BW.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 32. Vgl. Van Coevorden 2014, p. 50.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 32. Vgl. Van Coevorden 2014, p. 50. Zie art. 7:670a nieuw BW.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 32.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 32.
Betreft het een voorgenomen ontslag wegens persoonlijke redenen (de gronden c t m h van art. 7:669 lid 3 nieuw BW), is de toestemming voor opzegging door het UWV geweigerd, of wordt beëindiging nagestreefd van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zonder tussentijdsopzegbeding, en wenst de werknemer niet mee te werken aan het ontslag, dan zal de werkgever zich tot de kantonrechter moeten wenden met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (art. 7:671b lid 1 nieuw BW).1
De kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien aan de in de wet limitatief opgesomde voorwaarden voor opzegging is voldaan en er geen opzegverboden als bedoeld in art. 7:670 BW of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare opzegverboden gelden (art. 7:671b lid 2 nieuw BW). De huidige open norm van ‘gewichtige redenen’ vervalt.2 Is de grond voor ontbinding onvoldoende aannemelijk gemaakt, of is sprake van een opzegverbod, dan moet de rechter het verzoek afwijzen.3 In bepaalde gevallen kan de kantonrechter echter ondanks het bestaan van een opzegverbod toch ontbinden. Indien sprake is van een zogenoemd tijdensopzegverbod4 kan de rechter de arbeidsovereenkomst ontbinden indien het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, of sprake is van omstandigheden van dien aard dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen (art. 7:671b lid 6 nieuw BW).5 De reden voor het verzoek mag in die gevallen echter niet bedrijfseconomisch of bedrijfsorganisatorisch van aard zijn. Grondslag daarvoor is dat in de wet limitatief is aangegeven wanneer een arbeidsovereenkomst ondanks het bestaan van een opzegverbod ingeval van een ontslag om bedrijfseconomische redenen toch kan worden opgezegd.6
Ook de werknemer kan in het nieuwe ontslagrecht ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken. In tegenstelling tot het huidige recht geldt daarvoor een andere toetsingsnorm dan voor het werkgeversverzoek. De werknemer kan op grond van art. 7:671c lid 1 nieuw BW ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoeken wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Hierin valt de huidige open norm van art. 7:685 lid 2 BW te herkennen.
De nieuwe wet schrijft verder voor dat de rechter indien hij de arbeidsovereenkomst ontbindt, bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Gaat het om een werkgeversverzoek dan bepaalt de rechter het einde van de arbeidsovereenkomst op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij opzegging zou zijn geëindigd, waarbij, indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, de proceduretijd wordt verrekend met de opzegtermijn, met dien verstande dat in beginsel altijd een termijn van een maand overblijft (art. 7:671b lid 8 sub a nieuw BW).7 Indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werknemer dan geldt dat de kantonrechter het einde van de arbeidsovereenkomst kan bepalen op een eerder tijdstip dan hiervoor genoemd (art. 7:671b lid 8 sub b nieuw BW).8
Verder bepaalt de wet dat als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen (art. 7:671b lid 8 sub c en 7:671c lid 2 sub b nieuw BW). Deze vergoeding komt bovenop de transitievergoeding waarop de werknemer eventueel krachtens de wet aanspraak kan maken (zie hierna). Criteria als loon en lengte van het dienstverband hoeven geen rol te spelen bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding. De redelijkheid van het ontslag, mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen, kan daarbij in de opvatting van de regering uitdrukkelijk geen rol spelen. Dit ‘gevolgencriterium’ is reeds verdisconteerd in de hierna te bespreken transitievergoeding.9
Ten slotte wordt hoger beroep en cassatie mogelijk tegen de ontbindingsbeschikking. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 10.5.