Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5.5
7.5.5 Maatschap
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232718:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII, 2017/217.
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII, 2017/231.
Zie Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII, 2017/237.
Artikel 7A:1680. Daarbij zij aangetekend dat het hieruit voortvloeiende risico naar mijn mening doorgaans beperkt zal zijn: tenzij bijvoorbeeld de STAK de mogelijkheid heeft om additioneel vermogen te verwerven en daarvoor een schuld aan te gaan (waarvoor ook de certificaathouders dan aansprakelijk zijn), kan het vermogen van de STAK weliswaar nihil worden en de certificaten daarmee waardeloos, maar zullen de certificaathouders geen verplichting krijgen tot bijstorting. Zie in vergelijkbare zin met betrekking tot een beleggingsfonds J.W.P.M. van der Velden, Beleggingsfondsen naar burgerlijk recht, Kluwer Deventer, dissertatie 2008, pagina 328.
Zie artikel 7A:1655 BW, alsmede C. Kramer, De maatschap en het fonds voor gemene rekening, V&O 2012/4, pagina 61.
Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII, 2017/28. Zie voorts de conclusie van A-G Niessen bij het hierna te bespreken arrest HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:340, BNB 2017/85.
De overeenkomst van maatschap is geregeld in de artikelen 7A: 1655 e.v. BW. Er worden geen eisen gesteld aan de vorm van de overeenkomst, ook niet dat deze schriftelijk wordt aangegaan. Asser/Maeijer & Van Olffen 7-VII, 2017/39.
Bij één certificaathouder kan men zich bovendien afvragen of de STAK zelf partij kan zijn bij een maatschapsovereenkomst met deze certificaathouder. Op de vraag of de STAK ook een maat kan zijn ga ik hierna in.
Ten slotte rijst de vraag of certificering kan leiden tot een maatschap tussen de certificaathouders. De relevantie hiervan is onder meer dat een maatschap op meerdere wijzen ontbonden kan worden.1 Dit betreft: (i) verloop van de periode waarvoor de maatschap is aangegaan, (ii) tenietgaan van een goed of volbrengen van een handeling, waarvoor de maatschap is aangegaan, (iii) opzegging van een maat aan de andere maten of (iv) overlijden of faillissement van één van de maten of het van toepassing worden van de schuldsanering natuurlijke personen ten aanzien van een maat. Voorts kan de rechter de maatschap op vordering van een maat wegens gewichtige redenen ontbinden.2 Het van toepassing zijn van deze regeling kan er mogelijk toe leiden dat in een situatie van niet- of beperkt royeerbare certificaten de certificering eerder beëindigd wordt dan beoogd is door de insteller.
In het geval van certificering zijn van de genoemde beëindigingsgronden opzegging en overlijden van een certificaathouder het meest voor de hand liggend. Ontbinding door de rechter is ook denkbaar, maar aangezien dit gewichtige redenen vereist, zal een dergelijke situatie zich mijns inziens minder snel voordoen. Van deze mogelijkheden is de regeling voor ontbinding door de rechter van dwingend recht3; de mogelijkheid tot opzegging door een maat kan, al dan niet voor een bepaalde termijn, worden uitgesloten4, en ook voor de situatie van overlijden, faillissement van of het van toepassing worden van de wettelijke schuldsanering ten aanzien van een maat kan een andere voorziening getroffen worden5. In geval van beperkt of niet-royeerbare certificaten is mijns inziens sprake van een eigen regeling voor opzegging, zodat, als men al van mening zou zijn dat sprake is van een maatschap, de werking van artikel 7A:1683 ten 3º BW ook is beperkt of uitgesloten. Deze bepaling verruimt de mogelijkheden tot voortijdige beëindiging van de certificering dan niet. Ontbinding door de rechter kan evenwel niet worden uitgesloten. Ontbinding als gevolg van overlijden, faillissement of schuldsanering kan weliswaar wel worden uitgesloten, maar aannemend dat met de certificering geen maatschap is beoogd, lijkt het mij onwaarschijnlijk dat rekening gehouden moet worden met de toepassing van artikel 7A:1683 ten 4º BW, zodat een dergelijke voorziening niet getroffen zal zijn. Voor de beoordeling in hoeverre certificering inderdaad leidt tot een duurzame scheiding van zeggenschap en economisch belang, is derhalve van belang of deze als maatschap kan kwalificeren of niet. Bovendien kan de kwalificatie als maatschap andere gevolgen met zich brengen, zoals de aansprakelijkheid van de maten voor gelijke delen.6
Voor een maatschap is vereist dat sprake is van (i) een overeenkomst, (ii) die strekt tot samenwerking voor gemeenschappelijke rekening (iii) tussen twee of meer personen (iv) gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel (v) door middel van inbreng van geld, goederen, arbeid of goodwill van die personen.7 Een overeenkomst die aan deze criteria voldoet, kwalificeert als maatschap, ook indien partijen hun overeenkomst niet als zodanig kwalificeren.8 De beoordeling of sprake is van een maatschap is derhalve een materiële. Een overeenkomst van maatschap is bovendien vormvrij.9 In geval van certificering, waar meer dan één certificaathouder bij betrokken is, is in elk geval voldaan aan criteria (i) en (iii).10 Op de overige punten zal ik separaat ingaan.
7.5.5.1 Samenwerking voor gemeenschappelijke rekening7.5.5.2 Vermogensrechtelijk voordeel7.5.5.3 Inbreng7.5.5.4 Conclusie