Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/5.6.3
5.6.3 De rol van overige regels die het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers uitwerken
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686198:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De ter vergadering verschenen schuldeisers zijn reeds bekend met de datum en plaats van de nadere vergadering alsmede van de inhoud van het akkoord. Met deze bepaling wordt dan ook voorkomen dat de niet ter vergadering verschenen erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeisers anders worden behandeld dan de wel verschenen schuldeisers. Onder erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldeisers moet in dit verband zowel worden verstaan de concurrente schuldeisers als de schuldeisers met een voorrangsrecht. Het belang van de schuldeisers met een voorrangsrecht om nader geïnformeerd te worden ligt in het feit dat zij afstand kunnen doen van hun voorrangsrecht waarna zij als concurrente schuldeisers kunnen meestemmen. Vgl. Wessels VI 2020, p. 37. Schuldeisers met een betwiste of niet voorwaardelijk toegelaten vordering ontvangen geen informatie. Deze ongelijke behandeling wordt gerechtvaardigd doordat zij geen c.q. onvoldoende belang hebben om nader geïnformeerd te worden. Zij hebben immers in het kader van de stemming over het akkoord geen stemrecht (vgl. 143 lid 1 Fw).
Zie ook artikel 19 lid 1 onder 2 en 3 Fw.
Onder iedere schuldeiser moet hier worden verstaan: schuldeisers voor wie het akkoord verbindend is. Zie nader hierover Wessels VI 2020, p. 103. Die schuldeisers hebben een gelijk recht op ontbinding. Overige schuldeisers hebben dit recht niet. Deze ongelijke behandeling wordt gerechtvaardigd doordat deze schuldeisers ook geen (vermogensrechtelijk) belang hebben bij de ontbinding.
Zie nader hierover Soedira 2011, p. 155 e.v.
Zie ook de strafbaarstelling van een dergelijk sluipakkoord in artikel 345 lid 1 Sr: “De schuldeiser die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van een overeenkomst hetzij met de schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordelen heeft bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie”.
Vgl. Soedira 2011, p. 69. Vergelijk ook artikel 384 lid 4 onder b Fw (de norm die in dit verband geldt bij de beoordeling van een akkoord in het kader van de Wet Homologatie Onderhands Akkoord (WHOA) indien in de ongelijk behandelde klasse geen meerderheid kan worden verkregen): er moet dan sprake zijn van een redelijke grond die de afwijking van de paritas creditorum rechtvaardigt waarbij de betreffende schuldeisers of aandeelhouders niet in hun belang geschaad worden. Zie voor een voorbeeld van de toepassing van deze norm het vonnis van de rechtbank Rotterdam, 30 maart 2021, JOR 2021/137, onder 3.9: “Als deze groep concurrente crediteuren niet met de vereiste meerderheid instemt kan het akkoord ondanks de ongelijke behandeling toch voor homologatie in aanmerking komen als voor die ongelijke behandeling een redelijke grond bestaat en deze groep concurrente schuldeisers daardoor niet in haar belangen wordt geschaad… De rechtbank is van oordeel dat voor de ongelijke behandeling van de concurrente crediteuren een redelijke grond bestaat. (…) Het betalen van schuldeisers met een vordering na de cut off date is met andere woorden essentieel voor de (voortzetting van de) bedrijfsvoering. (…) De concurrente crediteuren met een vordering van vóór de cut off date worden door de ongelijke behandeling niet in hun belangen geschaad. Zoals hiervoor aan de orde kwam kan de onderneming niet worden voortgezet zonder de ongelijke behandeling.”
Ter vermijding van misverstanden: deze situatie is niet identiek aan de situatie van artikel 153 lid 2 sub 3 Fw (te weten dat het akkoord tot stand is gekomen door bedrog, begunstiging of een ander oneerlijk middel). Immer, indien in alle openheid door de schuldenaar een akkoord wordt voorgelegd waarbij een ieder kan vaststellen dat gelieerde schuldeisers een voorkeursbehandeling ontvangen, doet de situatie van artikel 153 lid 2 sub 3 Fw zich niet voor.
Het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers komt (ook) tot uitdrukking in de hierna te bespreken bepalingen.
In diverse wettelijke bepalingen zijn procedurele waarborgen neergelegd om te zorgen dat de schuldeisers van de schuldenaar over gelijke informatie (kunnen) beschikken met betrekking tot de inhoud en het verloop van de akkoordprocedure. Zie in dit verband de artikelen 139 lid 1 Fw (neerlegging van het conceptakkoord ter griffie voor een ieder), artikel 142 Fw (wanneer de raadpleging en stemming over het akkoord worden uitgesteld tot een nadere vergadering, wordt daarvan door de curator onverwijld aan de niet op de verificatievergadering verschenen, erkende of voorwaardelijk toegelaten schuldeisers kennis gegeven, bij brieven vermeldende de summiere inhoud van het akkoord),1 artikel 148 lid 2 FW (een ieder kan ter griffie kosteloos het proces-verbaal van de verificatievergadering inzien) en artikel 161 Fw (bekendmaking homologatie akkoord in de Staatscourant).2
In diverse andere wettelijke bepalingen komt het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers tot uitdrukking door, ook buiten het vlak van de informatieverstrekking, aan schuldeisers gelijke rechten toe te kennen. Zie in dit verband artikel 154 Fw (gelijk recht voor de schuldeisers die voor het akkoord stemden, die tegen het akkoord stemden of die bij de stemming afwezig waren om in hoger beroep te komen), artikel 163 Fw (curator moet zorgen dat ook de preferente schuldeisers en de boedelschuldeisers, dus de schuldeisers die niet meedoen met het akkoord, betaling ontvangen, zodat hier een ongelijke behandeling wordt voorkomen tussen de (concurrente) schuldeisers die op grond van het akkoord nakoming kunnen verlangen en de schuldeisers (boedelschuldeisers en de preferente schuldeisers) die dat niet kunnen) en artikel 165 lid 1 Fw (iedere schuldeiser3 jegens wie niet wordt nagekomen, kan ontbinding van het gehomologeerde akkoord vorderen). Daarnaast hebben alle concurrente schuldeisers voor wie het akkoord verbindend zal zijn een gelijk stemrecht in het kader van de stemming over het akkoord. De overige schuldeisers hebben dit recht niet (vgl. 143 Fw). De rechtvaardigingsgrond voor deze ongelijke behandeling, is dat de overige schuldeisers geen (vermogensrechtelijk) belang bij een stemrecht hebben.
In artikel 157 Faillissementswet wordt de gelijke behandeling van de schuldeisers beschermd daar waar wordt bepaald dat het gehomologeerde akkoord verbindend is “voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn”.4
Tot slot komt het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers tot uitdrukking in de toetsing die wordt uitgevoerd in het kader van de homologatie van het akkoord. Eén van de redenen om de homologatie te weigeren, is de situatie dat een akkoord tot stand is gekomen door één of meer schuldeisers te begunstigen.5 Het gaat dan om de situatie dat er sprake is van bedrog, begunstiging of van gebruikmaking van een ander oneerlijk middel.6 Een feitelijke ongelijke behandeling van schuldeisers buiten de kaders van de akkoordprocedure om wordt hiermee bestreden.7 Daarnaast kan de rechter de homologatie weigeren indien er bijvoorbeeld sprake is van een ongelijke behandeling van schuldeisers bij de verdeling van de baten.8 Voor zover het een ongelijke behandeling betreft waarbij de paritas creditorum wordt doorbroken (doordat niet alle concurrente schuldeisers een gelijk uitkeringspercentage ontvangen) verwijs ik naar hetgeen hierboven reeds in dat kader is uitgewerkt. Er kan echter ook sprake zijn van een ongelijke behandeling, terwijl de paritas creditorum niet wordt doorbroken. Neem bijvoorbeeld de situatie dat een deel van de concurrente schuldeisers uit de netto-opbrengst wordt betaald, direct nadat het homologatievonnis onaantastbaar is geworden, terwijl een ander deel van de concurrente schuldeisers nog een jaar moet wachten. De rechter zal de homologatie alsdan moeten weigeren indien voor deze ongelijke behandeling geen deugdelijke rechtvaardigingsgrond kan worden aangewezen.9 Een inbreuk is in ieder geval niet geoorloofd, indien aan de schuldenaar gelieerde schuldeisers beter af zijn dan de overige schuldeisers.10