Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.7.5
3.7.5 Omvang van schade en bewijspositie bij art. 2:9 BW en art. 2:138/ 248 BW: beslissingsregels zijn verschillend
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS347320:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 32-33, waarnaar tevens wordt verwezen in Kamerstukken I 1985/86, 16 631, nr. 27b (MvA), p. 27.
Kamerstukken I 1985/86, 16 631, nr. 27b (MvA), p. 22.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 4.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 37.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 9 (Nota naar aanleiding van het eindverslag), p. 22.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 20.
Dat begrip was overigens nog in ontwikkeling, zo blijkt ook uit Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 14: “Nu het misbruikbegrip in rechtsleer, rechtspraak en wetgeving nog in ontwikkeling verkeert, lijkt het mij te vroeg zich in de wet al aan bepaalde definities te wagen.”
Ik plaats schade tussen aanhalingstekens omdat men zou kunnen betogen dat een vermogensonttrekking door een dividenduitkering, waar het bestuur goedkeuring voor moet geven, strikt genomen niet als schade van de rechtspersoon kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt bij selectieve betaling van schulden aan groepsvennootschappen of aan anderszins aan de rechtspersoon of de bestuurder gelieerde/bevriende (rechts)personen. Het dividendbesluit of het besluit tot betaling van deze schulden zelf zou bij onrechtmatige benadeling van (andere) crediteuren echter wel vernietigd kunnen worden door de curator en dat besluit kan analoog aan HR 17 december 1982, NJ 1983/480 m.nt. J.M.M. Maeijer (Bibolini) onder omstandigheden ook derdenwerking hebben. Dit zou aldus kunnen leiden tot een vordering van de rechtspersoon op de aandeelhouder en/of de derde op grond van onverschuldigde betaling, ongerechtvaardigde verrijking en/of onrechtmatige daad. Het enkele moeten instellen van die vordering brengt reeds kosten met zich en leidt dus tot schade bij de rechtspersoon. Indien de derde weigert te betalen en/of geen verhaal biedt, ontstaat verdere schade. Indien daarentegen geen sprake is van een ongerechtvaardigde selectieve betaling, zal naar mijn mening ook niet snel sprake zijn van aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW of ex art. 2:9 BW.
Art. 2:138/248 lid 8 BW bepaalt in dit verband dat art. 2:138/248 BW onverlet laat dat de curator ook een vordering ex art. 2:9 BW kan instellen. Indien de aansprakelijkheid uitsluitend is gebaseerd op art. 2:138/248 lid 2 BW en de daarin genoemde schending van art. 2:10 BW en/of art. 2:394 BW zal de curator bij een vordering ex art. 2:9 BW het wel lastig kunnen krijgen met het aantonen van schade als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling. Het niet naleven van de verplichtingen van art. 2:10 BW en art. 2:394 BW levert naar mijn mening namelijk weliswaar onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:9 BW op, maar de rechtspersoon zal door de enkele schending van die bepalingen niet per se schade lijden. Als de rechtspersoon daar echter geen schade door heeft geleden, zal dat mijns inziens het bestuur ook weer kunnen helpen (i) ex art. 2:138/248 lid 2 BW te weerleggen dat de onweerlegbaar aangenomen onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement of (ii) ex art. 2:138/248 lid 4 BW een beroep op matiging te doen.
Om welke reden een bestuurder een tegenvordering tegen de rechtspersoon niet kan verrekenen met een vordering van de curator uit hoofde van art. 2:138/248 BW op hem. Zie: HR 18 september 2009, NJ 2009, 438 en JOR 2010/29 m.nt. S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber (Simoca), r.o. 3.4: “De aansprakelijkheid van bestuurders ingevolge de art. 2:138 en 2:248 BW is geen aansprakelijkheid jegens de gefailleerde vennootschap maar een aansprakelijkheid jegens de boedel. De aansprakelijke bestuurder is geen schuldenaar van de gefailleerde, terwijl zijn schuld bovendien niet vóór de faillietverklaring is ontstaan of voortvloeit uit handelingen door hem vóór de faillietverklaring met de vennootschap verricht, zodat niet is voldaan aan de door art. 53 Fw voor verrekening gestelde voorwaarden.”
Strik 2010, p. 57. Zie ook: Sanders/Westbroek/Buijn/Storm 2005, BV en NV, p. 57
Zie par. 2.3.7 voor het onderscheid tussen gedragsnormen, beslissingsregels en toetsingsregels.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 22.
Op deze stand van het recht bestaat overigens wel kritiek. Zie bijvoorbeeld: Huizink 2008, p. 210 en de daarin genoemde bronnen.
Het niet naleven van de verplichtingen van art. 2:10 BW of art. 2:394 BW levert – behoudens een onbelangrijk verzuim (zie de laatste zin van art. 2:138/248 lid 2 BW) – naar mijn mening op basis van het huidig recht zoals verwoord in art. 2:138/248 BW dan ook per definitie onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:9 BW op. Dat betekent evenwel nog niet dat de bestuurder ook aansprakelijk is ex art. 2:9 BW, omdat daarvoor vereist is dat de rechtspersoon hierdoor schade heeft geleden. Overigens kan zowel in het geval van art. 2:9 BW als in het geval van art. 2:138/248 BW de bestuurder zich disculperen wanneer de bepalingen van art. 2:10 BW of art. 2:394 BW niet zijn nageleefd “al zal niet gemakkelijk mogen worden aangenomen dat een bestuurder geen verwijt treft ten aanzien van de verwaarlozing van een zo fundamentele bestuursplicht.” Zie: Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 5. Zie voorts: HR 1 november 2013, NJ 2014, 7 m.nt. P. Van Schilfgaarde (Verify): “De bepaling van art. 2:248 lid 2 BW dat een onbelangrijk verzuim niet in aanmerking wordt genomen, heeft betrekking op de vraag of sprake is geweest van een onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, en niet op het aandeel in die onbehoorlijke taakvervulling van de individuele bestuurder.” Het feit dat de bestuurder maar een klein aandeel had in het verzuim, zal hem dus niet disculperen.
Zie hierover nader: HR 23 november 2001, NJ 2002, 95 m.nt. J.M.M. Maeijer (Mefigro); HR 20 oktober 2006, NJ 2007, 2 m.nt. J.M.M. Maeijer (Van Schilt); HR 30 november 2007, NJ 2008, 91 m.nt. J.M.M. Maeijer (Blue Tomato).
Rb. ’s-Gravenhage 11 mei 2011, JOR 2012/1 (ZHG Beheer). In Rb. ’s-Gravenhage 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3672 wordt evenwel expliciet overwogen dat geen sprake is van risicoaansprakelijkheid van bestuurders voor het handelen van medebestuurders. Deze overweging dient echter in het licht van de omstandigheden in die zaak te worden bezien, namelijk dat een medebestuurder onttrekkingen had gedaan zonder dat de betrokken bestuurders daarvan op de hoogte waren of konden zijn en de betrokken bestuurders voorts maatregelen hadden genomen om die onttrekkingen terug te halen zodat de bestuurders niet aansprakelijk werden geacht.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/482 en Asser/Maeijer 2-III, 2000/ 321.
Vgl. Van Zanten & Assink 2008, die stelden dat de belangen van schuldeisers en werknemers een rol spelen in het vennootschapsbelang. Ook in de Nederlandse Corporate Governance Code 2016, preambule, p. 8 worden “werknemers, toeleveranciers en afnemers” uitdrukkelijk aangemerkt als stakeholders bij de vennootschap.
In het kader van het leerstuk van externe bestuurdersaansprakelijkheid ga ik in par. 10.8 verder in op deze externe gevolgen van het schenden van interne gedragsnormen.
Asser Procesrecht/Asser 3 2013/302; HR 29 november 2002, NJ 2004, 304; HR 23 november 2012, NJ 2012, 669.
Men zou zelfs kunnen zeggen dat niet van ‘schade’ kan worden gesproken. Crediteuren hebben doorgaans namelijk geen (contractuele) band met de bestuurder, maar slechts met de rechtspersoon. Hun ‘schade’ bestaat erin dat hun vordering op de rechtspersoon onbetaald is gebleven door het faillissement. De bestuurder is op grond van art. 2:138/248 BW gewoonweg wettelijk aansprakelijk om het tekort in de boedel te vergoeden. Zou men in dit verband over schade spreken dan zou men ook moeten stilstaan bij omvang en causaliteit, maar daar wordt dus juist van geabstraheerd in art. 2:138/248 BW.
Huizink 2016, GS Rechtspersonen, art. 2:248 BW, aant. 21.1.
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 5: “In de opzet van het ontwerp is de verplichting tot schadevergoeding vervangen door een verplichting tot vergoeding van het tekort. Dit tekort kan de schade die door het onbehoorlijk bestuur is veroorzaakt overtreffen. Het is niet redelijk de bestuurder aansprakelijk te stellen voor een hoger bedrag dan de schade die door het onbehoorlijk bestuur kan zijn ontstaan. Men zou kunnen denken aan een wettelijke regeling, die de bestuurder opdraagt te bewijzen dat die schade geringer is dan het bedrag van het tekort. Dit leidt tot een gecompliceerde procedure.Deze bewijslast zal niet steeds gemakkelijk kunnen worden vervuld. Het verdient daarom de voorkeur dat de rechter het bedrag dat de bestuurders moeten betalen, indien dit bovenmatig is, kan verminderen, waardoor het in een redelijke verhouding komt tot de aard en ernst van de tekortkomingen van het bestuur.”
Dat het een vorm van interne aansprakelijkheid zou betreffen wordt bijvoorbeeld bepleit in: Van der Heijden/Van der Grinten/Honée & Hendriks-Jansen, Handboek NV/BV 1992/ 399.1; Blanco Fernández 1993, p. 166; Kortmann & Faber 1996. In het Voorontwerp Insolventiewet 1 november 2007, Commissie Insolventierecht 2007 (S.C.J.J. Kortmann,B. Wessels, J.W. Winter e.a.) wordt eveneens gesproken over een vorm van interne aansprakelijkheid.
Dat het een vorm van externe aansprakelijkheid zou betreffen wordt bijvoorbeeld bepleitin: Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/455; Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 1062; Huizink 2008, p. 209 en Van der Heijden/ Dortmond, Handboek NV/BV 2013/399.1. In Handboek NV/BV 2013 wordt het ten opzichte van Handboek NV/BV 1992 gewijzigde standpunt onderbouwd met de stelling dat inmiddels anders zou zijn beslist in HR 18 september 2009, NJ 2009, 438 en JOR 2010/29m.nt.S.C.J.J. Kortmann en N.E.D. Faber (Simoca). Ik lees dat daar echter niet in (de Hoge Raad laat zich er gewoonweg niet over uit) en in hun heldere noot zetten Kortmann en Faber uiteen dat het arrest het door hen eerder betoogde standpunt bevestigt.
In L. Timmerman, ‘Aansprakelijkheid van bestuurders van N.V.’s en B.V.’s; een overzicht van enige recente rechtspraak’, TvvS 1991, nr. 91/8, p. 197 wordt deze discussie reeds genoemd.
Timmerman 1991b, p. 197.
Zo ook Voorontwerp Insolventiewet 1 november 2007, Commissie Insolventierecht 2007(S.C.J.J. Kortmann, B. Wessels, J.W. Winter e.a.), p. 179 waarin wordt opgemerkt dat de vraag vooral van dogmatische betekenis is en gezien het systeem van art. 2:138/248 BW niet tot een verschillende uitkomst of toepassing leidt.
Dat neemt overigens niet weg dat de schending van die gedragsnormen tevens een schending van gedragsnormen jegens crediteuren kan opleveren in de zin van art. 6:162 BW. Schuldeisers die menen dat een bestuurder rechtstreeks een norm heeft geschonden jegens hen, kunnen – naast het indienen van een vordering bij de curator – deze bestuurder aanspreken op grond van art. 6:162 BW (zie hoofdstuk 9 e.v.). De vraag of beide vorderingen gelijktijdig kunnen worden ingesteld jegens de bestuurder is niet een normatieve, maar een technisch juridische vraag die ik hier onbeantwoord laat.
Terwijl de met art. 2:9 BW en art. 2:138/248 BW beoogde gedragsnormen en toetsingsregels om schending van die gedragsnormen te toetsen niet verschillen, bestaan vanzelfsprekend wel verschillen tussen beide bepalingen. Art. 2:138/ 248 BW beoogt schuldeisers te beschermen tegen de gevolgen van ‘misbruik’, terwijl art. 2:9 BW de rechtspersoon beoogt te beschermen. Maar hoe werkt dat dan? Ook dit is in de parlementaire geschiedenis niet geheel eenduidig beantwoord. Om te beginnen is in dit verband van belang stil te staan bij het antwoord van de Minister op vragen van Kamerleden over de op art. 2:9 BW lijkende terminologie die werd gehanteerd in het wetsontwerp van art. 2:138/248 BW. De Minister antwoordde daarop als volgt:
“De leden van de fractie van D’66 betogen, dat het gebruik van deze ook in artikel 8 gebezigde term moet worden vermeden, doch uit hun betoog is niet op te maken welke andere term dan in hun ogen wel aanvaardbaar zou zijn. (…). Blijkbaar is het niet wegens een verschil in betekenis of zwaarte dat de aan het woord zijnde leden zich tegen het gebruik van de term niet behoorlijke taakvervulling keren. Hun voornaamste bezwaar is dat deze termen reeds worden gevonden in artikel 8, dat ziet op onbehoorlijke taakvervulling jegens de vennootschap, terwijl het in de voorgestelde wetsbepalingen gaat om gedrag dat de benadeling van crediteuren ten gevolge heeft. Het is evenwel niet goed in te zien waarom de omstandigheid dat er in artikel 8 gesproken wordt van niet-behoorlijke taakvervulling in de daar gegeven context – de verhouding van het bestuur tegenover de vennootschap – er aan in de weg zou moeten staan, dat ook elders in de wet in een andere context– de verhouding tegenover de vennootschap en haar schuldeisers in geval van faillissement – eveneens gesproken wordt van niet-behoorlijke vervulling van de taak. In beide gevallen is er sprake van een tekort schieten van het bestuur, met als gevolg persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders. De invulling van «onbehoorlijk» kan verschillen, afhankelijk van de context. Zo moet er in de voorgestelde artikelen 138 en 248 worden gezien naar de gevolgen van de onbehoorlijke taakvervulling in het bijzonder voor de schuldeisers. Dat wordt niet belet door de omstandigheid dat dezelfde term in artikel 8 moet worden uitgelegd in de relatie tot de schade die de onbehoorlijke taakvervulling heeft teweeggebracht voor de vennootschap. Denkbaar is dat bepaalde gedragingen onbehoorlijke taakvervulling jegens de vennootschap opleveren doch dat de schuldeisers er geen nadeel van lijden. Ook het omgekeerde is denkbaar. Tenslotte is denkbaar, dat dezelfde gedraging die jegens de vennootschap als onbehoorlijke taakvervulling moet worden aangemerkt tevens voor de curator aanleiding is om ten behoeve van de boedel – dus de schuldeisers van de vennootschap – de aktie van artikel 138 (248) in te stellen. Het achtste lid maakt zulks duidelijk.”1
In de Eerste Kamer merkte de Minister later nog op:
“Met Prof. Mr. P. van Schilfgaarde ben ik van mening dat onbehoorlijke taakvervulling tegenover de vennootschap nog geen onbehoorlijke taakvervulling tegenover de crediteuren behoeft te zijn en dat anderzijds onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 138 niet noodzakelijkerwijs behoeft te zijn voorafgegaan door onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 8boek 2 B.W. Een dergelijk betoog, daarop magik wel wijzen, is reeds te vinden in dememorievan antwoord (nr. 6, blz. 33/34) naaraanleiding van de problemen die de fractie van D’66 ziet in de omstandigheid dat de term behoorlijk bestuur zowel in de artikelen 138 en 248 als in artikel 8 wordt gebezigd.”2
De opmerkingen van de Minister, wetende dat denkbaar is dat bepaalde gedragingen onbehoorlijke taakvervulling jegens de vennootschap (ex art. 2:9 BW) opleveren, doch dat de schuldeisers er geen nadeel van lijden (zodat geen aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW ontstaat), lijken mij volledig juist en volstrekt vanzelfsprekend, al was het maar omdat onbehoorlijk bestuur jegens de vennootschap niet per se tot schade bij een derden hoeft te leiden, zelfs niet in geval van faillissement. Daarvoor is logischerwijs immers vereist dat het onbehoorlijk bestuur het faillissement heeft veroorzaakt. De wetgever heeft de vereiste aanwezigheid van dat causaal verband duidelijk verwoord in art. 2:138/ 248 BW, door aansprakelijkheid van de bestuurder voor het tekort in de boedel afhankelijk te maken van de vraag of aannemelijk is dat de (kennelijk) onbehoorlijke taakvervulling (het onbehoorlijk bestuur) een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Als dat causaal verband niet aanwezig is, kan de bestuurder nog immer onbehoorlijke taakvervulling worden verweten ex art. 2:9 BW en de curator kan die vordering ex art. 2:138/248 lid 8 BW instellen. Is dat causaal verband wel aanwezig dan kan gesproken worden van aansprakelijkheid voor ‘kennelijk’ onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:138/248 BW.
De andere opmerkingen van de Minister, wetende dat het omgekeerde ook denkbaar is en dat onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:138/248 BW niet noodzakelijkerwijs behoeft te zijn voorafgegaan door onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:9 BW, lijkt mij letterlijk genomen echter onjuist. Als sprake is van (kennelijk) onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:138/248 BW waarvan aannemelijk is dat dit het faillissement heeft veroorzaakt, vermag ik namelijk niet in te zien dat dit niet per definitie tevens onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:9 BW oplevert. Daarvoor geldt, zoals hiervoor in par. 3.7.4 is uiteengezet, dat aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW uitsluitend kan ontstaan indien de bestuurder de gedragsnorm van art. 2:9 BW heeft geschonden. Ik zou daarom menen dat de hier bedoelde opmerkingen van de Minister niet te letterlijk moeten worden genomen en met name dienen te worden bezien in het licht van de context waarin hij deze maakte. Die context blijkt uit de eerste hiervoor geciteerde opmerking van de Minister in de Tweede Kamer. In zijn toelichting staat namelijk niet centraal de vraag of sprake is van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:9 BW respectievelijk art. 2:138/ 248 BW. Centraal staan de “context”, de “gevolgen”, het “nadeel” en dus de schade van crediteuren als gevolg van die onbehoorlijke taakvervulling doordat een tekort in de boedel is ontstaan. De grondslag voor deze aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel blijft echter gelegen in de normschending jegens de rechtspersoon:
“De aansprakelijkheid van de bestuurder vindt zijn grond niet in het faillissement, doch in de verantwoordelijkheid die de bestuurder in de vervulling van zijn taak ten opzichte van de vennootschap draagt.”3
Het is de onbehoorlijke taakvervulling zelf die in geval van faillissement tot aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel leidt. De Minister merkte daarom in de memorie van antwoord op:
“Ik herhaal hierbij wellicht ten overvloede nog eens, dat de bijzondere aansprakelijkheid ex artikel 138(248) boek 2 BW in geval van faillissement geen principiële doch slechts graduele verschillen vertoont met die van artikel 8. Deze verschillen hangen samen met de omstandigheid dat in geval van faillissement de schade die het gevolg is van de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur wordt afgewenteld op de schuldeisers, die ten opzichte van de vennootschap buitenstaanders zijn en geen middel hebben om het plichtsverzuim van de bestuurders tijdig te onderkennen en te corrigeren.”4
Met de ‘graduele verschillen’ doelde de Minister mijns inziens dus op de omstandigheid dat als gevolg van het faillissement die het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling, een andere – en mogelijk zelfs – meer verstrekkende aansprakelijkheid kon ontstaan, bestaande uit de aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel. Deze aansprakelijkheid moet blijkens de eigen bewoordingen van de Minister echter wel gevonden worden in de rechtsgrond van “onbehoorlijke taakvervulling” (zie par. 3.7.2). Dit blijkt ook uit de nota naar aanleiding van het eindverslag:
“Onbehoorlijk bestuur kan tot aansprakelijkheid tegenover de vennootschap leiden (artikel 8) indien deze door dat onbehoorlijk bestuur schade heeft geleden; het kan ook tot aansprakelijkheid tegenover de schuldeisers leiden indien deze daarvan schade hebben ondervonden doordat het (mede) oorzaak is geweest van het faillissement van de rechtspersoon (artikel 138 en 248.”5
De woorden “daarvan” en “doordat het” geven aan dat de aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel het gevolg moet zijn van de onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:9 BW, doordat deze onbehoorlijke taakvervulling mede oorzaak is geweest van het faillissement. Hiermee legt art. 2:138/248 BW aanvullende eisen op die verder gaan dan art. 2:9 BW. Anders gezegd, de aansprakelijkheid van art. 2:9 BW zal verder gaan dan die van art. 2:138/248 BW, omdat de laatste bepaling ten minste het faillissement van de rechtspersoon vereist. Dit past ook bij de volgende opmerking van de Minister:
“Deze uit artikel 8 voortvloeiende aansprakelijkheid gaat verder dan de aansprakelijkheid jegens de schuldeisers, immers gedrag dat schadelijk is voor de vennootschap doch dat niet tot haar faillissement leidt kan reeds grond zijn voor een actie tegen de bestuurders.”6
Deze opmerking van de Minister laat naar mijn mening zien dat aansprakelijkheid jegens schuldeisers op grond van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling ex art. 2:138/248 BW per definitie impliceert dat de bestuurder tevens onbehoorlijk bestuur ex art. 2:9 BW kan worden verweten. Dit betekent evenwel niet dat voor aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW de bestuurder het ‘bonter’ moet hebben gemaakt dan voor de aansprakelijkheid ex art. 2:9 BW. Hoewel deze benadering zou passen bij de gedachte dat art. 2:138/248 BW oorspronkelijk is ingevoerd om ‘misbruik’7 te voorkomen, lijkt mij deze benadering niet juist omdat art. 2:138/248 BW niet heeft beoogd een andere of een aanvullende gedragsnorm te creëren dan die reeds is vervat in art. 2:9 BW (zie par. 3.7.4). Het betekent voorts ook niet dat voor de aansprakelijkheid ex art. 2:138/248 BW vereist is dat de rechtspersoon de iure per se ‘schade’ moet hebben geleden, hoewel dat de facto doorgaans wel het geval zal zijn. Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling ‘jegens schuldeisers’ in de zin van art. 2:138/248 BW gaat immers uit van benadeling van die schuldeisers doordat het vermogen van de rechtspersoon geen verhaal meer biedt als gevolgvan die onbehoorlijke taakvervulling (de aannemelijkheid van het causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement is immers een vereiste). Oftewel, de rechtspersoon zal dan doorgaans ook ‘schade’8 hebben geleden.9
Anders gezegd, de gedragsnormen waar art. 2:138/248 BW betrekking op heeft, zijn geen gedragsnormen die de relatie tussen de bestuurder en de crediteuren van de rechtspersoon betreffen. De gedragsnormen regelen de relatie tussen de bestuurder en de rechtspersoon. De wetsbepaling heeft dan ook betrekking op de situatie waarin ‘misbruik’ wordt gemaakt van de rechtspersoon door de bestuurder (niet op misbruik van de crediteuren). Bij art. 2:138/248 BW gaat het dus niet om een normschending van de bestuurder jegens crediteuren. Het gaat om een normschending van de bestuurder de rechtspersoon.10 Deze normschending leidt echter tot aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel.11 De regeling van art. 2:138/248 BW is dus gegrond op de schending van een interne norm, die als het ware extern haar werking en doel heeft12 doordat de belangen van de crediteuren ermee worden gediend. Die externe werking wordt weliswaar veroorzaakt door het faillissement, maar de aansprakelijkheid van de bestuurder vindt zijn grond niet in het faillissement, doch in de verantwoordelijkheid die de bestuurder in de vervulling van zijn taak ten opzichte van de vennootschap draagt, aldus de Minister. Dit is de kern van art. 2:138/248 BW. Met art. 2:138/248 BW zijn in feite uitsluitend aanvullende beslissingsregels gecreëerd voor het geval op basis van de bestaande toetsingsregels geoordeeld moet worden dat (i) de bestuurder de gedragsnorm van art. 2:9 BW heeft geschonden én (ii) aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de rechtspersoon binnen drie jaar nadat de gedragsnormschending heeft plaats gevonden (art. 2:138/248 lid 1 en 6 BW). Deze beslissingsregels hebben betrekking op het causaal verband, de schade en de stelplicht en bewijspositie. Wanneer is gebleken dat de schending van de in art. 2:9 BW vervatte gedragsnorm een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de rechtspersoon,13 is de rechter gehouden te beslissen dat de bestuurder aansprakelijk is voor het tekort in de boedel,14 zelfs als de bestuurder eerder al decharge is verleend (zie lid 6 BW). Het causaal verband staat hier centraal aldus de Minister:
“De eis van het causale verband met het faillissement lijkt mij wenselijk en moet worden gehandhaafd. Het is immers in verband met het faillissement dat de aansprakelijkheid van de bestuurders aan de orde komt. Het faillissement brengt als het ware het misbruik aan het licht. Daardoor wordt de benadeling van de schuldeisers manifest. Bestuurders dan aansprakelijk te stellen voor gedragingen die met het faillissement niet van doen hebben ligt niet zeer voor de hand. Buiten faillissement kan een actie uit artikel 8 als correctief dienen.”15
Waar de Minister zei dat het in verband met het faillissement is dat de aansprakelijkheid van de bestuurders aan de orde komt, bedoelde de Minister vanzelfsprekend de aansprakelijkheid van de bestuurders ex art. 2:138/248 BW. Die aansprakelijkheid komt uitsluitend aan de orde in geval van faillissement é n aannemelijkheid dat causaal verband bestaat tussen dat faillissement en onbehoorlijk bestuur. De vereiste aanwezigheid van dat causaal verband komt uitdrukkelijk terug in art. 2:138/248 lid 1 BW dat bepaalt dat aansprakelijkheid ontstaat indien “aannemelijk is dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement”. Is er wel onbehoorlijke taakvervulling, maar geen faillissement, dan vindt art. 2:138/248 BW geen toepassing. Is er wel onbehoorlijke taakvervulling en ook faillissement, maar is niet aannemelijk dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement, dan vindt art. 2:138/248 BW in beginsel evenmin toepassing. Dat is slechts anders indien sprake is van faillissement en het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen van art. 2:10 BW (respectievelijk art. 3:15j BW) en art. 2:394 BW. In dat geval bevat art. 2:138/248 lid 2 BW een aanvullende beslissingsregel, namelijk dat de rechter per definitie dient te beslissen dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld.16 Dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement, wordt voorts weerlegbaar vermoed.17
Als de bestuurder er niet in slaagt de aannemelijkheid of het wettelijk vermoeden dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement te weerleggen, verschiet die onbehoorlijke taakvervulling als het ware van kleur als gevolg van dat faillissement en kan deze worden aangemerkt als misbruik (of als “kennelijk onbehoorlijk bestuur” in de zin van art. 2:138/248 BW).18
Er ontstaat in dat geval een wettelijke risicoaansprakelijkheid voor het tekort in de boedel als gevolg van de schending van een gedragsnorm jegens de rechtspersoon. In de rechtspraak wordt in dit verband ook gesproken van een kwalitatieve aansprakelijkheid.19
De systematiek van art. 2:138/248 BW is te begrijpen vanuit de gedachte dat de bestuurder op grond van art. 2:9 BW een – mede door het rechtspersonenrecht bepaalde – maatschappelijke positie bekleedt waarbij hij een ‘trusteefunctie’, een bewakers- of bewaarnemersrol vervult ten opzichte van de hem toevertrouwde, bij de rechtspersoon betrokken belangen.20 Die belangen omvatten mede de belangen van werknemers en crediteuren.21 De bedoelde bewaarnemersrol dient de bestuurder te vervullen door de op hem rustende gedragsnormen na te leven. Die gedragsnormen zien echter niet uitsluitend op de interne verhouding, maar zij hebben ook een (externe) maatschappelijke functie. De bestuurder speelt namelijk een centrale rol bij het functioneren van de rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer en de gedragsnormen die op de bestuurder rusten zorgen ervoor dat deze rechtspersoon in het maatschappelijk verkeer ten volle wordt aangezien. Zonder deze gedragsnormen ontstaat het gevaar dat de rechtspersoon zijn functie in het maatschappelijk verkeer verliest (dit wordt verder toegelicht in par. 10.8). De schending van op de bestuurder rustende gedragsnormen jegens de rechtspersoon kan daarom in bepaalde gevallen ook leiden tot aansprakelijkheid jegens derden, althans tot aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel in het belang van derden.22
Art. 2:138/248 BW kan naar mijn mening worden gezien als een wettelijke vastlegging van de voormelde gedachte dat de bestuurder op grond van art. 2:9 BW een maatschappelijke ‘trusteefunctie’ vervult ten opzichte van de hem toevertrouwde, bij de rechtspersoon betrokken belangen. In art. 2:138/248 BW is daarom ook een met de omkeringsregel uit het bewijsrecht vergelijkbare ratio te ontwaren. Deze omkeringsregel houdt in dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een uitzondering op de hoofdregel van art. 150 Rv op het gebied van bewijsrecht wordt gemaakt (wie stelt moet bewijzen), in dier voege dat het bestaan van conditio sine qua non-verband tussen een onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor de toepassing van deze regel is vereist dat is komen vast te staan dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen. Voorts is vereist dat degene die zich op de schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. De ratio van de omkeringsregel brengt mee dat de onzekerheid omtrent het exacte verloop van gebeurtenissen voor risico komt van degene die de desbetreffende norm heeft geschonden, zodat dat verloop in zoverre niet door de benadeelde behoeft te worden gesteld en, in geval van betwisting, bewezen.23
De omkeringsregel, althans de ratio van de omkeringsregel, komt in art. 2:138/ 248 BW op twee manieren tot uiting. Ten eerste doordat voorshands het vermoeden wordt aangenomen dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement indien de verplichtingen ex art. 2:10 BW (respectievelijk art. 3:15j BW) en art. 2:394 BW zijn geschonden. Ten tweede doordat de omvang van ‘de schade’ als het ware forfaitair wordt vastgesteld op het tekort in de boedel. Er wordt dus geabstraheerd van het causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling en de daardoor aan de crediteuren toegebrachte ‘schade’ (of beter: aan het daadwerkelijk daardoor ontstane tekort in de boedel).24 Ook als het deficit mede kan worden toegeschreven aan andere oorzaken zijn de bestuurders ten volle voor het tekort aansprakelijk.25 Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat de matigingsbevoegdheid van art. 2:138/ 248 lid 4 BW een belangrijke functie heeft die blijkens de wetsgeschiedenis ten doel heeft de omvang van de aansprakelijkheid te beperken tot een bedrag dat in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de tekortkomingen van het bestuur.26
Met het voorgaande wordt het kernonderscheid duidelijk tussen de strekking van art. 2:9 BW en de strekking van art. 2:138/248 BW. Dit onderscheid ligt niet besloten in een verschil tussen gedragsnormen of toetsingsregels, maar in de beslissingsregels die de wetgever ten behoeve van de bescherming van schuldeisers noodzakelijk heeft geacht wanneer de schending van gedragsnormen jegens de rechtspersoon een belangrijke oorzaak is van het faillissement van die rechtspersoon. Deze bescherming is gelegen in het voorshands vaststellen van de omvang van de ‘schade’ als het tekort in de boedel en in het aannemen van bepaalde bewijsvermoedens.
De in verband met al het voorgaande in de literatuur gevoerde discussie over de vraag of in art. 2:138/248 BW sprake is van een vorm van interne27 of externe28 bestuurdersaansprakelijkheid,29 acht ik in dit kader niet nuttig en onnodig tot verwarring leiden. Het gaat immers om een schending van een interne gedragsnorm die ‘externe’ gevolgen heeft in de zin dat de bestuurder aansprakelijk kan zijn voor het tekort in de boedel in het belang van crediteuren. Men zou kunnen zeggen dat de bepaling hiermee een hybride karakter heeft.30 De vraag of de aansprakelijkheid van artikel 2:138/248 BW een interne of externe aansprakelijkheid oplevert, is vooral dogmatisch31 en naar mijn mening niet zo relevant. Waar het om gaat is dat de taak die een (rechts)persoon als bestuurder van een rechtspersoon op zich heeft opgenomen, een taak is die hij op zich heeft genomen ten opzichte van de rechtspersoon en dat de vordering ex art. 2:138/248 BW in de boedel valt. Met andere woorden: de bestuurder heeft deze taak uitsluitend omdat hij bestuurder is van een rechtspersoon en deze taak impliceert dus allereerst dat de bestuurder gebonden is aan bepaalde gedragsnormen jegens deze rechtspersoon.32 Dat schending van die gedragsnorm aansprakelijkheid voor het tekort in de boedel (in het belang van schuldeisers) oplevert maakt niet dat art. 2:138/248 BW andere of aanvullende gedragsnormen oplegt aan de bestuurder dan art. 2:9 BW reeds doet.