Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.7.2:3.7.2 (Kennelijk) onbehoorlijke taakvervulling als rechtsgrond voor aansprakelijkheid (de ‘behoorlijke taakvervullingsnorm’)
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.7.2
3.7.2 (Kennelijk) onbehoorlijke taakvervulling als rechtsgrond voor aansprakelijkheid (de ‘behoorlijke taakvervullingsnorm’)
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346070:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1980/81, 16 631, nr. 3 (MvT), p. 3 en 4.
Kamerstukken II 1981/82, 16 631, nr. 5 (Voorlopig Verslag), p. 11.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 20. Zie ook art. 2:138/248 lid 8 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vooropgesteld moet worden dat onbehoorlijke taakvervulling een eigen rechtsgrond vormt voor aansprakelijkheid tegenover de rechtspersoon. Die onbehoorlijke taakvervulling is de wettelijke basis waarop de rechtspersoon buiten faillissement en de curator binnen faillissement een bestuurder aansprakelijk kan stellen. Hoewel de rechtsgrond voor aansprakelijkheid voor beide gevallen in verschillende bepalingen is neergelegd, namelijk art. 2:9 BW respectievelijk art. 2:138/248 BW, is de feitelijke rechtsgrond voor aansprakelijkheid hetzelfde. Zo merkte de Minister op:
“Er is geen reden om wat de rechtsgrond voor die aansprakelijkheid betreft onderscheid te maken tussen situaties in en buiten faillissement.”1
Naar aanleiding hiervan werd bij de behandeling van het wetsontwerp de volgende vraag gesteld over de rechtsgrond van aansprakelijkheid:
“De memorie van toelichting zegt dat aansluiting is gezocht bij artikel 8, Boek 2 BW en dat er geen reden is om wat betreft de rechtsgrond van de aansprakelijkheid onderscheid te maken tussen situaties in en buiten faillissement. De leden van de P.v.d.A.-fractie vroegen of nu juist niet het kenmerkende verschil tussen beide bepalingen is dat artikel 8 de gebondenheid van de bestuurder tot behoorlijke taakvervulling tegenover de rechtspersoon betreft terwijl artikel 138 betrekking heeft op behoorlijke taakvervulling ten aanzien van de crediteuren. Kunnen deze twee verplichtingen van de bestuurder niet met elkaar op gespannen voet staan en is een grotere verantwoordelijkheid ten opzichte van de rechtspersoon dan ten opzichte van crediteuren niet acceptabel? Deze leden wilden hierop graag de visie van de minister vernemen.”2
De Minister antwoordde hierop als volgt:
“Mij dunkt dat hier een tegenstelling wordt geschapen die er niet is. Wanneer de toelichting stelt dat er geen reden is om wat de rechtsgrond van de aansprakelijkheid betreft onderscheid te maken tussen situaties in en buiten faillissement en dat onbehoorlijke taakvervulling grondslag kan zijn zowel voor aansprakelijkheid van de bestuurders tegenover de vennootschap als voor aansprakelijkheid tegenover de schuldeisers van de vennootschap, dan wordt daarmee bedoeld aan te geven dat die beide aansprakelijkheden in elkaars verlengde liggen, veeleer dan dat zij met elkaar op gespannen voet zouden staan. De aansprakelijkheid jegens de vennootschap staat daarbij voorop, immers de bestuurders zijn in de eerste plaats tegenover de vennootschap gehouden tot een behoorlijke taakvervulling. Deze uit artikel 8 voortvloeiende aansprakelijkheid gaat verder dan de aansprakelijkheid jegens de schuldeisers, immers gedrag dat schadelijk is voor de vennootschap doch dat niet tot haar faillissement leidt kan reeds grond zijn voor een actie tegen de bestuurders. (…) De aansprakelijkheid uit artikel 8 en uit de artikelen 138 en 248 liggen dus niet alleen in elkaars verlengde, zij lopen ook parallel wanneer het gedrag van de bestuurders zowel de vennootschap als de schuldeisers grond geeft tot het instellen van een vordering.”3 (onderstreping toegevoegd)
Uit het voorgaande antwoord blijkt dat de aansprakelijkheid van de bestuurder zowel in een situatie buiten faillissement (art. 2:9 BW) als binnen faillissement (art. 2:138/248 BW) moet worden gevonden in de rechtsgrond van “onbehoorlijke taakvervulling”. Anders gezegd, de aansprakelijkheid ligt in de schending van de ‘behoorlijke taakvervullingsnorm’. Dit is van belang om te constateren omdat in het verleden is betoogd dat art. 2:9 BW niet als zelfstandige rechtsgrond voor aansprakelijkheid kon fungeren, maar dat Boek 6 BW bepalend blijft, hetgeen mijns inziens onjuist is en mede een rol heeft gespeeld bij de– mijns inziens onterechte – introductie van de ernstigverwijtmaatstaf (zie par. 4.3 en par. 5.3.5 hierna). Ook blijkt dat de aansprakelijkheid binnen faillissement “in het verlengde” ligt van en zelfs “parallel” loopt met de aansprakelijkheid buiten faillissement. Wat de Minister hiermee naar mijn idee bedoelde, wordt hierna in par. 3.7.4 e.v. duidelijk gemaakt.