Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/2.2
2.2 Wat is een beleggingsinstelling?
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193693:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Groffen, Spoor en Van der Velden (2010), paragraaf 13.1.1. en Spangler, (2012), p. 1.
Morley (2014).
Van der Velden (2008), paragraaf 2.3.
Zetzsche en Preiner (2015), paragraaf 2.1.2.
Zetzsche en Preiner (2015), paragraaf 2.1.2.
Vgl. Zetzsche (2017), p. 48/49.
Spangler, (2012), p. 1.
Morley (2014), p. 1238.
Hoekstra (2017, paragraaf 1.2) beschrijft enkele van deze conflicten.
Morley beschrijft deze splitsing uitvoerig in zijn artikel ‘The Separation of Funds and Managers: A Theory ofInvestment Fund Structure and Regulation’. Hij noemt deze theorie The separation of funds and managers (Morley (2014)).
Overigens benoemde de Nederlandse Commissie Modernisering Beleggingsinstel- lingen dit aspect al in 2004. Deze commissie schreef in haar rapport RAPPORT COMMISSIE MODERNISERING BELEGGINGSINSTELLINGEN (hierna aangeduid als Rapport-Winter) op p. 42: ‘De scheiding tussen degenen die het financieel belang in de beleggingsinstelling houden en degenen die het beleid van de beleggingsinstelling bepalen is vrijwel steeds volledig.’ Dit geeft volgens de Commissie aanleiding tot een bijzonder type agency-probleem.
Art. 5 lid 1 sub B AIFM-Richtlijn en art. 5 lid 2 Icbe-Richtlijn. In de praktijk gebeurt dit overigens zelden. In Luxemburg waren er in 2017 22 icbe’s zonder aparte beheerder en 12 abi’s zonder aparte beheerder op een totaal aantal beleggingsinstellingen van ruim 14.700. Zie CSSF, annual report 2017, p. 78 en 81.
Te weten: instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van beleggingscompartimenten daarvan, die bij een reeks beleggers kapitaal ophalen om dit overeenkomstig een bepaald beleggingsbeleid in het belang van deze beleggers te beleggen en niet vergunningplichtig zijn uit hoofde van de Icbe-Richtlijn (art. 4 lid 1 sub a AIFM-Richtlijn).
ESMA/2013/611.
ESMA/2013/611, paragraaf 5-9.
Hooghiemstra (2014) en Labeur en De Wit (2018).
Wegman (2016), p. 26. Vgl. Berghuis (1967, p. 5), die een soortgelijke definitie geeft van een beleggingsfonds. In paragraaf 4.2 wordt nader uitgewijd over de definitie van een beleggingsinstelling voor collectieve belegging in effecten.
Van der Velden (2008), p. 10.
In de literatuur is al het nodige opgemerkt over wat de kenmerken zijn van een beleggingsinstelling.1 Telkens komen dezelfde elementen terug: het collectieve karakter van de beleggingsinstelling2, de opzet met een aparte beheerder3, het oogmerk om te beleggen en niet te ondernemen4 en tot slot het poolen van activa.5
In de literatuur wordt van enkele van deze elementen betoogd dat ze doorslaggevend zijn om van een beleggingsinstelling te kunnen spreken. Zetzsche en Preiner melden dat het kenmerkende verschil tussen individueel beleggen en de beleggingsinstelling pooling is.6 Pooling wil zeggen dat de activa tot één entiteit behoren die wij de beleggingsinstelling noemen. Deze entiteit kan vele vormen aannemen, waaronder die van een vennootschap, gemeenschap en overeenkomst. Elke structuur die kan functioneren als een pool volstaat. Zodra de activa behoren tot één pool, kan in geval van faillissement een deelnemer zijn geïnvesteerde kapitaal niet meer terugvorderen of het scheiden van de boedel van de beleggingsinstelling.
Nauw daaraan verwant is het collectieve karakter van de beleggingsinstelling. Het collectieve karakter van de beleggingsinstelling betekent dat er meerdere deelnemers in kunnen participeren.7 Springley stelt dat een beleggingsinstelling een middel is om vermogensbeheerbetrekkingen te collectiviseren.8 Hij ziet het collectieve karakter als kenmerkende eigenschap.
Daartegenover stelt Morley dat de opzet van een beleggingsinstelling het kenmerkende verschil is met andere (uitgevende) instellingen.9 Morley doelt hiermee op de opzet van een beleggingsinstelling met een aparte beheerder. Zowel de beheerder als de beleggingsinstelling hebben eigen activa; de activa van beide entiteiten zijn in handen van verschillende eigenaren. De activa die beheerd worden, behoren toe aan de beleggingsinstelling. De activa waarmee het beheer wordt uitgevoerd, behoren toe aan de beheerder. Bij de laatste categorie kan gedacht worden aan activa zoals de kantoorruimte, computers, overeenkomsten met medewerkers, etc. Het scheiden van de activa van de beheerder en van de beleggingsinstelling leidt tot diverse efficiëntievoordelen (zo kan de beheerder met dezelfde activa meerdere beleggingsinstellingen beheren) maar leidt ook tot belangenconflicten.10 In de optiek van Morley is deze relatie tussen de beheerder en de beleggingsinstelling hét kenmerkende aspect van een beleggingsinstelling.11 Deze scheiding tussen beheerder en beleggingsinstelling vindt men bij geen enkele andere uitgevende instelling terug. Ze wordt in paragraaf 3.3.1 nader beschreven.12 Deze benadering gaat voor Europese beleggingsinstellingen overigens niet altijd op, omdat zowel icbe’s als abi’s ervoor kunnen kiezen om geen aparte beheerder aan te stellen.13
Met de inwerkingtreding van de AIFM-Richtlijn heeft de wetgever een ruime definitie van een alternatieve beleggingsinstelling gegeven.14 Diverse elementen uit deze definitie zijn door ESMA uitgewerkt in haar ‘Richtsnoeren met betrekking tot centrale begrippen van de AIFMD’.15 De in de literatuur geschetste elementen van een beleggingsinstelling komen terug in de definitie van de alternatieve beleggingsinstelling. Zo dient er sprake te zijn van een reeks beleggers (met andere woorden collectief beleggen), kennen de deelnemers als groep geen dagelijkse leiding over de abi (de opzet is dus van belang) en dient er sprake te zijn van beleggen.16 Deze definitie gaf overigens aanleiding tot enige discussie over de precieze reikwijdte van wat als alternatieve beleggingsinstelling gezien moet worden.17
Wegman vat het geheel samen door te stellen dat een beleggingsinstelling een mandje van beleggingen is waarin meerdere participanten kunnen deelnemen en dat beheerd wordt door een professionele partij.18
Een icbe is een bijzonder type beleggingsinstelling en is nader gedefinieerd in de Icbe-Richtlijn. Alleen beleggingsinstellingen die aan bepaalde vereisten voldoen, kwalificeren als icbe. Zo mag een icbe alleen in bepaalde activa beleggen, dient zij aan bepaalde spreidingsregels te voldoen en een open-end karakter te hebben.19 Dat wil zeggen dat de icbe de deelnemingsrechten op verzoek dient in te kopen van de deelnemers.20 De vereisten waar een icbe aan dient te voldoen, zijn uitgewerkt in paragraaf 4.2. Uit die paragraaf zal blijken dat de definitie van een icbe nauwelijks discussie oplevert. In de rest van dit hoofdstuk beperk ik me uitsluitend tot het beschrijven van de kenmerken van icbe’s en niet die van andere beleggingsinstellingen, al zouden die uiteraard kunnen overlappen.