Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.3
I.3.2.3 Grepen uit de ontwikkeling van ‘der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit’
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624603:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid Immel 1965, Kapitel 2: ‘Der Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit der letztwilligen Verfügung in der Lehre der Glossatoren, Kommentatoren und Kanonisten’; Kapitel 3: ‘Die Lehre von der materiellen Höchstpersönlichkeit der letztwilligen Verfügung seit der Rezeption des römischen Rechts in Deutschland’; Kapitel 4: ‘Das Prinzip der materiellen Höchstpersönlichkeit der letztwilligen Verfügung in der Rechtsliteratur des 19. Jahrhunderts.’ Immel geeft een uitgebreide historische schets van de ontwikkeling van het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke in Duitsland gedurende de perioden van de herontdekking van het corpus iuris civilis tot aan de ontwerpen van het BGB. Zie voorts Zimmermann 1991, p. 16 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 17 e.v.
Uit de studies van Immel, Zimmermann en Halding-Hoppenheit wordt duidelijk dat de materielle Höchstpersönlichkeit van § 2065 BGB geen vanzelfsprekendheid is, maar het resultaat van interpretaties op interpretaties van het Romeinse recht door de eeuwen heen. Aan § 2065 BGB gaat met andere woorden een lang en wispelturig wordingsproces vooraf, waarvan ik een globale indruk zal geven in de hierna volgende sub-paragrafen.1
I.3.2.3.1 Middeleeuwse 13e en 14e eeuwI.3.2.3.2 Receptie van het Romeinse recht in Duitsland omstreeks de 16e eeuwI.3.2.3.3 Het Duitse rechtsgevoel in de 19e eeuw