Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/9.2.3:9.2.3 Conclusie na beantwoording eerste onderzoeksvraag
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/9.2.3
9.2.3 Conclusie na beantwoording eerste onderzoeksvraag
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS363019:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de paragrafen 9.2.1 en 9.2.2 is het eerste deel van de onderzoeksvraag beantwoord en is duidelijk in hoeverre het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht voldoet aan de uitgangspunten en criteria die het kenbaarmakingsbeginsel stelt. Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen geconstateerd. De volgende belangrijke overeenkomsten zijn geconstateerd:
De bezwaarfase voldoet aan de eisen van het kenbaarmakingsbeginsel. De procedure waarbij bezwaar kan worden gemaakt tegen de eigen voldoening of afdracht op aangifte – in Nederland de bezwaarfase genoemd waarbij de belanghebbende de gelegenheid moet krijgen een standpunt naar behoren en effectief kenbaar te maken over de elementen waarop een bestuursorgaan een besluit wil baseren – voldoet aan de eisen van het kenbaarmakingsbeginsel. Ten aanzien van die procedures zal zich niet snel een schending van het kenbaarmakingsbeginsel voordoen.
De zware procedure voor vergrijpboeten voldoet eveneens aan de eisen van het kenbaarmakingsbeginsel. Bij vergrijpboeten zal daarom – als de zware procedure wordt gevolgd – geen schending van het kenbaarmakingsbeginsel optreden.
De individuele beperkingen van het hoorrecht in de Awb en artikel 10 IW 1990 leiden, indien aan de voorwaarden van die beperkingen wordt voldaan, indien het tot een weging komt tot gerechtvaardigde beperkingen van het kenbaarmakingsbeginsel.
Er zijn ook belangrijke verschillen geconstateerd. Een aantal geconstateerde verschillen kan leiden tot een schending van het kenbaarmakingsbeginsel. Dat zijn de volgende verschillen:
Het hoorrecht in de voorfase in het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht heeft een beperktere objectieve reikwijdte dan het kenbaarmakingsbeginsel.
Het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht kent geen recht op (inzage in) de stukken voor de voorfase (uitgezonderd de zware procedure voor vergrijpboeten).
De categorale beperking van het hoorrecht in de voorfase in het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht voor financiële besluiten (artikel 4:12 van de Awb) is in strijd met het Unierecht.
Doordat het toetsmoment in het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht of een beperking van het recht op (inzage in) de stukken gerechtvaardigd is, gelegen is in de beroepsfase kan dat ertoe leiden dat bij een niet gerechtvaardigde beperking het kenbaarmakingsbeginsel wordt geschonden welke schending niet altijd kan worden hersteld.
Daarnaast is er nog een verschil geconstateerd ten aanzien van de gevolgen die worden verbonden aan een schending:
In het Nederlandse fiscale bestuursrecht wordt bij schending van het kenbaarmakingsbeginsel het bezwarende besluit geheel vernietigd terwijl in een aantal gevallen partiële vernietiging ook tot de mogelijkheden behoort.
De verschillen, die kunnen leiden tot een schending van het kenbaarmakingsbeginsel, worden onderworpen aan het tweede deel van de onderzoeksvraag: op welke wijze kan het nationale (fiscale) bestuursrecht ingericht worden, zodat het voldoet aan de uitgangspunten en criteria die het kenbaarmakingsbeginsel stelt.