Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.4.3
4.4.3 Voorwaarden toelating beleggingsmaatschappij
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193750:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 27 derde alinea en 28 Icbe-Richtlijn.
Art. 27 tweede alinea Icbe-Richtlijn.
Art. 29 lid 1 Icbe-Richtlijn.
Art. 29 lid 1 aanhef Icbe-Richtlijn.
Art. 27 lid 1 OPC-Law 2010.
Art. 42 lid 4 sub a onder I EC Regulations 2011, art. 3:53 lid 1 Wft, art. 48 lid 1 sub e Bpr en art. 4:58 Wft (de eis is tweemaal opgenomen in de Wft).
Art. 29 lid 1 sub a Icbe-Richtlijn. Dit is ook een verplichting voor beheerders. Ik heb deze verplichting verder uitgewerkt in paragraaf 5.2.3.
Art. 29 lid 1 sub b Icbe-Richtlijn.
Dit is ook een verplichting voor beheerders. Deze verplichting is in paragraaf 5.2.2 en paragraaf 5.4.2 nader toegelicht.
Art. 29 lid 1 sub b Icbe-Richtlijn.
Nauwe banden zijn gedefinieerd in art. 2 lid 1 sub i Icbe-Richtlijn. Het gaat hierbij om het hebben van ten minste 20% van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming of om een zeggenschapsband die gelijk is aan die van een moederonderneming ten opzichte van een dochteronderneming. Dit is ook een verplichting voor beheerders. Deze verplichting is in paragraaf 5.2.6 nader toegelicht.
Dat is paragraaf 5.2.
Grundmann-van de Krol (2016), p. 313.
Hoofdstuk 3 van de icbe-Richtlijn bevat de verplichtingen voor beheerders en hoofdstuk 5 die voor beleggingsmaatschappijen.
Morley en Curtis (2012), p. 93.
Morley en Curtis (2012), p. 94.
IOSCO, Examination of governance for collective investment schemes, februari 2007.
Hazenberg (2012).
Voor een beleggingsmaatschappij verschillen de voorwaarden tussen maatschappijen die een aparte beheerder hebben en die dit niet hebben.
Een beleggingsmaatschappij met aparte beheerder mag worden toegelaten indien de aanvraag van de beheerder, de statuten en de keuze van de bewaarder zijn aanvaard door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst.1 Zie voor een toelichting op deze onderwerpen de vorige paragraaf. Daarnaast moet het hoofdkantoor van een beleggingsmaatschappij gevestigd zijn in de lidstaat van herkomst van de beleggingsmaatschappij en mag een beleggingsmaatschappij geen andere werkzaamheden verrichten dan de werkzaamheden van een icbe.2 De lidstaten bepalen welke rechtsvorm een beleggingsmaatschappij mag aannemen.3
Een beleggingsmaatschappij zonder aparte beheerder dient aan additionele vereisten te voldoen. De aanvullende vereisten voor beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder zijn in hoofdstuk 5 van de Richtlijn opgesomd. De additionele vereisten zijn:4
Een dergelijke beleggingsmaatschappij moet over een aanvangskapitaal beschikken van ten minste EUR 300.000.5 In Luxemburg moet dit bedrag binnen 6 maanden na autorisatie opgehoogd zijn tot EUR 1,25 miljoen. Bovendien mag de CSSF beide bedragen verhogen met 100%.6 In Nederland en Ierland zijn de vereisten uit de Richtlijn gevolgd.7
De vergunningaanvraag moet vergezeld gaan van een programma van werkzaamheden van de beleggingsmaatschappij.8 Hierin moet ten minste de organisatiestructuur zijn opgenomen.
De bestuurders van de beleggingsmaatschappij moeten bekend staan als voldoende betrouwbaar en over voldoende ervaring beschikken gezien het type werkzaamheden dat door de beleggingsmaatschappij wordt verricht.9 In de verschillende lidstaten is dit begrip verschillend uitgewerkt.10
Ten minste twee personen die aan deze voorwaarden voldoen, bepalen het dagelijks beleid.11
De bevoegde autoriteiten verlenen geen vergunning indien ze belemmerd worden in de uitoefening van hun toezichthoudende taken door nauwe banden tussen de beleggingsmaatschappij en andere natuurlijke of rechtspersonen.12 Ze dienen de vergunning eveneens te weigeren indien ze belemmerd kunnen worden in het houden van toezicht door wettelijke bepalingen van derde landen die van toepassing zijn op natuurlijke of rechtspersonen waarmee de beleggingsmaatschappij nauwe banden heeft. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien de wetgeving van het derde land verhindert dat bepaalde informatie kan worden gedeeld.
Veel van deze verplichtingen gelden ook voor beheerders. Ik heb deze verplichtingen verder uitgewerkt in de betreffende paragraaf voor beheerders.13 In de literatuur is wel eens gesuggereerd dat beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder ook aan dezelfde eisen dienen te voldoen als beheerder.14 Dat lijkt mij onjuist. In de Icbe-Richtlijn zijn twee specifieke vergunningregimes opgesteld, één voor beleggingsmaatschappijen en één voor beheerders.15 De toepassing van de vergunningvereisten voor beheerders op icbe’s strookt niet met dat regime. Een groot deel van de verplichtingen is opgenomen voor zowel beheerders als beleggingsmaatschappijen. Dat was niet nodig geweest als de vereisten voor beheerders automatisch van toepassing waren geweest op beleggingsmaatschappijen. De definitie van beheerder biedt deze interpretatieruimte bovendien niet.16 Materieel zou deze toepassing ook tot vreemde situaties leiden.17
De bevoegde toezichthouder heeft 6 maanden de tijd om over de vergunningaanvraag van een beleggingsmaatschappij zonder aparte beheerder te beslissen en 2 maanden de tijd om over de vergunningaanvraag van een beleggingsmaatschappij met aparte beheerder te beslissen.18 In Nederland is de maximumtermijn 8 weken.19 Direct na de vergunningverlening mag gestart worden met de werkzaamheden.
Voor beleggingsmaatschappijen moeten wijzigingen in de statuten of reglementen, evenals de vervanging van de beheerder of bewaarder, goedgekeurd worden door de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de icbe.20 Vervanging van bestuurders van beleggingsmaatschappijen zonder aparte beheerder moet direct gerapporteerd worden aan de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van de icbe.21
De vergunningvereisten voor icbe’s die volgen uit de Icbe-Richtlijn zijn beperkt. Dit geldt zowel voor beleggingsmaatschappijen als voor beleggingsfondsen. Het opstellen van de vereisten ten aanzien van een deugdelijke opzet van een beleggingsinstelling is volledig overgelaten aan de lidstaten. Ook zijn er geen bepalingen gewijd aan de governance van een icbe. Icbe-beleggingsfondsen hoeven geen bestuur aan te stellen en aan het bestuur van een icbe-beleggingsmaatschappij zijn alleen voorwaarden gesteld voor zover de beleggingsmaatschappij geen beheerder heeft aangesteld.22 Zelfs als de beleggingsmaatschappij wel een beheerder heeft aangesteld, zijn de voorwaarden beperkt. Zo hoeft het bestuur van de icbe niet onafhankelijk te zijn van gelieerde partijen.
In de Verenigde Staten dient een mutual fund wel een bestuur aan te stellen en zijn er diverse vereisten gesteld aan de samenstelling van het bestuur van het mutual fund.23 Deze vereisten hebben met name betrekking op de onafhankelijkheid van een aantal van de bestuursleden. De onafhankelijke bestuursleden hebben bovendien enkele omschreven taken zoals het beoordelen van overeenkomsten met gelieerde partijen.24
IOSCO heeft in 2007 principes uitgebracht over de governance van beleggingsinstellingen.25 Daarin onderstreept IOSCO het belang van een onafhankelijk toezichtscomité. Dit kan echter op veel manieren worden ingericht: door onafhankelijke bestuursleden aan te stellen, door een specifiek toezichtsorgaan aan te stellen of door een andere partij te belasten met het houden van toezicht zoals een bewaarder. In de Icbe-Richtlijn is opgenomen dat een bewaarder aangesteld moet worden en dat deze bewaarder enkele controletaken moet uitvoeren.26 Men zou dus kunnen betogen dat de governance voor icbe’s op een afwijkende manier is ingericht.
In de literatuur is onderzocht of icbe’s die bestuursleden hebben aangesteld die onafhankelijk zijn van de beheerder, beter presteren dan icbe’s die dit niet hebben gedaan.27 Dit blijkt niet het geval te zijn.