Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8.2
4.8.2 Intermezzo: de levering in het kader van een eigendomsvoorbehoud onder het Oud BW
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401982:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Scheltema 2003, p. 227-259 en Stolz 2015, p. 968.
Scheltema 2003, p. 179 e.v. en p. 228-232.
Wiarda 1937, Houwing 1940 en Wiarda 1940.
HR 5 mei 1950, NJ 1951, 1 m.nt. D.J. Veegens.
Vriesendorp 1985a, p. 27.
Zo bijv. Eggens 1931, p. 395, voetnoot 8 (minder stellig in diens conclusie voor HR 27 juni 1952, NJ 1953, 60), Wiarda 1937, p. 118, Wiarda 1940, i.h.b. p. 53, Pitlo 1940, p. 409-413, Pitlo 1951, p. 204, Veenhoven 1955, p. 53, Schultsz 1955, p. 100 en Van Mierlo 1988, p. 102. Daartegen: G.E. Langemeijer, ‘Contractueele Eigendomsoverdracht?’, NJB 1935, p. 494, Scheltema 1938, p. 402, Houwing 1940, J.C. van Oven, ‘Overdracht van toekomstige rechten’, WPNR 1940 (3694), p. 448 en Drion in zijn noot onder HR 22 mei 1953, NJ 1954, 189 (Sio). Het ontbreken van goederenrechtelijke wilsbinding lijkt inderdaad te worden bevestigd in dat arrest, terwijl de Hoge Raad veel later – anticiperend op het Nieuw BW – een dergelijke binding in ieder geval heeft aanvaard. Zie HR 24 maart 1995, NJ 1996, 158 m.nt. W.M. Kleijn (Hollander’s Kuikenbroederij), rov. 3.3.3. Zie uitgebreid Van Swaaij 2000, p. 9 e.v. en voor een overzicht Van Mierlo 1988, p. 99 e.v.
Scheltema 2003, p. 248-250 en p. 279, voetnoot 69. Dat zou slechts anders zijn indien men aanvaarddedat de vervulling van de voorwaarde terugwerkende kracht had. Zo bijv. P. Scholten in diens noot onder HR 10 juni 1938, NJ 1939, 411 en Schoordijk 1959, p. 16-17 en p. 63. Veelal werd daarentegen niet teruggegrepen op de terugwerkende kracht als verklaringsmodel. Zie bijv. Eggens 1931, p. 395, voetnoot 8, Wiarda 1937, p. 126-127, Van Dijk 1940, p. 45 en Veenhoven 1955, p. 23-24.
Van Dijk 1940, p. 42.
Zie bijv. Wiarda 1937, p. 127 en p. 122 die aannam dat de voorwaardelijke overdracht van onvoorwaardelijke eigendom niet van de onvoorwaardelijke overdracht van voorwaardelijke eigendom verschilt. Beide constructies leiden er volgens Wiarda toe dat de vervreemder en verkrijger terstond beiden voorwaardelijk eigenaar zijn. Vgl. ook Asser/Beekhuis 1957, p. 155.
Vgl. Scheltema 2003, p. 237-238.
Zevenbergen 1938, p. 94. Vgl. ook p. 64: ‘De overgave der zaak door den verkooper aan den kooper heeft dus niet slechts de beteekenis van feitelijke in-bezit-stelling, van verschaffing van het houderschap, maar is bovendien juridische levering.’
Wiarda 1937, p. 126-127. Een eerdere passage ten aanzien van de overdracht onder opschortende tijds-bepaling lijkt op twee gedachten te hinken en laat ruimte voor twijfel over de opvatting van Wiarda:‘Bij lichamelijke roerende zaken geschiedt de eigendomsoverdracht door de bezitsoverdracht, en deze door de feitelijke overgave, tenzij de verkrijger de zaak reeds onder zich hield (B.W. 667). Op 1 Januari moet dus de bezitsoverdracht plaats vinden, terwijl de eigendom dan 1 Maart zonder meer overgaat. Heeft de feitelijke overgave op 1 Januari plaats, dan wordt de verkrijger, nu de zakelijke overeenkomst dien dag nog niet werkt, daardoor òf houder, òf bezitter; op 1 Maart wordt hij zonder meer brevi traditione eigenaar.’ Merkwaardig is dat Wiarda hier eerst bezitsoverdracht eist, vervolgens genoegen lijkt te nemen met feitelijke overgave, terwijl hij later alsnog een levering vereist en bovendien in het midden laat of de verkrijger bezitter dan wel houder is hangende de voorwaarde. Zie ook de vraagtekens die bij deze passage worden geplaatst door Houwing 1940, p. 23, voetnoot 46 en Scheltema 2003, p. 247.
Zo ook Asser/Beekhuis 1957, p. 155-156.
Mezas 1985, p. 5.
Opzoomer 1876, p. 302-303, Diephuis 1886, p. 93-96 (zie evenwel ook G. Diephuis, Het Nederlandsch burgerlijk regt. Elfde deel, Groningen: Wolters 1888, p. 210-213) en N.K.F. Land, Verklaring van het Burgerlijk Wetboek. Tweede deel, Haarlem: De Erven F. Bohn 1901, p. 168-172.
Zie bijv. D. Hazewinkel-Suringa, ‘De rechtstitel bij de eigendomsoverdracht’, in: N. de Beneditty e.a., Rechtsgeleerde opstellen van de hand van oud-leerlingen, aangeboden aan Prof. Mr. Paul Scholten ter gelegenheid van zijn 25-jarig hoogleeraarschap, Haarlem: De Erven F. Bohn 1933, p. 183, Hofmann 1933, p. 58 en p. 166-167, Houwing 1940, p. 5, Asser/Scholten 1945, p. 61, Pitlo 1951, p. 183 en Asser/Beekhuis 1957, p. 104. Zie ook HR 12 februari 1885, W. 5146 waarin de Hoge Raad oordeelde ‘dat wel in art. 667, al. 1, wordt gezegd, dat levering van roerende zaken geschiedt door enkele overgave (...), maar dat daaruit niet volgt dat er voor zoodanige levering altijd eene overgifte van hand tot hand zou worden vereischt; dat integendeel uit al. 2, (...) blijkt dat er ook eigendomsovergang kan plaats hebben zonder feitelijke overgifte; dat daartoe voldoende is iedere handeling waardoor de zaak wordt gesteld onder de macht en in het bezit van den verkrijger.’ Kritisch over deze ontwikkeling: Meijers 1908, p. 154, in navolging van P. van Bemmelen, ‘Regtsoverdragt en bezitsovergave’, Themis 1887, p. 82 e.v.
Struycken 1906, p. 160, L.D. Frank, De overeenkomst van huurkoop (diss.Leiden), Leiden: Van Doesburgh 1929, p. 41, Schürrmann 1936, p. 128-129, Pitlo 1940, p. 411, Schultsz 1955, p. 161, Asser/Beekhuis 1957, p. 156, Stein 1970, p. 43 en Pitlo/Brahn 1987, p. 206. Overigens lijkt een aantal auteurs ervan uit te gaan dat bij een traditio brevi manu in het geheel geen levering is vereist, zoals art. 667 lid 2 BW (oud) op het eerste gezicht ook lijkt te bepalen. Ten onrechte, omdat lid 2 slechts tot uitdrukking wil brengen dat geen overgave (d É livrance) is vereist, maar wel levering (tradition). Vgl. Opzoomer 1876, p. 303, voetnoot 2, Diephuis 1886, p. 95, voetnoot 3 (die desondanks lijkt aan te nemen dat er geen levering is vereist), Eggens 1930, p. 410, Wiarda 1937, p. 102-104, Houwing 1940, p. 8 en de verzuchtingen van Zevenbergen 1938, p. 91-94 over de miskenning van dit onderscheid. Vgl. ook Van Swaaij 2000, p. 14-15.
Vgl. J.C. van Oven, ‘Boekbespreking: Mr. Chr. Zevenbergen, Het afbetalingscontract’, NJB 1930, p. 142.
Zo bijv. Fischer & Frank 1936, p. 44.
Scheltema 2003, p. 248-250 en p. 279, voetnoot 69.
Vgl. Reehuis 2013, nr. 21.
C.J. de Lange, ‘Chr. Zevenbergen, Het afbetalingscontract (Boekbeschouwing)’, RMThemis 1939, p. 90-91, Houwing 1940, p. 36-37 en Asser/Kamphuisen 1960, p. 168-170. In die richting ook Snijders 2011, p. 35.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 8.
L.D. Frank, ‘Boekbespreking: V.J.A. van Dijk, Geschiedenis, aard en werking van het eigendomsvoorbehoud’, RMThemis 1941, p. 75.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 11-12.
M.v.T., Kamerstukken II 1933/34, 431, 3, p. 12. Iets anders is dat een dergelijke bepaling overbodig zou zijn voor wat betreft de toepasselijkheid van art. 2014 BW (oud), indien de levering nog diende plaats te vinden op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, zoals Houwing 1940, p. 37, voetnoot 48 terecht opmerkt. Dat lijkt erop te duiden dat de wetgever mogelijk ook uitging van de gedachte dat de feitelijke overgave als levering voldoende was.
Schoordijk 1959, p. 16-17, Schoordijk 1971, p. 459, voetnoot 14 en Schoordijk 1986, p. 362.
Zie ook Scheltema 2003, p. 239 en p. 278.
Vgl. Letzgus 1938, p. 22.
De introductie van een afzonderljke leveringsbepaling in het huidige BW voor de overdracht onder opschortende voorwaarde geeft aanleiding tot de vraag op welke wijze de levering zich onder het oude recht voltrok in het kader van een eigendomsvoorbehoud. Het Oud BW bevatte namelijk geen aparte leveringsbepaling die was toegesneden op de overdracht onder opschortende voorwaarde, terwijl de verkoper ook onder het oude recht gedurende de periode van onzekerheid algemeen als bezitter werd aangemerkt.
Veelal kwam de vraag waarop de levering zich voltrok bij een eigendomsvoorbehoud slechts zijdelings aan de orde, namelijk in het kader van de constructie van het eigendomsvoorbehoud als overdracht onder opschortende voorwaarde in het algemeen. Daarvoor geldt echter dat de constructie van de overdracht onder opschortende voorwaarde, in het bijzonder waar het aankomt op de goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde, gedurende de gelding van het Oud BW buitengewoon onduidelijk is gebleven.1 Dat had een aantal redenen. In de eerste plaats speelde een rol dat lange tijd onbeslist was of het Nederlandse recht een causaal dan wel abstract stelsel van overdracht kende. Als gevolg daarvan was bijvoorbeeld onduidelijk in hoeverre een aan de titel tot overdracht verbonden voorwaarde ook goederenrechtelijke werking kon hebben.2 In een abstract stelsel van eigendomsoverdracht werkt de voorwaardelijkheid van de titel namelijk niet door in de overdracht, omdat de rechtsgeldigheid en de rechtsgevolgen van de overdracht niet worden beïnvloed door de rechtsgeldigheid van de titel tot overdracht en een eventueel daaraan verbonden voorwaarde. Bovendien werd de discussie over de constructie van het eigendomsvoorbehoud met name gevoerd in de periode, waarin nog geen duidelijkheid bestond over de vraag of het Nederlandse recht een abstract of causaal stelsel van eigendomsoverdracht kende.
Zo werd de discussie rond de constructie van het eigendomsvoorbehoud met name gevoerd rond de introductie van de huurkoopregeling in 1936. Rond dezelfde tijd verscheen bovendien niet alleen het invloedrijke proefschrift van Wiarda, maar ook de preadviezen van Houwing en Wiarda over de overdracht van toekomstige rechten, waarin ook veel aandacht werd besteed aan de constructie van de overdracht onder voorwaarde.3 Het lijkt erop dat hierdoor ook nadat de Hoge Raad in het arrest Damhof/Staat eenmaal had vastgesteld dat het Nederlandse recht uitging van een causaal stelsel van eigendomsoverdracht,4 in de literatuur dikwijls nog werd vastgehouden aan de reeds voor die tijd gegeven verklaringen voor de constructie van de overdracht onder voorwaarde, die – vanwege de onduidelijkheid over het stelsel van overdracht – veelal niet aanknoopten bij de titel van overdracht. Het verklaart waarom Vriesendorp zich in 1985 met enige verbazing kan afvragen waarom in het Nederlandse recht de ‘toch zeer voor de hand liggende’ constructie van het eigendomsvoorbehoud door middel van een voorwaardelijke titel nauwelijks wordt genoemd.5
Veelvoorkomend was de constructie waarin het eigendomsvoorbehoud werd geconstrueerd aan de hand van een zakelijke overeenkomst, waaraan een opschortende voorwaarde was verbonden. De goederenrechtelijke werking van de vervulling van de voorwaarde werd vervolgens verklaard aan de hand van de omstreden figuur van de goederenrechtelijke wilsbinding.6 De redenering was dat de verkoper zich door het sluiten van de voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst onherroepelijk zou hebben gebonden, zodat de eigendom door vervulling van de voorwaarde automatisch op de koper overging. Onvolledig aan deze zienswijze was echter dat de goederenrechtelijke wilsbinding als zodanig geen volledige verklaring kon bieden voor de goederenrechtelijke werking van de voorwaarde. Zij kon hoogstens verklaren waarom de vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking had tussen partijen, maar kon niet verklaren waarom deze goederenrechtelijke wilsbinding ook jegens derden werkte, in die zin dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid in zijn beschikkingsbevoegdheid was beperkt.7
Niet zelden ging men om die reden dan ook nog een stap verder. Aangezien de goederenrechtelijke wilsbinding geen verklaring kon bieden voor de goederenrechtelijke werking ten opzichte van derden, werd door sommigen aangenomen dat de totstandkoming van de voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst direct resulteerde in de verkrijging van een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Zo merkt Van Dijk op dat de koper wel meer dan houder moet zijn – namelijk: eigenaar onder opschortende voorwaarde – om te kunnen verklaren dat vervulling van de voorwaarde goederenrechtelijke werking heeft.8 In een dergelijke benadering heeft de totstandkoming van de overdracht onder opschortende voorwaarde terstond tot gevolg dat de koper eigenaar onder opschortende voorwaarde wordt.9
Zowel aan de benadering van een voorwaardelijke goederenrechtelijke overeenkomst en aan de benadering waarin de koper ter uitvoering daarvan reeds een voorwaardelijk eigendomsrecht verkrijgt, ligt impliciet ten grondslag dat de leveringshandeling reeds heeft plaatsgevonden. Er kan immers slechts direct een overdracht tot stand komen (uit hoofde waarvan de koper meteen een voorwaardelijk eigendomsrecht verkrijgt), indien terstond aan alle vereisten voor overdracht – waaronder het verrichten van de leveringshandeling – is voldaan. Wanneer men aanneemt dat de verkoper gedurende de periode van onzekerheid bezitter blijft, maar tegelijkertijd aanneemt dat de leveringshandeling reeds heeft plaatsgevonden, aanvaardt men per saldo dat de levering in het kader van een overdracht onder opschortende voorwaarde kan geschieden door machtsverschaffing.10 Een dergelijke benadering komt dan ook tot uitdrukking bij Zevenbergen:
‘Bij den huurkoop heeft de juridische levering (eigendomsoverdracht) niet plaats na de feitelijke levering, maar zij valt daarmee samen. Alleen de eigendomsovergang geschiedt later; hij wordt immers door het eigendomsvoorbehoud opgeschort, totdat de voorwaarde is vervuld.’11
Een vergelijkbare constructie werd verdedigd door Wiarda. Volgens hem heeft de totstandkoming van de overdracht onder opschortende voorwaarde tot gevolg dat de verkrijger terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt. Aangezien de verkrijger enkel eigenaar onder opschortende voorwaarde kan worden uit hoofde van een eerdere levering, moet de levering wel reeds hebben plaatsgevonden. Wiarda lijkt in dat kader inderdaad genoegen te nemen met een feitelijke overgave:
‘En had op 1 Januari bij lichamelijke roerende zaken de feitelijke overgave plaats gehad, dan is ook deze onder zakelijke overeenkomst geschied, zoodat ook hier van eigendomsovergang sprake kan zijn.’12
De goederenrechtelijke werking is in deze constructie gewaarborgd, omdat de koper uit hoofde van de levering terstond een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt.13
Ook door Mezas werd voor het oude recht aangenomen dat de feitelijke overgave van de zaak voldoende was als levering in het kader van het eigendomsvoorbehoud, zodat per saldo kon worden volstaan met machtsverschaffing.14 Deze visie werd ondersteund door artikel 667 BW (oud), dat bepaalde dat de levering van roerende zaken diende te geschieden door ‘enkele overgave’. In overeenstemming met de letterlijke betekenis van die woorden, werd de leveringshandeling van artikel 667 BW (oud) oorspronkelijk vooral feitelijk opgevat, in die zin dat onder overgave niet zozeer de verschaffing van bezit werd verstaan, maar simpelweg de verschaffing van de macht over de zaak.15 In een dergelijke interpretatie veroorzaakt het leveringsvereiste voor roerende zaken in het geheel geen problemen bij de overdracht onder opschortende voorwaarde, omdat gewoon voldaan kan worden aan artikel 667 BW (oud). Zo beschouwd moet artikel 3:91 BW vooral worden gezien als een reactie op het feit dat de leveringseis van artikel 3:90 lid 1 BW afwijkt van artikel 667 BW (oud). In het oude recht was er dan geen noodzaak voor een afzonderlijk leveringsvoorschrift.
In de loop der tijd is artikel 667 BW (oud) echter steeds meer – met name teneinde leveringswijzen mogelijk te maken die niet gepaard gaan met feitelijke overgave – geïnterpreteerd als de verschaffing van het over de zaak.16 In een dergelijke benadering ontstaan wel moeilijkheden bij de overdracht onder opschortende voorwaarde, omdat de verkrijger vooralsnog geen bezitter wordt. Het lijkt er dan ook op dat deze herinterpretatie van artikel 667 BW (oud) heeft geleid tot een andere benadering van de constructie van het eigendomsvoorbehoud, waarbij ervan uit werd gegaan dat pas aan het leveringsvereiste werd voldaan op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat. Zo werd door een deel van de literatuur betoogd dat bij het eigendomsvoorbehoud sprake is van een geanticipeerde traditio brevi manu c.q. een traditio brevi manu onder opschortende voorwaarde.17 Deze constructie maakt de positie van de koper meer onzeker,18 omdat de levering strikt genomen op het moment van de vervulling van de voorwaarde plaatsvond.19 Weliswaar konden de verkoper en de koper reeds bij voorbaat de verklaringen afleggen die benodigd zijn om te leveren op het moment dat de voorwaarde in vervulling gaat, maar onzeker was of de eigendom daardoor ook zonder meer overging. Daarvoor diende men niet alleen de figuur van de (faillissementsbestendige) goederenrechtelijke wilsbinding te aanvaarden, maar zou men eveneens moeten aannemen dat deze wilsbinding reeds vóór de levering zijn weerslag heeft op de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper,20 hetgeen zich niet goed laat verklaren als de levering is uitgesteld tot het moment van vervulling van de voorwaarde.21 Zoals hiervoor aan de orde kwam, heeft de wetgever van het huidige BW met artikel 3:91 BW om deze redenen willen voorkomen dat de levering pas zou kunnen plaatsvinden op het moment van vervulling van de voorwaarde.
Vermelding verdient nog dat vanwege bovengenoemde moeilijkheden de leveringseis door een deel van de literatuur in ieder geval bij huurkoop in het geheel werd losgelaten. Dat standpunt werd onderbouwd aan de hand van artikel 1576p BW (oud), dat was toegesneden op de eigendomsovergang bij huurkoop:
‘De eigendom van eene in huurkoop overgedragen zaak gaat, gelijk anders door levering, aan den kooper over door betaling van het geheele, ter zake van den huurkoop verschuldigde, bedrag of door eerdere vervulling van andere voorwaarden, dienaangaande overeengekomen.’
Een aantal auteurs leidde uit de woorden ‘gelijk anders door levering’ af dat de wetgever met deze bepaling een geheel nieuwe wijze van eigendomsverkrijging had gecreëerd, omdat voor de eigendomsovergang bij huurkoop geen levering zou zijn vereist.22 Tegen deze opvatting pleit echter dat daarvoor geen enkele steun is te vinden in de parlementaire geschiedenis van de huurkoopregeling. Niets wijst erop dat de wetgever een nieuwe wijze van eigendomsovergang in het leven heeft willen roepen. De invoering van een huurkoopregeling strekte er met name toe de figuur van huurkoop in te passen in het bestaande stelsel van de koopovereenkomst, waarmee de wetgever met name aan de belangen van de huurkoper tegemoet wilde komen. Aan de inpassing van de eigendomsovergang bij huurkoop in het stelsel van het goederenrecht is door de wetgever nauwelijks aandacht besteed.23 Integendeel, de wetgever wenste de verbintenisrechtelijke aspecten van huurkoop te regelen en vermeed juist elk ingrijpen op het gebied van het goederenrecht.24
Met artikel 1576p BW (oud) beoogde de wetgever vast te leggen dat de eigendom in ieder geval overgaat door volledige betaling en dat de eigendomsovergang niet afhankelijk kon worden gemaakt van de betaling van andere schulden, tenzij dit later bij het aangaan van de nieuwe schuld alsnog werd overeengekomen.25 Met de zinsnede ‘gelijk anders door levering’ wilde de wetgever duidelijk maken dat de eigendom slechts dan door betaling zou overgaan, indien dit rechtsgevolg bij een gewone koopovereenkomst (daadwerkelijk) met de levering zou intreden. Met andere woorden: hij wilde voorkomen dat de eigendom op de huurkoper zou overgaan in gevallen waarin een levering in het kader van een gewone koopovereenkomst dit effect niet zou hebben. Daarbij dacht de wetgever vooral aan de bescherming van artikel 2014 BW (oud) tegen beschikkingsonbevoegdheid. Indien het ontbreken van goede trouw bij een gewone koop de eigendomsverkrijging zou verhinderen, diende hetzelfde te gelden voor huurkoop.26 Aan artikel 1576p BW (oud) kan dan ook geen verderstrekkende betekenis worden toegekend.
Tot slot werd nog een andere constructie verdedigd door Schoordijk. Door hem werd aangenomen dat de terugwerkende kracht van de vervulling van de voorwaarde tot gevolg heeft dat de feitelijke overgave achteraf bezien moet worden geduid als een levering en dat de koper derhalve ‘na de laatste betaling geacht mag worden vanaf de afgifte door de [ver]koper steeds bezitter en nimmer houder voor de verkoper geweest te zijn.’27 De bezitsverschaffing geschiedt hier in wezen met terugwerkende kracht, hetgeen zich niet goed verdraagt met het feitelijke karakter van het bezit.28 Weliswaar is de constructie niet geheel ondenkbaar, wanneer men aanneemt dat het houderschap van de koper berust op zijn rechtsverhouding met de verkoper en deze rechtsverhouding vervolgens met terugwerkende kracht wegvalt,29 maar zij staat desalniettemin op gespannen voet met het feit dat de koper de zaak gedurende de periode van onzekerheid feitelijk wel als houder onder zich heeft gehad. Deze feiten laten zich niet goed door middel van een fictie herinterpreteren. Per saldo wordt ook in deze benadering genoegen genomen met machtsverschaffing, zij het dat deze machtsverschaffing achteraf bezien beschouwd wordt als een bezitsverschaffing.