Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.8.3
3.8.3 Het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS302579:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de wijze waarop de belangen van de bij de vennootschap betrokken belanghebbenden terugkomt binnen het vennootschappelijk belang: hoofdstuk 3, paragraaf 3.13.6.
SER-advies Het functioneren en de toekomst van de structuurregeling 2001/02, p. 50; SER-advies Evenwichtig Ondernemingsbestuur 2008, p. 23.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 4-5.
Zij hanteren niet het begrip ‘interne belangen’, maar wel het begrip ‘externe belangen’ waardoor interne belangen mijns inziens het juiste begrip zou moeten zijn voor de andere/overige belangen.
Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 5. In de zestiende druk (2013) is dit niet overgenomen.
Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 5.
Eijsbouts 2010, p. 59.
Pitts 2009; Carrol 1996, nr. 74.
De vertalingen zijn overgenomen uit: Eijsbouts 2010, p. 59.
Hamers, Schwarz & Steins Bisschop 2005, p. 6.
Deze reeks aan belanghebbenden is overgenomen door Dortmond in: Van der Heijden/Van der Grinten/ Dortmond 2013, nr. 231.
Een ander voorbeeld van een in Boek 2 BW gehanteerde reikwijdte, naast die van enquêtegerechtigden en de institutioneel betrokkenen, is het reeds genoemde ‘belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’; het vennootschappelijk belang. In dit begrip zou in beginsel het belang van alle belanghebbenden terug moeten komen, althans indirect,1 die het bestuur bij haar besluitvorming dient te betrekken. In de literatuur bestaan ook betreffende de reikwijdte van het begrip belanghebbenden in dit verband conflicterende opvattingen, welke niet altijd aansluiten bij één van de reeds genoemde reikwijdtes. In dit kader zal ik een aantal van deze opvattingen nader uiteen zetten:
Allereerst is een aantal SER-adviezen interessant. De SER maakt een onderscheid tussen primaire en niet-primaire belanghebbenden in de vennootschap.2 De SER ziet de aandeelhouders en werknemers als de primaire belanghebbenden, omdat zij organiek met de vennootschap verbonden zijn. Daartegenover hebben andere belanghebbenden ‘slechts’ een externe binding met de vennootschap, waarbij wordt gewezen op afnemers, leveranciers, overheden en belangenorganisaties. Opvallend is dat de SER het bestuur en de raad van commissarissen zelf niet als belanghebbenden kwalificeert.
Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman maken eveneens een onderscheid, maar zij kiezen voor het begrip ‘externe belangen’.3 Er wordt daarbij gewezen op een drietal interne belangen,4 namelijk die van de gezamenlijke aandeelhouders, werknemers en het bestuur en de raad van commissarissen. Hoewel het bestuur en de raad van commissarissen wel een eigen functioneel belang hebben, is dit wel van een geheel andere orde.5
Tot de externe belangen worden onder meer het concernbelang en de belangen van crediteuren, toeleveranciers, consumenten, eventueel de belangen van de streek of het land gerekend en onder omstandigheden de in beginsel meer abstracte belangen zoals die van de volkshuisvesting, het milieu, de gewenste sociale of maatschappelijke ontwikkelingen, de werkgelegenheid en het behoud van nationaliteit.6
Daarnaast wordt uitgelegd waarom voor het begrip externe belangen wordt gekozen in plaats van voor de begrippen maatschappelijke- of algemene belangen. Het probleem met de laatstgenoemde begrippen is dat zij zowel te eng als te ruim zijn, aldus Van Schilfgaarde en Winter.7 Te eng, omdat het belang van particulieren, zoals bijvoorbeeld crediteuren, niet valt onder algemene belangen. Te ruim, omdat er algemene/maatschappelijke belangen zijn waarop de vennootschap geen invloed heeft.8
Een derde opvatting wordt uitgedragen door Eijsbouts, die zich aansluit bij Pitts.9 Pitts gaat uit van de door Caroll omschreven definitie van stakeholders:
‘individuals and groups who may affect or be affected by the actions, decisions, policies, practices or goals of an enterprise.’10
Pitts maakt aan de hand van deze definitie een onderscheid tussen de navolgende categorieën van belanghebbenden:
aandeelhouders;
andere financiële investeerders;
commissarissen en bestuur;
werknemers en hun vertegenwoordigers;
klanten;
zakenpartners;
leveranciers;
de ‘community at large’;
specifieke aangedane gemeenschappen, minderheden en personen;
NGO’s, en
regeringen en autoriteiten.11
Pitts maakt vervolgens geen nader onderscheid meer tussen directe/indirecte, interne/externe of primaire/-niet primaire belanghebbenden.
Hamers, Schwarz en Steins Bisschop maken wel een dergelijk onderscheid en menen dat er sprake is van een drietal categorieën belanghebbenden.12 Zij maken een onderscheid tussen belanghebbenden die direct bij de vennootschap zijn betrokken, belanghebbenden die direct indirect bij de vennootschap betrokken zijn en belanghebbenden die indirect indirect bij de vennootschap betrokken zijn. Zij delen deze belanghebbenden in aan de hand van hun invloed op het beleid van de vennootschap. Onder de directe belanghebbenden vallen de aandeelhouders, werknemers, bestuurders en commissarissen. Onder de indirect directe belanghebbenden vallen leveranciers, afnemers, (andere) financiers van de vennootschap en instellingen die een directe invloed hebben op de vennootschap, waarbij wordt gewezen op NGO’s. Tot slot vallen onder de indirect indirecte belanghebbenden de overheid als zodanig, overheidsinstellingen en semi-gouvernementele instellingen.
Door Van der Grinten wordt eveneens een reeks aan belanghebbenden genoemd.13 Onder meer wordt gewezen op de belangen van aandeelhouders, werknemers, leveranciers, afnemers en de belangen van land en regio. Ook wordt overwogen dat het antwoord op de vraag welke belangen dienen te worden afgewogen, afhankelijk is van de omstandigheden van het geval in de concrete situatie.14