Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.8.2
3.8.2 Artikel 2:8 BW: de institutioneel betrokkenen
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS300172:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze term eveneens onder meer: Huizink 2014 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 8, Aant. 6; Bos 2005, p. 141.
Koelemeijer 1999, p. 57-58; De Monchy & Timmerman 1991, p. 49; Stokkermans 2010, p. 179. Wolf 2013, p. 321.
Kamerstukken II 1982/83, 17725, nr. 3, p. 56 (MvT); Huizink 2014 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 8, Aant. 6; Koelemeijer 1999, p. 22; De Monchy & Timmerman 1991, p. 50; Rensen 2005-1, p. 35; Stokkermans 2010, p. 179; Wolf 2013, p. 321.
De Monchy & Timmerman 1991, p. 49.
Mohr 1992, p. 12.
De Monchy & Timmerman 1991, p. 49.
Zie in dit verband ook: Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 8. Zij vragen zich af of onder een dergelijk interpretatie de ondernemingsraad onder artikel 2:8 BW valt.
Asser/Maeijer 2000, nr. 454.
Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 172.1. Van der Grinten maakt daarbij wel een uitzondering voor de situatie waarin sprake is van het structuurregime.
Evenzo: Van Mierlo 2013, p. 95; Ophof 1993, p. 138; Rood 1988, p. 54.
Op grond van artikel 2:158/268 lid 5 BW verkrijgt de Ondernemingsraad dan immers het recht om een (versterkte) aanbeveling te doen bij de benoemingsprocedure betreffende commissarissen.
Slagter 2005, nr. 11.
Huizink 2014 (Groene Serie Rechtspersonen), art. 8, Aant. 6.2.
Van Mierlo 2013, p. 95-98.
Hof Amsterdam (OK) 26 november 1987, NJ 1989, 271 (Ikon) m.nt. Maeijer.
Rb. Utrecht 14 augustus 1990, ROR 1990, 31 (Baxter).
Asser/Maeijer 2000, nr. 454. Zie voor eenzelfde opvatting: Rb. Haarlem 19 februari 1988, KG 1988, 133. Kroeze verwerpt deze opvatting als ‘enigszins gewrongen’ en beschouwt de Ondernemingsraad als een institutioneel betrokkenen (Asser/Maeijer/Kroeze 2015, nr. 225).
Kamerstukken II 1884/85, 17725, nr. 7, p. 14-15 (MvT).
Zie in dit verband HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum).
Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010, JOR 2010, 189 m.nt. Stevens, rov. 3.13.
Met Bakker (Bakker 2011, p. 41) zie ik geen reden om de gedragsnorm enkel op private equity partijen van toepassing te achten, maar ik denk dat dit ook voor ander soortige toekomstig aandeelhouders geldt.
Iets anders lag het in het arrest inzake ASMI. Hier werd door de Hoge Raad bepaald dat de stichting die houder is van een door de vennootschap toegekende calloptie op preferente (beschermings-)aandelen als institutioneel betrokkenen dient te worden beschouwd (HR 9 juli 2010, JOR 2010, 228 m.nt. Van Ginneken (ASMI)). Zie in dit verband ook: Stokkermans 2010, p. 179.
Zie onder andere: Bakker 2011, p. 42; Mol 2012.
Zie anders: Van den Ingh 2000, p. 205. Zie hierover ook voetnoot 67 van hoofdstuk 5.
Voor de naamloze vennootschap bestaat deze regeling nog steeds. Zijn de certificaten met medewerking van de vennootschap uitgegeven, dan kent de wet de certificatenhouders bepaalde rechten toe, zoals het recht de vergadering bij te wonen en aldaar het woord te voeren Zie in dit verband onder meer: Buijn & Storm 2013, p. 228-230.
Wolf 2014; Wolf 2013, p. 322.
Schwarz 1992, p. 6.
Van der Heijden/Van der Grinten/Dortmond 2013, nr. 172.4.
Stokkermans 2010, p. 179.
Hamers 1996, p. 88-89.
Rb. Amsterdam 25 augustus 2010, JOR 2010, 301 m.nt. Nowak (CFS).
Nowak in zijn annotatie onder JOR 2010, 301 (CFS).
Van Schilfgaarde 1982 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 7, Aant. 4 en 5.
Brink 2004, p. 234.
Huizink 2014 (Groene Serie Rechtspersonen), Art. 8, Aant. 6.
Wolf 2014.
Zie in dit verband onder meer: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 671; Slagter/Assink 2013, p. 186, 338 en 528. Zie over het antwoord op de vraag of een belanghebbende die niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoort een beroep kan doen op artikel 2:15 lid 1 onder b BW: hoofdstuk 9, paragraaf 9.2.2.
Steins Bisschop 2004, p. 91-92.
In ieder geval de pandhouder die vergaderrecht heeft (artikel 2:89 lid 4/198 lid 4 BW). Wellicht de pandhouder zonder vergaderrecht.
Zie evenzo: Asser/Maeijer/Kroeze 2015, nr. 224.
Zie voor een vergelijkbare lijst: Steins Bisschop 2004, p. 90.
Reehuis & Slob 1991, p. 157 e.v. Zie in dit verband ook de uitspraak van de rechtbank inzake de Uniwest Group B.V. (Rb. Zutphen 17 januari 1991, rolnr. 700h/88). Hier overwoog de rechtbank dat gedragingen van aandeelhouders in hun hoedanigheden als voormalig werknemers en concurrenten niet kunnen worden gekwalificeerd als handelingen van de aandeelhouders die vallen onder de norm van de redelijkheid en billijkheid (destijds goede trouw). Zie over deze uitspraak: Winter 1991, p. 246- 248; Slagter 1991, p. 160-162. Slagter is daarbij kritisch over de voornoemde overweging van de rechtbank: ‘Dit door de rechtbank aanwezig geachte schizofrene optreden van een aandeelhouder is in strijd met de realiteit. Waarom zou die dubbelrol juridisch wél relevant zijn voor het aannemen van indirect tegenstrijdig belang doch niet voor het handelen in strijd met art. 2:7 BW? [thans artikel 2:8 BW, toevoeging BK] Aanvaardt men, dat de al dan niet onredelijkheid van het handelen van een aandeelhouder ter a.v.a. moet worden beschouwd in samenhang met zijn optreden buiten de a.v.a., dan rijst vervolgens de vraag, waar de grens moet worden getrokken. Immers, het gaat om de onredelijkheid van het optreden van leden van organen, dus onder meer van aandeelhouders ‘als zodanig’ (artikel 2:7 BW). Mijns inziens is het optreden van een aandeelhouder buiten de a.v.a. relevant, indien de vennootschap slechts een beperkt aantal aandeelhouders kent en het handelen buiten de a.v.a. rechtsstreeks invloed heeft op het functioneren van de vennootschap.’ Deze overweging van de rechtbank wordt wel positief ontvangen door het Hof in hoger beroep (Hof Arnhem 26 mei 1992, NJ 1993, 182 m.nt. Maeijer (Uniwest)). Zie over de uitspraak in hoger beroep ook: Timmerman 1993; Van der Grinten 1992.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan de aandeelhouder die ook crediteur is.
Zie in dit verband onder meer: Koelemeijer 1999, p. 58; Raaijmakers 1991, p. 211 e.v.
HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 m.nt. Maeijer (Tuin Beheer).
Van der Ploeg 1992, p. 81. Denk aan de aandeelhouder die tevens crediteur van de vennootschap is. Volgens Van der Ploeg is deze aandeelhouder in zijn hoedanigheid als crediteur niet gehouden aan de redelijkheid en billijkheid (Van der Ploeg 1992, p. 82). Ongeveer dezelfde overwegingen zijn terug te vinden in de dissertatie van Verdam (Verdam 1995, p. 235), die opmerkt dat misbruik van vertrouwelijke informatie of het aandoen van concurrentie aan de vennootschap door de aandeelhouder niet wordt beheerst door artikel 2:8 BW.
Naast de voornoemde reikwijdte betreffende de enquêtebevoegdheid hanteert de wetgever ook andere reikwijdtes, althans worden deze ook anders uitgelegd in de literatuur. Een duidelijk voorbeeld hiervan is artikel 2:8 BW. Dit artikel bepaalt dat de redelijkheid en billijkheid in acht dient te worden genomen door diegenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken zijn; de ‘institutioneel betrokkenen’.1 Maar wie zijn dan degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon betrokken zijn?
Algemeen aanvaard is dat in ieder geval diegenen die zeggenschap binnen de rechtspersoon uitoefenen, waaronder bestuurders, aandeelhouders en commissarissen, alsook de organen waarvan zij deel uitmaken, als betrokkenen hebben te gelden.2 Ook de certificaathouder met vergaderrecht, de houder van het pandrecht op aandelen en de houder van het vruchtgebruik op aandelen worden in de regel gekwalificeerd als een institutioneel betrokkene.3 Timmerman overweegt in dit verband dat ‘een ieder die op grond van de wet of de statuten rechten of plichten heeft die door gedragingen, die zich binnen de sfeer van de rechtspersoon afspelen, rechtstreeks beïnvloed kunnen worden’.4 Mohr5 en Timmerman6 menen daarbij wel dat enkel moet worden gekeken naar degenen die op grond van Boek 2 BW de rechtspersoon kunnen beïnvloeden. Begrijp ik hen goed, dan menen zij dat de Ondernemingsraad en de werknemers niet tot de kring van betrokkenen behoren.7 Ook Maeijer8 en Van der Grinten9 zien de Ondernemingsraad niet als een institutioneel betrokkene. Het lijkt mij voor de hand liggen dat de Ondernemingsraad wel onder de kring van betrokkenen valt.10 Hoewel de Ondernemingsraad geen directe bevoegdheden verkrijgt op grond van Boek 2 BW (al kan ook dat worden betwist wanneer men de structuurregeling in ogenschouw neemt11), speelt zij wel een rol bij de zeggenschapsverhoudingen binnen de vennootschap op grond van de in de Wet op de Ondernemingsraden neergelegde bepalingen. Ook Slagter12 en Huizink13 menen dat de kring van institutioneel betrokkenen breder is dan alleen de betrokkenen die op grond van de statuten en Boek 2 BW bij de vennootschap betrokken zijn. Zij vinden dat het gehele Burgerlijk Wetboek alsmede eventueel daarvoor in aanmerking komende andere regelgeving bepalend zijn voor de reikwijdte van artikel 2:8 BW en verwijzen daarbij specifiek naar de Wet op de Ondernemingsraden. Ook Van Mierlo is de mening toegedaan dat de Ondernemingsraad tot de kring van institutioneel betrokkenen behoort en licht dit uitgebreid toe.14 Hij wijst daarbij onder meer op de Ikon-beschikking15 en een uitspraak van de President van de rechtbank Utrecht.16
Maeijer meent, ondanks het feit dat hij de Ondernemingsraad niet als een institutioneel betrokkene beschouwt, dat de ondernemer en Ondernemingsraad wel jegens elkaar, naar analogie van artikel 2:8 BW, de redelijkheid en billijkheid in acht moeten nemen.17
De vraag blijft desalniettemin wie er precies onder de reikwijdte van artikel 2:8 BW kunnen worden geschaard. Uit de parlementaire geschiedenis kan wel worden opgemaakt dat de kring van institutioneel betrokkenen ruim dient te worden genomen.18 Dit komt ook in de jurisprudentie terug. Zo werd door de Hoge Raad bepaald dat ook de persoon aan wie statutair belangrijke bevoegdheden toekomen, gebonden is aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.19
De Ondernemingskamer ging nog verder, en lijkt te bepalen dat ook de toekomstige aandeelhouder gebonden was aan de redelijkheid en billijkheid. De Ondernemingskamer overwoog in de PCM-beschikking dat:
‘mede gelet op hetgeen ingevolge artikel 2:8 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, voor de private equity partij die zich aandient als toekomstig aandeelhouder in een vennootschap op een wijze als de onderhavige, heeft te gelden, dat zij in haar handelen dat verband houdt met het verkrijgen van een belang als het onderhavige in de doelvennootschap, niet alleen de eigen belangen maar ook de (…) vennootschappelijke belangen dient te betrekken.’20
De Ondernemingskamer lijkt hier te overwegen dat ook een toekomstig aandeelhouder21 zich dient te gedragen volgens de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW, hetgeen op zijn minst opmerkelijk kan worden genoemd vanwege het (op dat moment bestaande) gebrek aan (economische) verbondenheid.22 Op deze beschikking is dan ook kritisch gereageerd.23 Wellicht zal de mate van betrokkenheid van de toekomstig aandeelhouder bij de besluitvorming binnen de vennootschap relevant zijn voor de vraag of een toekomstig aandeelhouder onder de reikwijdte van artikel 2:8 BW valt. Ik zet ook kanttekeningen bij de door de Ondernemingskamer verwoorde relatie tussen artikel 2:8 BW en het vennootschappelijk belang, omdat deze begrippen volgens mij niet hetzelfde doel hebben.24
Daarnaast bestaat in de rechtspraak en literatuur nog geen consensus, en wordt er zelfs hevig gedebatteerd, over het antwoord op de vraag of de certificaathouder zonder vergaderrecht – voorheen de houder van zonder medewerking van de vennootschap uitgegeven certificaten25 –totde kringvaninstitutioneel betrokkenenbehoort. Wolf,26 Schwarz,27 Dortmond,28 Stokkermans,29 en Hamers30 menen dat de certificaathouder zonder vergaderrecht niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoort. Ook de rechtbank Amsterdam was dit oordeel toegedaan.31 Daar tegenover staan Nowak,32 Van Schilfgaarde,33 Brink34 en Huizink35 die menen dat, in ieder geval onder bepaalde omstandigheden, de houder van certificaten zonder vergaderrecht wel tot de kring van institutioneel betrokkenen kan behoren. Daarnaast is er nog een derde benadering, welke door Wolf wordt betiteld als de redelijk belang-benadering.36 Aanhangers van deze benadering betogen dat, afgezien van het feit of de certificaathouder zonder vergaderrecht als institutioneel betrokkene kan worden gekwalificeerd, deze certificaathouder wel een redelijk belang kan hebben bij naleving van de redelijkheid en billijkheid en op grond daarvan een beroep kan doen op artikel 2:15 BW.37 Dit zou betekenen dat een belanghebbende die niet tot de kring van artikel 2:8 BW behoort, wel het recht heeft bij de rechter af te dwingen dat een institutioneel betrokkene zich houdt aan de uit artikel 2:8 BW voortvloeiende normen, terwijl die normen niet strekken tot de bescherming van de belangen van de belanghebbende.
De certificaathouder is in zoverre een bijzonder geval, dat deze geen direct belang bij de vennootschap heeft. De certificaathouder heeft een belang bij het certificaat, welk certificaat een belang heeft bij het aandeel dat aan het certificaat gebonden is. Daarmee heeft de certificaathouder slechts een afgeleid belang bij de vennootschap. Kennen de statuten – onder het huidige systeem – geen vergaderrecht toe aan (bepaalde) certificaten, dan heeft de certificaathouder bovendien geen enkele directe band met de vennootschap.
Ook kan erop worden gewezen dat Steins Bisschop betoogt dat onder omstandigheden ook niet institutioneel betrokkenen – waarbij hij specifiek ingaat op niet bewilligde certificaathouders (thans dus certificaathouders zonder vergaderrecht) en ‘non-governmental agencies’ – rechten kunnen ontlenen aan artikel 2:8 BW.38
Degenen die zich dienen te gedragen naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid vordert zijn derhalve in ieder geval:
de vennootschap;
de organen: het bestuur, de aandeelhoudersvergadering en de RvC, alsook andere instanties die op basis van de statutaire regeling als orgaan zijn te kwalificeren;
de leden van de onder 2 opgenomen organen, waaronder ook, bij de besloten vennootschap, de stemrechtloze en winstrechtloze aandeelhouder;
pandhouders,39 vruchtgebruikers van aandelen met stemrecht, winstbewijshouders, aangeslotenen bij een stichting en de buitenstaanders die statutair de bevoegdheid bezitten om bestuurders in en vereniging of stichting te benoemen of om hoogstens een derde van de commissarissen bij een NV of BV te benoemen;
houders van certificaten met vergaderrecht en houders van winstbewijzen;
een persoon die organisatierechtelijk niet aan de persoon is verbonden, maar aan wie statutair belangrijke bevoegdheden toekomen;
houders van aandelen ten titel van beheer in het kader van een onmiddellijke/eind voorziening bij de Ondernemingskamer;40
wellicht houders van certificaten zonder vergaderrecht;
wellicht de werknemers en Ondernemingsraad; en
wellicht de toekomstig aandeelhouder.41
Een tweede vraag is of op grond van artikel 2:8 BW de institutioneel betrokkenen zich slechts redelijk en billijk dienen te gedragen jegens andere institutioneel betrokkenen (dus jegens elkaar) of ook tegenover derden. De wettelijke bepaling lijkt hier blijkens de woorden ‘als zodanig jegens elkaar’ helder over te zijn. Ook de parlementaire geschiedenis bevestigt dat de redelijkheid en billijkheid slechts geldt voor handelingen binnen de rechtspersoon.42 Desalniettemin wordt in de literatuur wel verdedigd dat een institutioneel betrokkene ook in andere hoedanigheden43 gebonden is aan de redelijkheid en billijkheid.44 Ook de Hoge Raad lijkt hier een ruimere interpretatie tehanteren.45 Anderen volgen de wettelijke bepaling nauwgezetter en menen dat de institutioneel betrokkene in andere hoedanigheden geen rekening behoeft te houden met de redelijkheid en billijkheid.46