Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/5.6.2.2
5.6.2.2 Toegepast op verzekeringsovereenkomsten
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949875:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover onder meer Van Boom, WPNR 1993/6109, p. 721-724 en Rongen 2012, p. 450-451.
In art. 7:975 BW wordt levensverzekering gedefinieerd als “de in verband met het leven of de dood gesloten sommenverzekering met dien verstande dat ongevallenverzekering niet als levensverzekering wordt beschouwd.”
Vloemans 2023, p. 13-15.
Wery/Mendel 2022, p. 6-7.
Dorhout Mees 1987, p. 15.
Van Gerner 2019/12.3.2 en Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019/26.4.4.
Art. 7:969 lid 1 BW. Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/708.
Art. 7:968 aanhef en onder a BW. Art. 7:968 BW luidt: “De aanwijzing van een derde als begunstigde kan niet worden herroepen: (a) indien die derde haar heeft aanvaard; (b) indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde; (c) indien een uitkering opeisbaar wordt; (d) indien dit uit de overeenkomst voortvloeit.” In deze fase (dus: voordat het risico zich heeft verwezenlijkt) zou ook art. 7:968 aanhef en onder d BW eventueel van toepassing kunnen zijn. Die situatie laat ik hier verder onbesproken. Zie over art. 7:968 BW onder meer Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/708.
Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019/26.4.5.: “Zolang de verzekeringnemer de begunstiging kan herroepen, heeft de derde-begunstigde slechts een kans op de uitkering. De herroepelijk aangewezen derde-begunstigde heeft geen voorwaardelijk recht op de uitkering.”
Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019/26.4.4: “De verzekeringnemer behoudt bij aanwijzing van een derde als begunstigde wel een voorwaardelijk recht op uitkering, zij het onder de opschortende voorwaarde dat begunstiging van een derde geen gevolg zal hebben. Bij aanwijzing van een derde als begunstigde geldt dat de verzekeringnemer geen recht op de verzekerde uitkering heeft na aanvaarding door de derde-begunstigde.”
Strikt genomen komt het recht op de uitkering nog in meer gevallen toe aan de verzekeringnemer. Art. 7:967 lid 8 BW bepaalt immers: “Zolang geen derde als begunstigde is aangewezen, komt het recht op uitkering toe aan de verzekeringnemer. De verzekeringnemer wordt voorts geacht zichzelf als begunstigde te hebben aangewezen voor het geval dat geen aanwijzing van een derde als begunstigde gevolg heeft.” Zie over dit artikellid Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/701 en Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019/26.4.4. Zie ook Kalkman 2022, p. 274: “Het verzekeringsrecht in Boek 7 BW neemt tot uitgangspunt dat, wanneer de verzekeringnemer van een sommenverzekering zichzelf als begunstigde heeft aangewezen of er geen derde-begunstigde is (aangewezen) of alle als begunstigde aangewezenen inmiddels ontbreken, overleden zijn of weigeren de uitkering te aanvaarden, hij geacht wordt de uitkering voor zichzelf of voor zijn nalatenschap bedongen te hebben (de leer van het voor zichzelf bedongen recht) (art. 7:967 lid 8 BW). In dat geval heeft de verzekeringnemer een voorwaardelijk recht op de uitkering. Dit voorwaardelijk recht maakt deel uit van zijn vermogen en zijn nalatenschap alsmede van een eventueel aanwezige ontbonden huwelijksgemeenschap.” De voetnoten van Kalkman bij dit citaat heb ik hier weggelaten.
Kalkman 2013, p. 175-177; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/718; Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019/26.4.4; Wery/Mendel 2022, p. 99-100; Kalkman 2022, p. 275-276; Rijkels 2023, p. 1193-1196.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/25; Heemskerk 2020, p. 132.
Huijg en Van Slooten, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2013/22, par. 2; Asser/Lutjens 7-XI 2019/226; Heemskerk 2020, p. 72-73.
Ervan uitgaande dat de uitvoeringsovereenkomst een verzekeringsovereenkomst is, zijn ook de bepalingen van Titel 17 van Boek 7 Burgerlijk Wetboek (“Verzekering”) op deze overeenkomst van toepassing. In art. 5 Pensioenwet is bepaald dat enkele artikelen van Titel 17 niet van toepassing zijn op deze rechtsbetrekking tussen de verzekeraar en de werkgever. Onder meer art. 7:969 BW met voorschriften over de aanvaarding van de begunstiging is niet van toepassing. Zie hierover Asser/Lutjens 7-XI 2019/235.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/255; Heemskerk 2020, p. 199; Van Heest, in: T&C Pensioenrecht, commentaar op art. 5 Pensioenwet.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/119: “De pensioenaanspraak is volgens HR 27 november 1981, NJ 1982, 504 (Boon/Van Loon) een voorwaardelijk vorderingsrecht, dat al bestaat, ook al is het pensioen nog niet tot uitkering gekomen, zodat de waarde daarvan bij de boedelscheiding na echtscheiding betrokken dient te worden. Dit karakter van (voorwaardelijk) vermogensrecht is – impliciet – bevestigd door HR 3 februari 2012, NJ 2012/93, PJ 2012 2012/39 (Bpf Beroepsvervoer/Labots).”
Dan wordt niet meer over een pensioenaanspraak gesproken, maar over een pensioenrecht.
Van dit verzetrecht in verband met ingegane pensioenen werd gebruik gemaakt in de hierna te bespreken uitspraak Rb. Den Haag 21 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2195; JIN 2019/67, m.nt. M. Poelsema; Rechtspraak Notariaat 2019/51; JONDR 2019/462; JOR 2019/131, m.nt. H. Koster (Optas). Zie over deze uitspraak ook Koster, Juridische Berichten voor het Notariaat februari 2020, p. 11-13.
Mijnssen en Engel 2021, p. 4-6.
Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/21 en 22. Ook Boshuizen noemt dit in zijn proefschrift “Verzekeringen, overheidstoezicht en privaatrecht” de juridische benadering tegenover de economische invalshoek (Boshuizen 2001, p. 13-14). Idem Wery/Mendel 2022, p. 6-7.
Zie hoofdstuk 1 van dit onderzoek.
Van Hees 1997, p. 126.
Schuijling 2016, p. 132-134.
Rongen 2012, p. 1113-1114 en p. 1327.
Peter, in: GS Vermogensrecht, art. 3:97 BW, aant. 10.3.
Schuijling noemt in het onderdeel van zijn proefschrift over de vermogensrechtelijke duiding van vorderingen uit schadeverzekeringen de opvatting van Van Boom een “tussenpositie” (p. 132-134).
Van Boom, WPNR 1993/6109, p. 721-722.
Tangelder, Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2017/5, par. 3.
Heemskerk 2020, p. 85 verwijst expliciet naar het artikel van Tangelder uit 2017.
Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/319 in verband met art. 7:942 lid 1 BW.
Zie bijvoorbeeld Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/319; Mijnssen en Engel 2021, p. 63-64.
Art. 7:945 BW.
Art. 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Zie hierover Bazzi en Gijsbers 2019/21.4.2 die het gevolg hiervan verwoorden als: “De verzekeraar krijgt er dus in feite een tweede schuldeiser bij.” Dit leidt in de praktijk tot polisbepalingen in autoverzekeringen zoals bijvoorbeeld: “Wij zijn verplicht de schade te vergoeden waarvoor je aansprakelijk bent. Wij kunnen besluiten om de schade rechtstreeks aan de benadeelden te vergoeden of om een schikking te treffen. Hierbij houden wij rekening met jouw belangen.” (SNS) en “Bent u aansprakelijk gesteld voor schade van een ander (dit noemen wij de benadeelde)? Dan handelen we de schade rechtstreeks af met die benadeelde. We kunnen de schade rechtstreeks aan de benadeelde vergoeden, of een schikking met de benadeelde treffen. Daarbij houden we rekening met uw belangen. Per gebeurtenis vergoeden wij maximaal de bedragen die op uw polisblad staan.” (ASR) want de verzekeraar gaat natuurlijk niet twee keer betalen. Zie over dit eigen recht op grond van art. 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ook Wery/Mendel 2022, p. 88-89 en Weterings, in: T&C Verzekeringsrecht, art. 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, aant. 1.
Van Gerner 2019/12.2.1 noemt jachtongevallen, kernongevallen en olieverontreiniging.
Maar de benadeelde met het recht om op grond van art. 7:954 BW een directe actie in te stellen tegen een schadeverzekeraar is géén schuldeiser van de verzekeraar. Hij heeft dus niet het recht van verzet op grond van Boek 2 BW in geval van juridische fusie en juridische splitsing van de schadeverzekeraar. Art. 7:954 lid 1 BW bepaalt dat indien in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid de verzekeraar ingevolge art 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. Het artikel heeft dus alleen betrekking op aansprakelijkheidsverzekeringen en alleen op schade door dood of letsel. Bazzi en Gijsbers 2019/21.3.1 vermelden in de toelichting dat bij toepassing van dit artikel de verzekeringspenningen rechtstreeks aan de benadeelde worden uitgekeerd, zonder dat deze nog het vermogen van de aansprakelijke partij – de verzekerde – passeren. Dit beschermt de benadeelde tegen een faillissement van de verzekerde. Daarna merken zij op (Bazzi en Gijsbers 2019/21.3.2.1) dat de verzekerde de enige schuldeiser blijft van de verzekeraar. De benadeelde heeft maar één schuldenaar: de aansprakelijke verzekerde. Van Tiggele-van der Velde merkt in T&C Verzekeringsrecht, art. 7:954 BW, aant. 1c op dat dit artikel geen ‘pluraliteit van schuldeisers’ tot gevolg heeft. In Wery/Mendel 2022, p. 89-90 wordt het artikel onder meer toegelicht met de opmerking dat de benadeelde een directe actie heeft, maar geen eigen recht. De werking van dit artikel heeft dus niet tot gevolg dat de benadeelde een schuldeiser van de verzekeraar wordt.
Art. 7:965 BW.
Art. 7:969 BW; Kalkman 2013, p. 173; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2019/716; Rijpkema, Bruins Slot en Kalkman 2019/26.4.5; Wery/Mendel 2022, p. 99-100; Kalkman 2022, p. 275-276.
Art. 7:968 BW: “De aanwijzing van een derde als begunstigde kan niet worden herroepen: (a) indien die derde haar heeft aanvaard; (b) indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde; (c) indien een uitkering opeisbaar wordt; (d) indien dit uit de overeenkomst voortvloeit.”
Art. 7:968 BW.
Art. 7:968 BW.
Zo ook Wery/Mendel 2022, p. 99.
Zie voetnoot 124.
De vraag is waar al deze inzichten ons brengen ten aanzien van de vraag wie schuldeiser is in geval van verzekeringsovereenkomsten, en dus de vraag aan wie met betrekking tot een verzekeringsovereenkomst het recht van verzet toekomt in geval van een juridische fusie of een juridische splitsing.
Voor het geval dat er sprake is van een opeisbare vordering of een niet opeisbare (maar dus al wel bestaande) vordering is (zoals hiervoor beschreven) de algemene opvatting dat er een schuldeiser is met verzetrecht.
Voor het geval dat we zouden moeten aannemen dat er op basis van een al bestaande verzekeringsovereenkomst alleen een toekomstige vordering is, volgt uit de hiervoor beschreven opvatting van een deel van de vennootschapsrechtelijke auteurs dat er in dat geval geen verzetrecht is.
Het is allesbehalve eenvoudig om de vordering uit een verzekeringsovereenkomst te kwalificeren. Dit komt onder meer omdat het Burgerlijk Wetboek geen wettelijke definitie bevat van het begrip “toekomstige vordering”.1
Fase totdat het risico zich heeft verwezenlijkt
Ik bespreek hier eerst de fase waarin de verzekeringsovereenkomst al wel bestaat, maar het risico waarvoor de verzekering is afgesloten zich nog niet heeft verwezenlijkt. Voor de fase waarin het risico waarvoor iemand zich heeft verzekerd zich nog niet heeft verwezenlijkt, is de vraag of de verzekeringnemer als schuldeiser (en dus iemand met het recht van verzet op grond van de regeling van de juridische fusie of juridische splitsing) kan worden gekwalificeerd uiteraard het lastigst te beantwoorden. Heeft iemand met een levensverzekering met een uitkering bij in leven zijn bij 65 jaar voor die tijd in juridische zin wel of niet al een vordering op de verzekeraar? En heeft iemand met een inboedelverzekering voordat er sprake is van schade aan zijn bezittingen in juridische zin wel of niet al een vordering op de verzekeraar? Die vragen zijn niet makkelijk te beantwoorden, maar als het antwoord op deze vragen neen is, dan hebben verzekeringnemers geen recht van verzet uit hoofde van de regeling van de juridische fusie en juridische splitsing.
Na bestudering van diverse juridische literatuur ben ik tot de conclusie gekomen dat de situatie in feite erop neerkomt, dat de meeste verzekeringsrechtelijke literatuur die aandacht besteedt aan deze “vermogensrechtelijke duiding” ervan uitgaat dat sprake is van een voorwaardelijke vordering, en dat enkele auteurs die meer in het algemeen over vermogensrecht publiceren voor wat betreft verzekeringsovereenkomsten voor deze fase van mening zijn dat er sprake is van een toekomstige vordering.
Ik bespreek hierna eerst de opvattingen in verzekeringsrechtelijke literatuur, daarna de mening van enkele vermogensrechtelijke schrijvers en vervolgens een opvatting die ik een “tussenvariant” van deze opvattingen zou willen noemen.
Ten eerste de verzekeringsrechtelijke literatuur
In het deel van de Asser-serie over het verzekeringsrecht is het standpunt dat bij de “schadeverzekering en de sommenverzekering, die geen levensverzekering is” op de verzekeraar de voorwaardelijke verplichting rust tot het doen van een of meer uitkeringen waartegenover van de kant van de verzekeringnemer de verplichting bestaat tot het betalen van premie. Het is meestal van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk of de verzekeraar een prestatie moet verrichten.2 Voor de levensverzekering3 wordt in dit deel van de Asser-serie aangenomen dat voor een verzekeraar een voorwaardelijke en/of een onvoorwaardelijke verplichting tot uitkering bestaat. Als voorbeeld van een voorwaardelijke verplichting wordt de uitkering bij leven genoemd: “dat wil immers zeggen onder de voorwaarde dat de verzekerde een bepaalde leeftijd bereikt”. Als voorbeeld van een onvoorwaardelijke verplichting tot uitkering wordt de vaste kapitaalverzekering die op een vast tijdstip tot uitkering komt genoemd, waarbij de premiebetaling eindigt bij het overlijden van de verzekerde.4
Ook in het boek Verzekeringsrecht in de serie Recht en Praktijk Verzekeringsrecht wordt uitgegaan van een voorwaardelijke verbintenis: “De afhankelijkheid van een onzekerheid maakt de verbintenis van de verzekeraar om een uitkering te doen mijns inziens tot een voorwaardelijke.”5 Ook de boeken Hoofdzaken verzekeringsrecht,6 Het nieuwe verzekeringsrecht7 en het Compendium Verzekeringsrecht8 gaan uit van het bestaan van een voorwaardelijke verplichting van de verzekeraar tot uitkering.
Uit deze opvatting volgt dat in deze fase de verzekeringnemer (of diens rechtsopvolger) een schuldeiser is van de verzekeraar. Ook voordat het risico zich heeft verwezenlijkt is er dus in deze opvatting ten aanzien van een verzekeringsovereenkomst een schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW, namelijk de verzekeringnemer (of diens rechtsopvolger). Deze kan verzet aantekenen tegen een voorstel tot fusie of tot splitsing.
In het geval van individuele levensverzekeringen is het echter ook mogelijk dat het niet de verzekeringnemer is aan wie het voorwaardelijk recht op de verzekeringsuitkering toekomt, maar dat het voorwaardelijk recht op de uitkering toekomt aan de begunstigde van de levensverzekering. De verzekeringnemer kan door schriftelijke mededeling aan de verzekeraar zichzelf of, al dan niet naast zichzelf, één of meer derden als begunstigde aanwijzen.9 De begunstigde is degene die tot het ontvangen van een uitkering is aangewezen.10
De begunstigde derde verkrijgt zijn recht op uitkering door aanvaarding van zijn aanwijzing.11 Voor de aanvaarding in het geval van een herroepelijke aanwijzing is een schriftelijke verklaring van de begunstigde derde aan de verzekeraar vereist, alsmede een schriftelijke verklaring van de verzekeringnemer waaruit diens toestemming voor de aanvaarding blijkt. Zonder schriftelijke toestemming van de verzekeringnemer kan de begunstigde derde de herroepelijke begunstiging dus niet aanvaarden. 12 Indien de derde de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard, kan de aanwijzing van die derde als begunstigde niet meer worden herroepen.13 Hij verkrijgt een recht op uitkering “onder een of meer voorwaarden en/of onder tijdsbepaling”.14 De begunstigde derde die voorafgaand aan de verwezenlijking van het risico de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard, heeft dus een voorwaardelijk recht jegens de verzekeraar. De begunstigde derde kan vanaf dat moment op grond van zijn voorwaardelijk recht gekwalificeerd worden als schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt. Tot het moment van aanvaarding van de begunstiging heeft de begunstigde derde géén voorwaardelijk recht op de uitkering.15 De heersende opvatting is dat de verzekeringnemer bij aanwijzing van een derde als begunstigde tot het moment van aanvaarding van de begunstiging het voorwaardelijk recht op de uitkering heeft jegens de verzekeraar. Het recht van verzet komt dus tot dat moment toe aan de verzekeringnemer. Na dat moment heeft de verzekeringnemer zelf geen voorwaardelijk recht meer op de uitkering.16 Daardoor komt aan hem daarna het recht van verzet niet meer toe.
De conclusie is derhalve dat de begunstigde derde die voorafgaand aan de verwezenlijking van het risico de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard, schuldeiser is in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt. Aan de verzekeringnemer komt dan het recht van verzet niet meer toe. Tot het moment dat de begunstigde derde de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard, is de verzekeringnemer de schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt. Indien de verzekeringnemer zichzelf heeft aangewezen als begunstigde van de levensverzekering,17 is hij de schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt.
Dat de begunstigde derde na aanvaarding van zijn aanwijzing zelf een (al dan niet voorwaardelijk) recht heeft op de uitkering en dat die uitkering niet afkomstig is uit het vermogen van de verzekeringnemer wordt overigens de “leer van het zelfstandig recht” genoemd. De derde-begunstigde heeft na aanvaarding van de begunstiging een zelfstandig recht op de uitkering die afkomstig is uit het vermogen van de verzekeraar. Hij heeft dit recht ook wanneer hij afstand zou doen van de huwelijksgemeenschap of de nalatenschap van de verzekeringnemer verwerpt.18
In het geval van levensverzekeringen die worden gesloten in verband met een pensioenovereenkomst zijn er ook begunstigden. In de praktijk worden dergelijke verzekeringen “collectieve verzekeringen”, “collectieve levensverzekeringen” of “pensioenverzekeringen” genoemd. De volgende vraag is dus wie bij dergelijke levensverzekeringen kan worden gekwalificeerd als schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt.
Ten aanzien van deze pensioenen die zijn “ondergebracht” bij een verzekeraar kunnen drie verschillende rechtsbetrekkingen worden onderscheiden (de “pensioendriehoek”):19
(1) de rechtsbetrekking tussen de werknemer en de werkgever (de pensioenovereenkomst),20
(2) de rechtsbetrekking tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder (de uitvoeringsovereenkomst21 of het uitvoeringsreglement),
(3) de rechtsbetrekking tussen de pensioenuitvoerder en de werknemer/deelnemer (het pensioenreglement)22.
De uitvoeringsovereenkomst is een verzekeringsovereenkomst.23 De werkgever is de verzekeringnemer. De werknemers van de werkgever worden beschouwd als begunstigden die hun begunstiging hebben aanvaard.24 Bij een pensioenverzekering wordt namelijk – kort gezegd – aangenomen dat de werknemer, door het sluiten van een pensioenovereenkomst met de werkgever, tevens (op hetzelfde tijdstip) de begunstiging in de verzekeringsovereenkomst aanvaardt.25
Op basis van de hierboven genoemde verzekeringsrechtelijke literatuur over levensverzekeringen kan men het standpunt verdedigen dat de deelnemer voor wat betreft zijn pensioenaanspraak een voorwaardelijk recht heeft jegens de levensverzekeraar. Ook in pensioenrechtelijke literatuur wordt wel aangenomen dat de pensioenaanspraak een voorwaardelijk recht is.26 Op basis van die aanname kan men stellen dat ook degenen met een pensioenaanspraak jegens de verzekeraar het recht van verzet hebben op grond van Boek 2 BW in geval van een juridische fusie of juridische splitsing van de levensverzekeraar die de uitvoerder is van hun pensioen. Degenen met een recht op een ingegaan pensioen27 hebben uiteraard ook het recht van verzet op grond van Boek 2 BW.28
Voordat ik hierna de opvatting dat sprake is van een toekomstige vordering bespreek, moet ik ook de opvatting van sommige verzekeringsrechtelijke schrijvers vermelden dat geen sprake is van een voorwaardelijke verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering, maar dat vanaf het begin van de verzekeringsovereenkomst de verplichting bestaat om risico te dragen.29 Deze schrijvers gaan dus niet uit van een voorwaardelijke verbintenis. In hun ogen rust op de verzekeraar de onvoorwaardelijke verbintenis om risico te dragen. Ik sluit me aan bij de opvatting van een aantal schrijvers dat dit een (meer) economische in plaats van een juridische benadering is.30 Ik heb er moeite mee om te zeggen dat iemand schuldeiser is van de verplichting van de verzekeraar om risico te dragen en dat de verzekeringnemer om die reden het recht van verzet heeft in de zin van de regeling van de juridische fusie en juridische splitsing.
Ten slotte nog de volgende opmerking. Op basis van het vorenstaande kan worden bepaald wie schuldeiser is van de verzekeraar. Ik interpreteer deze verzekeringsrechtelijke literatuur zo dat er een voorwaardelijke vordering op de gehele uitkering bestaat. Bij het instellen van verzet moet de schuldeiser ook aangeven welke waarborg hij verlangt. Ik denk dat men van mening kan verschillen over het antwoord op de vraag of vervolgens bij het bepalen van voor welk bedrag een waarborg verstrekt zou moeten worden er rekening mee moet worden gehouden of tegenover de vordering van de verzekeringnemer dat een bepaalde uitkering wordt gedaan nog vorderingen van de verzekeraar kunnen staan tot premiebetaling op bepaalde data. Men kan enerzijds stellen dat bij het bepalen van wat een voldoende waarborg is in het geval van de desbetreffende verzekering daar rekening mee moet worden gehouden waardoor – bij levensverzekeringen – in feite alleen een waarborg voor de opgebouwde waarde zou hoeven te worden gegeven. Anderzijds zou men juist het standpunt kunnen innemen dat er een recht bestaat op een waarborg ter hoogte van het bedrag van de uiteindelijke uitkering, omdat hij de waarborg mede verlangt om met vertrouwen verdere premiebetalingen te kunnen blijven doen. Gelet op alle nadelen die verbonden kunnen zijn aan het afkopen van de levensverzekering,31 zou ik menen dat het laatste standpunt zeer goed te verdedigen is.
Ten tweede enkele vermogensrechtelijke schrijvers
In enkele proefschriften over vermogensrechtelijke onderwerpen wordt ervan uitgegaan dat de verbintenis van de verzekeraar pas ontstaat op het moment dat het onzekere voorval plaatsvindt tegen de gevolgen waarvan de verzekering dekking biedt, dus op het moment dat het risico zich verwezenlijkt. In die visie is er voorafgaand aan dat moment dus nog geen sprake van een verbintenis onder opschortende voorwaarde. Met name Van Hees is in zijn proefschrift op dit punt heel stellig: “Het lijdt mijns inziens geen twijfel dat bijvoorbeeld een vordering uit een verzekeringsovereenkomst in beginsel als toekomstig moet worden aangemerkt. De vordering ontstaat eerst op het moment dat het verzekerde voorval zich voordoet, ongeacht of dit voorval “afkomstig” is van de verzekeringnemer. Ware dit anders, dan zou het sluiten van een verzekeringsovereenkomst een oneindig aantal voorwaardelijke vorderingen doen ontstaan.”32 Ook Schuijling geeft in zijn proefschrift aan dat hij meent dat de uitkeringsvordering uit een schadeverzekering moet worden gezien als een toekomstige vordering die eerst ontstaat bij het intreden van het onzekere voorval waartegen is verzekerd en het optreden van schade in het verzekerd belang.33 Rongen gaat er in zijn proefschrift van uit dat het recht op een verzekeringsuitkering mogelijk als een toekomstige vordering moet worden aangemerkt.34
Overigens zijn er andere schrijvers op het gebied van het vermogensrecht die er wel vanuit gaan dat de verzekeringnemer een voorwaardelijke vordering heeft. In het deel van de Asser-serie over Zekerheidsrechten wordt gesteld dat het “aannemelijk” is dat de opvatting dat de vordering als een toekomstige vordering moet worden aangemerkt “niet de juiste is” en dat de verbintenis van de verzekeraar wél als een verbintenis onder opschortende voorwaarde dient te worden gekwalificeerd.35 In de Groene Serie Vermogensrecht wordt gezegd dat uit Hoge Raad 19 april 2002 (Zürich/Lebosch)36 “(...) lijkt te kunnen worden afgeleid dat een vordering uit een schadeverzekeringsovereenkomst, ook wanneer de verzekerde schade nog niet is ingetreden een bestaande vordering is, zij het een vordering onder opschortende voorwaarde.”37
Als deze visie van Van Hees en Schuijling correct zou zijn (namelijk dat het recht op een verzekeringsuitkering in de fase totdat het risico zich heeft verwezenlijkt een toekomstige vordering is) en wij nemen dan vervolgens aan dat de visie van Koster en Roelofs de juiste is (namelijk dat voor toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen geen verzet kan worden ingesteld op grond van Boek 2 BW in geval van een juridische fusie of juridische splitsing) dan moet men concluderen dat de verzekeringnemer en/of de begunstigde die de begunstiging rechtsgeldig heeft aanvaard in deze fase nog géén verzetrecht heeft. De visie van Van Hees en Schuijling in combinatie met die van Koster en Roelofs brengt dus ook mee dat de deelnemer in de pensioenregeling in verband met zijn pensioenaanspraak niet in verzet kan komen tegen een juridische fusie of juridische splitsing.
Ten derde een tussenvariant
In een artikel in het WPNR heeft Van Boom een standpunt verdedigd dat als ik de hiervoor genoemde literatuur goed heb begrepen eigenlijk tussen die twee visies in ligt.38 Deze visie maakt het beantwoorden van de vraag wie een verzetrecht heeft op grond van Boek 2 BW in geval van een juridische fusie of splitsing van verzekeraars (nog) complexer. Van Boom verdedigt voor wat betreft schadeverzekeringen dat zodra de premie over een bepaald tijdvak is betaald er een voorwaardelijke vordering ontstaat tot betaling van de verzekeringspenningen met betrekking tot een in dat tijdvak eventueel te verwezenlijken risico. Met betrekking tot nog niet betaalde tijdvakken is er volgens hem sprake van een toekomstige vordering tot betaling van de penningen met grondslag in de verzekeringsovereenkomst.39 Met betrekking tot sommenverzekeringen geldt wat hem betreft “mutatis mutandis hetzelfde”: “Voorzover de verzekeringnemer aan zijn premieverplichting heeft voldaan, ontstaat er een voorwaardelijk vorderingsrecht op de verzekeraar.”
Ook bij een juridische auteur op het gebied van het pensioenrecht vond ik – voor wat betreft collectieve levensverzekeringen – deze visie. Tangelder stelt dat een pensioenvordering een bestaande vordering is onder opschortende voorwaarde nadat – en voor zover – aan de voorwaarden voor opbouw is voldaan. Volgens hem is de pensioenvordering relatief toekomstig (als tegenhanger van absoluut toekomstig) als er wel een bestaande rechtsverhouding is tussen de deelnemer en de pensioenuitvoerder waaruit deze kan ontstaan, maar de pensioenvordering is nog niet ontstaan doordat aan de voorwaarden voor opbouw nog niet is voldaan.40 Ruw gezegd beschouwt hij dus de pensioenvordering die nog opgebouwd zal gaan worden in de nog niet verstreken periode tot de pensioengerechtigde leeftijd als een relatief toekomstige vordering. Heemskerk sluit zich in zijn boek ‘Pensioenrecht’ bij deze visie aan.41
Ik noem deze visie een “tussenvariant” omdat ik de visie van de verzekeringsrechtelijke auteurs zo interpreteer dat er een voorwaardelijke vordering op de gehele uitkering bestaat (waarbij het in mijn ogen zo kan zijn dat vervolgens bij de bepaling van de waarborg in geval van verzet er al dan niet rekening mee kan worden gehouden dat de verzekeraar van zijn kant nog premievorderingen op de verzekeringnemer heeft), terwijl in deze visies een voorwaardelijk recht op een uitkering bestaat voor zover de verzekeringnemer jegens de verzekeraar aan zijn premieverplichting heeft voldaan. Deze visie heeft dan mijns inziens voor wat betreft levensverzekeringen in feite tot gevolg dat er sprake is van een voorwaardelijke vordering ter hoogte van het bedrag dat voor die verzekeringsuitkering is opgenomen in de technische voorzieningen van de verzekeraar voor zijn verzekeringsverplichtingen (zie mijn toelichting op de berekening van de technische voorzieningen hierna).
Als we dan uitgaan van de visie van Koster en Roelofs dat voor toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen geen verzet kan worden ingesteld op grond van art. 2:316 BW in geval van een juridische fusie en art. 2:334l juncto 2:334k BW in geval van een juridische splitsing, dan heeft in de visie van Van Boom een verzekeringnemer voordat het risico zich heeft verwezenlijkt nog geen verzetrecht als hij de premie voor het desbetreffende tijdvak nog niet zou hebben betaald en heeft hij een verzetrecht nadat hij de premie wel heeft betaald. In deze visie doorredenerend zou een verzekeringnemer die in verzet wil komen zekerheidshalve een bewijs van premiebetaling voor dat tijdvak moeten overleggen voordat wij kunnen aannemen dat hij schuldeiser is en dus gerechtigd om dat verzet op grond van Boek 2 BW aan te tekenen. Doorredenerend in de visie van Tangelder (en Heemskerk) kan de deelnemer in een pensioenregeling alleen in verzet komen en een zekerheidsstelling of andere waarborg van de pensioenverzekeraar verlangen voor de pensioenaanspraak die betrekking heeft op de periode waarin al aan de voorwaarden voor opbouw werd voldaan. Voor wat betreft het deel van de pensioenvordering dat nog opgebouwd zal gaan worden in de nog niet verstreken periode tot de pensioengerechtigde leeftijd kan de deelnemer in deze visie niet in verzet komen en dus geen waarborg verlangen.
Fase die start met verwezenlijking van het risico
Schadeverzekeringen
In verzekeringsrechtelijke literatuur wordt als “meer voor de hand liggende uitleg”42 aangenomen dat de vordering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst opeisbaar wordt door de verwezenlijking van het risico. Met name in de literatuur over verjaring en verval van de vordering tot uitkering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst zijn uiteenzettingen te vinden over opeisbaarheid.43 Het is immers voor het bepalen van het aanvangsmoment van de verjaringstermijn ook van belang om te bepalen of de vordering opeisbaar is geworden.44 Degene met een opeisbare vordering kwalificeert als schuldeiser van de verzekeraar in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW.
Bij schadeverzekeringen wordt degene die in geval van door hem geleden schade krachtens de verzekering recht heeft op vergoeding of door aanvaarding recht op vergoeding kan krijgen de verzekerde genoemd.45 De verzekerde kan na verwezenlijking van het risico dus gekwalificeerd worden als schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt.
Bij sommige verzekeringen kan het zelfs op grond van een specifieke wet zo zijn dat ook de benadeelde (dus: degene jegens wie de verzekerde een schadevergoeding verschuldigd is) een rechtstreeks vorderingsrecht heeft op de verzekeraar. Dat impliceert dat dan ook de benadeelde gekwalificeerd kan worden als schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW aan wie daardoor het recht van verzet toekomt. Met name bij aansprakelijkheidsverzekeringen voor een motorrijtuig heeft ook de wederpartij van de verzekerde een eigen recht jegens de verzekeraar op schadevergoeding. De Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is namelijk gericht op de bescherming van de rechten van slachtoffers die in het verkeer door een motorrijtuig (zoals een auto of motor) veroorzaakte schade lijden en bepaalt dat de benadeelde jegens de verzekeraar door wie de aansprakelijkheid is gedekt, een eigen recht heeft op schadevergoeding.46 Ook in enkele andere specifieke situaties kan er op grond van een specifieke wet sprake zijn van een rechtstreeks vorderingsrecht van de benadeelde.47 Het begrip “benadeelde” in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen wordt overigens ruim uitgelegd. Zo is ook de werkgever van een slachtoffer dat letsel heeft opgelopen als hij krachtens art. 6:107a BW een recht op schadevergoeding heeft een ‘benadeelde’ in de zin van art. 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen met een eigen recht jegens de verzekeraar van de verzekerde.4849 Specifiek voor aansprakelijkheidsverzekeringen is de vraag wie schuldeiser is zelfs nog iets complexer te beantwoorden. Bij aansprakelijkheidsverzekeringen wordt namelijk wel aangenomen dat er totdat de benadeelde van de verzekerde schadevergoeding vordert nog geen opeisbare vordering is. De gedachte is dan dat er nadat het risico zich heeft verwezenlijkt maar voordat de benadeelde tegenover de verzekerde aanspraak maakt op schadevergoeding sprake is van een voorwaardelijke, dus nog niet opeisbare, vordering van de verzekerde.50 Voor deze voorwaardelijke, nog niet opeisbare, vordering van de verzekerde geldt dan (zou ik zeggen) al hetgeen ik hierboven heb uiteengezet ten aanzien van de voorwaardelijke, nog niet opeisbare, vordering van de verzekeringnemer, namelijk dat degene met een voorwaardelijke vordering toch al schuldeiser is zoals bedoeld in de bepalingen over het verzetrecht op grond van Boek 2 BW in geval van juridische fusie en juridische splitsing. Na de verwezenlijking van het risico komt het verzetrecht bij aansprakelijkheidsverzekeringen dus mijns inziens toch al toe aan de verzekerde, ook al zou de benadeelde nog geen schadevergoeding hebben gevorderd.
De conclusie is derhalve dat na de verwezenlijking van het risico de verzekerde de schuldeiser is van de verzekeraar. Naast de verzekerde kan in specifieke gevallen (met name bij schade die verzekerd is op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen) ook de benadeelde als schuldeiser van de verzekeraar gekwalificeerd worden (de “tweede schuldeiser”). Bij schadeverzekeringen is dus na de verwezenlijking van het risico de verzekerde de schuldeiser zoals bedoeld in de bepalingen over het verzetrecht op grond van Boek 2 BW in geval van juridische fusie en juridische splitsing. In die specifieke gevallen waarbij de benadeelde een eigen recht heeft jegens de verzekeraar komt – behalve aan de verzekerde – ook aan die benadeelde het verzetrecht op grond van Boek 2 BW toe.
Na deze conclusie dringt zich vervolgens de vraag op of behalve aan de verzekerde (en in specifieke gevallen ook de benadeelde) ook aan de verzekeringnemer nog het recht van verzet toekomt. Men zou immers het standpunt kunnen verdedigen dat de verzekeringnemer ook na verwezenlijking van het risico nog steeds een voorwaardelijke vordering heeft jegens de verzekeraar, maar dan met betrekking tot uitkeringen in verband met andere verzekerde voorvallen die zich zouden kunnen voordoen. Ik denk dat men dat standpunt goed zou kunnen verdedigen. Het valt dus naar mijn mening goed te verdedigen dat bij schadeverzekeringen nadat het risico zich heeft verwezenlijkt ook de verzekeringnemer nog als schuldeiser kan worden gekwalificeerd (voor uitkeringen in verband met een ander risico dan zich nu heeft verwezenlijkt) en dat ook aan hem nog het verzetrecht toekomt.
Daarom concludeer ik hier ten slotte dat bij schadeverzekeringen in de fase dat het risico zich heeft verwezenlijkt de verzekerde en de benadeelde (maar alleen bij die verzekeringen waarbij de benadeelde een eigen recht heeft) als schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l BW juncto 2:334k BW gekwalificeerd kunnen worden. Hetzelfde kan verdedigd worden ten aanzien van de verzekeringnemer. Zij hebben het recht van verzet op grond van Boek 2 BW bij de juridische fusie en juridische splitsing van een schadeverzekeraar.
Levensverzekeringen
Bij levensverzekeringen wordt degene die tot het ontvangen van een uitkering is aangewezen aangeduid als de begunstigde.51 De verzekeringnemer kan door schriftelijke mededeling aan de verzekeraar zichzelf of, al dan niet naast zichzelf, één of meer derden als begunstigde aanwijzen.52
1. Als de verzekeringnemer een derde als begunstigde heeft aangewezen, komt na verwezenlijking van het risico en rechtsgeldige aanvaarding van de begunstiging het recht op uitkering toe aan die begunstigde derde.53 De aanwijzing van een derde kan niet meer worden herroepen indien die derde haar heeft aanvaard.54 Die begunstigde derde is dus zelf schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW. Aan hem komt dan het recht van verzet toe.
2. Dat brengt ons ook op de vraag aan wie het verzetrecht toekomt nadat het risico zich heeft verwezenlijkt, maar voordat de begunstigde derde de begunstiging heeft aanvaard (“wie is dan schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW?”).
Indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde, dan kan daarna de aanwijzing van de derde als begunstigde niet meer worden herroepen.55 De gedachte hierachter is uiteraard te voorkomen dat de rechtsopvolger van de verzekeringnemer na diens overlijden de begunstiging herroept of wijzigt. Ook als de uitkering om een andere reden opeisbaar is geworden, kan de aanwijzing van de derde als begunstigde niet meer worden herroepen.56 Het lijkt mij het meest voor de hand liggend aan te nemen dat de begunstigde derde die de begunstiging nog niet heeft aanvaard, door het onherroepelijk worden van de begunstiging, toch een voorwaardelijk recht krijgt op de uitkering (namelijk: onder de voorwaarde van aanvaarding).57 Door dit voorwaardelijke recht kan de begunstigde derde worden beschouwd als schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW, aan wie derhalve het recht van verzet toekomt in geval van juridische fusie of juridische splitsing.
3. Indien de verzekeringnemer zichzelf heeft aangewezen als begunstigde van de levensverzekering, is hij uiteraard de schuldeiser in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW. Ook in het geval dat het risico zich heeft verwezenlijkt, maar de verzekeringnemer de begunstiging van de begunstigde derde nog wél kan herroepen (omdat géén van de vier situaties vermeld in art. 7:968 BW van toepassing is),58 moeten we er van uitgaan dat de verzekeringnemer zelf recht op de uitkering heeft en dus de schuldeiser is in de zin van art. 2:316 BW en art. 2:334l juncto 2:334k BW. In deze gevallen heeft de verzekeringnemer dus zelf het recht van verzet in geval van fusie en splitsing.
Conclusie: wie is schuldeiser?
Na bestudering van de hiervoor genoemde vennootschapsrechtelijke, verzekeringsrechtelijke en vermogensrechtelijke literatuur ben ik tot de conclusie gekomen dat in geval van verzekeringsovereenkomsten het recht van verzet op grond van de regeling van de juridische fusie en juridische splitsing toekomt aan de personen zoals weergegeven in het hierna ingevoegde schema.
Schadeverzekeringen
Levensverzekeringen
Schuldeiser in de fase totdat het risico zich heeft verwezenlijkt
-de verzekeringnemer (*)
-de verzekeringnemer (*)
-de begunstigde derde in plaats van de verzekeringnemer, indien de begunstigde derde de begunstiging op rechtsgeldige wijze heeft aanvaard (*)
Schuldeiser in de fase die start met verwezenlijking van het risico
-de verzekerde
-de benadeelde (in het geval dat art. 6 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen van toepassing is en in enkele andere specifieke gevallen waarin er sprake is van een eigen recht van de benadeelde)
-de verzekeringnemer in verband met andere verzekerde voorvallen die zich nog zouden kunnen voordoen (*)
-de begunstigde derde waarvan de begunstiging op grond van art. 7:968 BW onherroepelijk is geworden
-de verzekeringnemer, tenzij er een begunstigde derde is waarvan de begunstiging op grond van art. 7:968 BW onherroepelijk is geworden
(*) tenzij men ervan uitgaat dat de visie van Van Hees en Schuijling correct zou zijn (namelijk dat het recht op een verzekeringsuitkering in de fase voordat het risico zich heeft verwezenlijkt een toekomstige vordering is) en wij nemen dan vervolgens aan dat de visie van Koster en Roelofs (namelijk dat voor toekomstige vorderingen uit bestaande rechtsverhoudingen geen verzet kan worden ingesteld op grond van art. 2:316 BW in geval van een juridische fusie en art. 2:334l juncto 2:334k BW in geval van een juridische splitsing) de juiste is, dan heeft deze persoon geen verzetrecht.