Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/6.7
6.7 Onderwijsraad: Advies Onderwijs en Europa/Europees burgerschap 2004
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977289:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerbrief van 24 december 2003, Kamerstukken II 2002/03, IB/2003/62723.
T. Eijsbouts, ’Quo vadis civis’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 360.
Onderwijsraad, Onderwijs en Europa: Europees burgerschap, Den Haag 2004, p. 35-38.
Ibid., p. 57-58.
R.H. Lauwaars, ´De zelfstandige betekenis van het Unieburgerschap´, in: A. van den Brink, e.a., Beginselen bouwen burgerschap, Den Haag: Boom JU 2011, p. 71-74; vgl. S. Prechal, Juridisch cement voor de Europese Unie, Groningen: Europa LP 2006, p. 28-29.
K.J.M. Mortelmans & H.G. Sevenster, ’Het burgerschap van de Unie: het spoor terug’, in: Van den Brink e.a. 2011, p. 57; Neios, Werkbladen Europa actueel, 2020, J. Hoekstra, ’Toekomst van Europa’, M & P 2021, 03, p. 18-19.
A.A.M. Schrauwen, Naar een waarlijk ‘fundamentele status’? Democratie & Europees Burgerschap na het Verdrag van Lissabon´, in: R.H. van Ooik & R.A. Wessel (red.), De Europese Unie na het Verdrag van Lissabon, Deventer: Kluwer 2009, p. 100 e.v.
Onderwijs en Europa: Europees burgerschap 2005, p. 10.
Lauwaars 2011, p. 69 e.v.
Ibid., p. 11; zie: Chr. Carabain e.a. 2012, p. 21-24.
Wijte 1977, p. 7.
Onderwijs en Europa 2005, p. 11.
K.J.M. Mortelmans & H.G. Sevenster, ’Het burgerschap van de Unie: het spoor terug’, in: Van den Brink e.a. 2011, p. 49 e.v.
Europees burgerschap (artikel 20-25 VWEU)
Op verzoek van minister Van der Hoeven brengt de Onderwijsraad in 2004 het advies Onderwijs en Europa: Europees burgerschap uit. In het kader van het EU-voorzitterschap staat bij de onderwijsministers in Rotterdam het Europees burgerschap in het onderwijs op de agenda.1 Onderwijs heeft in het Verdrag van Maastricht (1992) een plaats gekregen.2 De Onderwijsraad stelt voor de oriëntatie op het Europees burgerschap in het funderend onderwijs vanuit het staatsrechtelijk en maatschappelijk perspectief te versterken.
In Onderwijs en Europa: Europees burgerschap is het thema ‘Europa’ in de curricula en examenprogramma's geïnventariseerd.3 De resultaten leiden tot: (a) de versterking van het debat over de Europese identiteit en burgerschap en (b) de explicitering van de onderwijsdoelen voor Europees burgerschap.4 Dat laatste kan versterkt worden door een verdragsrechtelijke status te geven aan het Unieburgerschap (artikel 20-25 VWEU).5 Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon in 2009 is het EU-Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verbindend.6 Het is te duiden als een complementair burgerschap, als een aanvulling op het nationale burgerschap.7 De Europese rechten en plichten vullen de nationale rechten en plichten aan. ‘Burgerschap omvat’, aldus de Onderwijsraad, ‘een oriëntatie op het Europees maatschappelijk en staatsburgerschap, kennis van maatschappelijke en politieke Europese praktijken en de wil daaraan bij te dragen’.8
Europees staatsburgerschap
Voorts bevordert de Onderwijsraad dat scholen leerlingen voorbereiden op het Europees staatsburgerschap9 en op staatsburgerschap-ondersteunend maatschappelijk burgerschap, waarbij het onderwijs naast deze Europese dimensie een eigen formele, morele en emotionele waarde bezit.10 ‘Het is dan ook nodig om ons onderwijssysteem in te zetten voor de oriëntatie op Europa als een verplicht object van algemene vorming’, stelt de raad.11 Voor een orientatie op Europa is het onderwijssysteem geschikt voor vaardigheden als het leren van Europese talen om zich in Europa te kunnen bewegen. ‘Cruciaal is leerlingen een kritisch oordeel te laten aanmeten over integratie in Europa’.12 Hierover stelt de Onderwijsraad vast dat ‘Europa’ te weinig op het netvlies is om een dergelijk oordeel te realiseren.13