Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.5.5.2
5.2.5.5.2 Ondervraging is absoluut onmogelijk
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 januari 2009, appl.no. 14899/04 (dec.) (Babkin/Rusland), p. 6. Ten aanzien van deze getuige overwoog het EHRM niet specifiek of de autoriteiten een verwijt trof.
EHRM 9 december 2004, appl.no. 62936/00 (dec.) (Moiseyev/Rusland), p. 43. Het betrof hier weliswaar een ontlastende getuige, maar ik zie geen aanleiding om de in deze zaak genoemde reden niet ook voldoende te laten zijn ten aanzien van belastende getuigen.
Zie § 2.5.5.4, 2.7.2 en 2.8.
EHRM 16 november 2006, appl.no. 46503/99 (Klimentyev/Rusland), § 126.
EHRM 4 mei 2000, appl.no. 42965/98 (dec.) (Berisha/Nederland). Zie ook EHRM 16 november 2006, appl.no. 46503/99 (Klimentyev/Rusland), § 126 waarin de getuigen weigerden gevolg te geven aan een in het buitenland uitgebrachte dagvaarding, EHRM 3 februari 2005, appl.no. 31655/02 (Blum/Oostenrijk) § 11 en 33, waarin de getuige niet reageerde op vragen die de Oostenrijkse autoriteiten hem per post hadden gesteld, EHRM 3 februari 2009, appl.no. 36892/05 (dec.) (Baybasin/Duitsland), waarin de getuige weigerde mee te werken aan een verhoor per videoconferentie.
EHRM 20 april 1999, appl.no. 37193/97 (dec.) (Krempovskij/Rusland), p. 9.
ECRM 18 mei 1995, appl.no. 24384/94 (Van Reeswijk/Nederland).
Het is de getuige verboden het land te betreden
Wanneer het een getuige die zich in het buitenland bevindt, niet toegestaan is om de staat te betreden waar de strafrechtelijke procedure plaatsvindt, is het absoluut onmogelijk om een verhoor ter zitting te organiseren. In de zaak Babkin was een (niet-beslissende) getuige verbannen uit Rusland en was het hem daarom verboden Russisch grondgebied te betreden.1 In de zaak Moiseyev was de getuige een Zuid-Koreaanse diplomaat die persona non grata was verklaard. Het ehrm beschouwde dit in casu als een absolute onmogelijkheid om een ondervragingsgelegenheid te organiseren: ‘it is clear that the applicant, in insisting on calling Mr C., wasmaking a demand which it was materially impossible to satisfy’.2 In dit soort gevallen zou een verhoor via een videoverbinding overigens uitkomst kunnen bieden. Ik vermoed dat het ehrm tegenwoordig van de rechter zou verlangen dat hij onderzoekt of een verhoor op deze wijze mogelijk is.3
De getuige weigert medewerking
Wanneer een getuige weigert te verschijnen voor een verhoor, hebben de nationale autoriteiten geen dwangmiddelen ter beschikking om de getuige in het buitenland op andere gedachten te brengen.4 In de zaak Berisha was de getuige het slachtoffer van mensenhandel. Zij was tweemaal gedagvaard om als getuige te verschijnen in Nederland, maar had daaraan geen gevolg gegeven. Zij werd opgespoord in Slowakije, maar gaf te kennen dat zij absoluut niet bereid was te getuigen, omdat zij alles wat zij had meegemaakt zo snel mogelijk wilde vergeten. Het ehrm oordeelde dat de Nederlandse autoriteiten ‘were not negligent in their efforts to bring this witness either before the Court of Appeal or the investigating judge’.5 Weliswaar hadden de Nederlandse autoriteiten nog meer activiteiten kunnen ontplooien – bijvoorbeeld door de Slowaakse autoriteiten in te schakelen en, voor zover de getuige tot verschijning zou kunnen worden gedwongen, een verhoor ter plaatse te organiseren – maar vanwege de onbereidwilligheid van de getuige zou dat uiteindelijk geen effectieve ondervragingsgelegenheid hebben opgeleverd.
De getuige wordt verondersteld niet mee te willen werken
Alleen mogelijkheden die naar verwachting tot de daadwerkelijke ondervraging van de getuige zullen kunnen leiden, hoeven te worden benut. In de zaak Krempovskiy bevonden de getuigen zich in het buitenland, waardoor geen bevel tot medebrenging kon worden gegeven. Zij waren medeverdachten en zouden bij het afleggen van verklaringen zelf waarschijnlijk worden aangehouden als verdachten. Onder die omstandigheden leverde het uitblijven van een uitnodiging voor een ondervraging geen inbreuk op het recht op een eerlijk proces op.6 In de zaak Van Reeswijk was de getuige een informant die alleen onder een codenaam bekend was en zich waarschijnlijk in Duitsland bevond. De ecrm vond het een redelijke veronderstelling dat de getuige niet vrijwillig zou zijn verschenen in Nederland en dat de Duitse autoriteiten niet zouden hebben meegewerkt aan het ter beschikking stellen van de getuige in Nederland, aangezien (anonieme) Duitse politieambtenaren ook geen vragen wilden beantwoorden met betrekking tot de identiteit, de rol en het funtioneren van de informant. De ecrm overwoog: ‘The failure to call him as awitness cannot, therefore, be considered as unfair but merely reflects a factual impossibility.’7