Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/7.3.4
7.3.4 Betere tegenprestatie legitieme reden om af te breken?
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS298224:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overigens, en zulks ter relativering, zij hier opgemerkt dat slechts een verhoudingsgewijs gering percentage (respectievelijk 2% van de geënquêteerde advocaten en 5% van de geënquêteerde bedrijfsjuristen) bij de voorafgaande vraag hebben laten weten van mening te zijn dat de praktijk er het meest mee gediend zou zijn indien onderhandelingen al in een vroeg stadium niet meer eenzijdig zouden moeten kunnen worden afgebroken (behoudens zwaarwegende omstandigheden die niet in de risicosfeer van de afbrekende partij liggen). Dit betreft dus slechts een hele kleine groep (ruim 3% van de totaal geënquêteerden), zodat — minst genomen — de vraag gerechtvaardigd is of op basis van zulke kleine (absolute) aantallen (slechts 16 respondenten) überhaupt algemene conclusies kunnen worden getrokken. Ik laat dit punt derhalve verder rusten.
De respondenten die hadden aangegeven dat zij vinden dat onderhandelingen al in een vroeg stadium niet meer eenzijdig zouden moeten kunnen worden afgebroken tenzij daarvoor zwaarwegende omstandigheden bestaan die niet in de risicosfeer van de afbrekende partij mogen liggen (in totaal 3% van de respondenten) heeft vervolgens de vraag voorgelegd gekregen of zij van mening zijn dat het elders kunnen verkrijgen van een (substantieel) lagere prijs of anderszins betere tegenprestatie in dat verband een voldoende zwaarwegende omstandigheid oplevert.
Het antwoord op deze vraag laat een groot verschil zien tussen de advocaten en de bedrijfsjuristen. Van de bedrijfsjuristen die afbreken beperkt mogelijk achten is slechts 9,1% van mening dat het elders kunnen verkrijgen van — kort gezegd — een betere tegenprestatie een legitieme reden vormt om de onderhandelingen af te breken (tegen 90,9% die dat niet vindt), terwijl van de geënquêteerde advocaten maar liefst 66,7% vindt dat het kunnen verkrijgen van een betere tegenprestatie een legitieme reden vormt om de onderhandelingen af te breken (tegen 33,3% die dat niet vindt). Over het totaal genomen geeft 29,4% van de geënquêteerden aan dat het elders kunnen verkrijgen van een (substantieel) lagere prijs of anderszins betere tegenprestatie een voldoende zwaarwegende omstandigheid oplevert om onderhandelingen nog eenzijdig niet-schadeplichtig af te kunnen breken tegen 70,6% die dat niet vindt.
Grafisch weergegeven, leidt dit tot het volgende beeld:
U vindt dat onderhandelingen al in een vroeg stadium niet meer eenzijdig zouden moeten kunnen worden afgebroken, tenzij daarvoor zwaarwegende omstandigheden bestaan die niet in de risicosfeer liggen van de afbrekende partij. Vindt u dat het elders kunnen verkrijgen van een (substantieel) lagere prijs of anderszins betere tegenprestatie in dat verband een voldoende zwaarwegende omstandigheid oplevert?
Een vaste lijn in de jurisprudentie op dit punt is m.i. niet of nauwelijks waarneembaar. Daarmee rijst natuurlijk de vraag wat dit grote verschil tussen de beide beroepsgroepen zou kunnen verklaren. Wellicht dat de verklaring deels gezocht moet worden in de omstandigheid dat bedrijfsjuristen doorgaans opereren in een meer commercieel/juridisch getinte omgeving, terwijl advocaten eerder in een juridisch/commercieel getinte omgeving werkzaam zijn. In een eerder commercieel getinte omgeving zal mogelijk sneller, voor wat betreft commerciële kernafspraken als die omtrent de prijs, het adagium hebben te gelden: "een man een man, een woord een woord" zodat, indien over de prijs/de tegenprestatie eenmaal overeenstemming bestaat, daarop in beginsel niet zal kunnen worden teruggekomen. Dat betekent ook dat een betere tegenprestatie die elders zou kunnen worden verkregen, ook niet kan worden beschouwd als een omstandigheid die voldoende zwaarwegend is om een eenzijdig afbreken in het derde onderhandelingsstadium te kunnen rechtvaardigen. Deze gedachtegang doortrekkend, zou ook moeten worden aangenomen dat het in de loop van de onderhandelingen elders kunnen verkrijgen van de betere tegenprestatie niet kan worden gezien als een onvoorziene omstandigheid waaraan de Hoge Raad voor het eerst refereerde in het arrest De Ruijterij/MBO.1