Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/7.3.2:7.3.2 Biedt de vigerende jurisprudentie voldoende aanknopingspunten voor de praktijk?
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/7.3.2
7.3.2 Biedt de vigerende jurisprudentie voldoende aanknopingspunten voor de praktijk?
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS300662:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op een schaal met een scoringsmogelijkheid van 1 tot 7 (waarbij 1 staat voor "geheel mee eens" en 7 voor "geheel mee oneens") scoren de meeste respondenten een 3,65. Anders gezegd: Slechts 2% van de respondenten geeft aan het "geheel eens te zijn" met de stelling dat de vigerende jurisprudentie voldoende aanknopingspunten zou bieden. Slechts 52% van de respondenten geeft aan het met deze stelling tenminste eens te zijn terwijl 48% van de respondenten kiest voor de kwalificatie "neutraal" tot "geheel mee oneens". Bedenkend dat deze vraag uitsluitend is beantwoord door 454 respondenten die bij een eerdere vraag hebben aangegeven bekend te zijn met de jurisprudentie over het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen (85% van alle respondenten), wettigt dit de conclusie dat de vigerende jurisprudentie klaarblijkelijk onvoldoende handvatten biedt om vast te stellen of de onderhandelingen in een stadium zijn komen te verkeren
waarin het één van partijen niet langer vrij staat deze eenzijdig niet-schadeplichtig af te breken.
Grafisch weergegeven geeft dit het navolgende beeld:
Bent u — in grote lijnen — bekend met de jurisprudentie over het leerstuk van afgebroken onderhandelingen (recentelijk bijv. in het arrest JPO/CBB (HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467))?
De huidige jurisprudentie biedt voor mij voldoende aanknopingspunten om vast te stellen of het één van partijen vrij staat om de onderhandelingen eenzijdig af te breken zonder jegens de andere partij schadeplichtig te zijn.
Naar ik meen zal deze, m.i. relatief lage score, voor een belangrijk gedeelte samenhangen met het hoge casuïstische karakter dat de jurisprudentie op het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen, kenmerkt. Zoals uit de voorafgaande hoofdstukken (met name de hoofdstukken 2 en 3 van dit boek) naar voren komt, is lang niet altijd eenduidig vast te stellen of — kort gezegd — rechtens relevant vertrouwen in de goede afloop van de onderhandelingen (de totstandkoming van de overeenkomst (of, zo men wil: enigerlei vorm van overeenkomst van de soort) waarover partijen onderhandelden) op enig moment heeft postgevat, nog los van de complicatie dat, zoals uit hfdst. 3 van dit boek volgt, door tijdsverloop en/of bijzondere omstandigheden die zich voordoen, een eenmaal aangenomen rechtens relevant vertrouwen als hier bedoeld, ook weer kan verdwijnen. En daarbij moet het dan ook nog eens gaan om wat ik al eerder aanduidde als een "geobjectiveerd subjectief vertrouwen" wat, minst genomen, doorgaans tot een zeer zorgvuldige en volledige lezing van het procesdossier verplicht voordat men een goed beeld heeft van de onderliggende feiten. Het zou dan ook toe te juichen zijn indien de feitenrechter in de motivering van de uitspraken uitvoeriger tot uitdrukking zou brengen op welke concrete feiten en omstandigheden een eventueel aangenomen rechtens relevant vertrouwen in de totstandkoming van de overeenkomst waarover werd onderhandeld, wordt gestoeld. Niet zelden wordt ermee volstaan om te verwijzen naar (een samenvatting van) de feiten, wordt — althans na augustus 2005 de kernoverweging herhaald uit het arrest JPO/CBB1 om vervolgens vast te stellen dat rechtens relevant vertrouwen in de totstandkoming van de overeenkomst al dan niet aanwezig was en dat daarmee de onderhandelingen al dan niet gelegitimeerd zijn afgebroken. Dit alles onder het motto "grote stappen, snel thuis". De kernoverwegingen van de Hoge Raad en daarmee de aan te leggen normering zal in het algemeen bekend zijn; waar het om gaat is de concrete invulling daarvan en hoe concreter die door de rechtspraak wordt ingevuld, des te meer "vergelijkingsmateriaal" ten opzichte van een voorliggend geval beschikbaar komt en des te hanteerbaarder de jurisprudentie voor de praktijk wordt.