Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/2.7.1.1
2.7.1.1 Inhoud van het vennootschappelijk belang
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197827:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van opvattingen o.a. Eijsbouts & Kemp 2012, p. 127, Assink/Slagter 2013, p. 939-940 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/126. Zie ook het recent verschenen boek: B. Kemp, H. Koster & C.A. Schwarz (red.), De betekenis en functies van het vennootschappelijk belang, Deventer: Kluwer 2019. Ook bestaat een stroming in de literatuur die voor afschaffing van het vennootschappelijk belang is. Zie o.a. Eijsbouts & Kemp 2012, p. 128.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun). Zie hierover o.a. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/128.
Assink/Slagter 2013, p. 945 e.v., Verdam 2015, p. 432, Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/4 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/128 onder e.
Maeijer 1964, p. 6.
Althans, niet in letterlijke bewoordingen.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun). Zie Kemp 2015, p. 118 en Olaerts 2015, p. 60 die hieruit afleiden dat de Hoge Raad de holistische benadering kiest. Zie Mendel & Oostwouder 2013 die dit reeds aannemen op basis van eerder gewezen arresten zoals HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, NJ 2007/434 (ABN AMRO) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544 (ASMI). Zie anders De Haan in zijn annotatie (onder 4) bij HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:799, JOR 2014/290.
O.a. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/4, Schwarz 2018, p. 111 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun), r.o. 4.2.1.
Hoewel Maeijer niet expliciet van continuïteit van de vennootschap spreekt, geeft hij wel aan dat het behalen van winst het uiteindelijke doel van de vennootschap is, maar dat daarbij het voortbestaan van de vennootschap geen doel op zich is (zie Maeijer 1964, p. 6). Zie ook Kemp 2015, p. 111.
Eveneens Assink 2016a, p. 492 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/128 onder a.
Assink/Slagter 2013, p. 947 en Timmerman 2016, par. 1.4. Zie verder par. 6.5.1.
Zie Assink/Slagter 2013, p. 943 en Kemp 2015, p. 117.
Assink pleit ook voor een combinatie van de autonome opvatting en de resultante-opvatting. Hij geeft een aantal perspectieven die de robuustheid en flexibiliteit van het vennootschappelijk belang (met als uitgangspunt de autonome benadering) onderschrijven en het begrip concretiseren in bepaalde omstandigheden. Hij spreekt van een multidimensionaal karakter van deze benadering, wat juist het sterke punt is van de resultante-opvatting (Assink/Slagter 2013, p. 946-964). Zie verder uitgebreid Assink 2016, Assink 2016a en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/128.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun), r.o. 4.2.2. Zie overigens Schwarz 2018a, p. 144-145 die meent dat wanneer bestuurders geen bestuursautonomie hebben, zij geen eigenstandige taak en verantwoordelijkheid hebben.
Zie par. 2.2.3.
Eveneens Assink/Slagter 2013, p. 950. Kemp meent dat het vennootschappelijk belang als zelfstandig belang alsnog wordt gevormd door de belangen van alle stakeholders. Zie Kemp 2015, par. 3.13.6. Dit is mijns inziens niet af te leiden uit de Cancun-beschikking, eveneens zo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/128 onder a.
Jensen 2001, p. 17, Assink/Slagter 2013, p. 4 en Assink 2016, p. 472-473. Zie ook par. 2.2.3.1.
Assink 2016a, p. 496 en Schwarz 2018a, par. 1.1.
Uitzondering betreft de situatie dat het faillissement van de vennootschap onafwendbaar is.
Een vergelijkbare benadering is mijns inziens te volgen wanneer het gaat om een concern. Het bestendig succes zal doorgaans afgeleid zijn uit de concernstrategie. Zie Olaerts 2015, p. 62.
HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, NJ 2014/286 (Cancun), r.o. 4.2.1.
Eveneens Olaerts 2017, p. 636.
Zie hierover Assink/Slagter 2013, p. 940. Zo is in de meest recente Asser de resultante-opvatting verlaten, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127. Dit is eveneens gebeurd in de Van de BV en de NV, zie Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017/4.
O.a. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/126 onder c. Volgens Kemp 2015, p. 110 is dit de ‘zuivere’ resultante-opvatting. Kemp onderscheidt dit van een andere stroming binnen de resultante-opvatting, namelijk dat het vennootschappelijk belang de gemene deler van de deelbelangen van de stakeholders is.
Dit is weer een variant van de resultante-opvatting, zie ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/126 onder e. Zie Kemp 2015, p. 114 die van mening is dat de resultante-opvatting alleen ziet op de deelbelangen van de belanghebbenden en niet op abstracte deelbelangen zoals de continuïteit.
Assink/Slagter 2013, p. 942.
O.a. Mendel & Oostwouder 2013, p. 1968 en Kemp 2015, p. 111.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127. Wanneer een vennootschap reeds insolvent is, levert deze benadering van het vennootschappelijk belang overigens geen problemen op aangezien het belang van de gezamenlijke schuldeisers dan prevaleert.
Verschillende opvattingen bestaan over de inhoud van het vennootschappelijk belang. De twee hoofdopvattingen in de literatuur zijn de holistische of autonome opvatting en de resultante-opvatting.1 De Hoge Raad heeft met de Cancun-beschikking2 duidelijkheid gegeven over de inhoud van het vennootschappelijk belang: de holistische opvatting wordt gecombineerd met de resultante-opvatting.3 Het vennootschappelijk belang is met andere woorden een zelfstandige, maar niet vaststaande, grootheid, waarbij wel rekening moet worden gehouden met de belangen van stakeholders, waaronder de aandeelhouders. In deze paragraaf bespreek ik kort, in het licht van de Cancun-beschikking, de twee hoofdopvattingen, de verhouding tussen de opvattingen en op welke wijze de belangen van aandeelhouders daarbij een rol spelen.
Holistische of autonome opvatting
De holistische (ook wel autonome) opvatting is afkomstig van Maeijer die het begrip omschrijft als “het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.”4 Het belang van de vennootschap is autonoom en staat los van de belangen van de betrokkenen bij de vennootschap. Het vennootschappelijk belang is een zelfstandige grootheid. Het eigen belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming is in beginsel de continuïteit van de vennootschap en haar onderneming. De Hoge Raad lijkt5 zich met zijn Cancun-beschikking van 4 april 2014 aan te sluiten bij de autonome opvatting (aangevuld met de resultante-opvatting).6 Dit is ook de heersende mening in de literatuur.7 Allereerst stelt de Hoge Raad voorop dat de inhoud van het vennootschappelijk belang afhangt van de omstandigheden van het geval. De Hoge Raad vervolgt met te stellen dat het vennootschappelijk belang, indien een onderneming verbonden is aan de vennootschap, vooral wordt bepaald “door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.”8 ‘Vooral’, omdat het (voort)bestaan van de vennootschap geen doel op zich is.9 Dit komt in het bijzonder naar voren bij een vennootschap in financiële nood. Het vennootschappelijk belang valt niet meer samen met de continuïteit of het bestendig succes van de vennootschap wanneer een faillissement (insolventie) onafwendbaar is.10 Dan staan de belangen van schuldeisers voorop.11
De autonome opvatting zorgt voor een zekere constante benadering van het vennootschappelijk belang doordat begrippen zoals bestendig succes en continuïteit binnen vennootschappen objectiever en eenduidiger te identificeren zijn als gedragsnorm door bestuurders en commissarissen dan de belangen (en de afweging ervan) van de stakeholders van de vennootschap.12 Kritiek op de opvatting is dat te veel de focus wordt gelegd op de continuïteit en geen ruimte bestaat voor andere factoren. Deze kritiek is mijns inziens met de Cancun-beschikking aangepakt doordat de autonome opvatting wordt aangevuld (gecombineerd) met de hierna te bespreken resultante-opvatting (belangen van alle stakeholders meewegen in het vennootschappelijk belang).13 De Hoge Raad oordeelt namelijk:
“Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken.”
En voorts:
“Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.”14
De Cancun-beschikking sluit goed aan bij het stakeholder model dat Nederland kent.15 Succes op de lange termijn/bestendig succes kan immers niet worden bereikt zonder een goede relatie tussen de vennootschap en haar stakeholders.16
Wat betekent het voorgaande voor (de belangen van) aandeelhouders? Aandeelhouders profiteren van het bestendig succes van de onderneming. Zij zijn immers als residual claimants gebaat bij een succesvolle vennootschap. Indirect is waardecreatie voor de aandeelhouders, zoals reeds vermeld, een belangrijk onderdeel van de langetermijnwaardecreatie van de onderneming.17 Een langetermijnwaardecreatie van de onderneming kan echter niet worden bereikt wanneer de belangen van andere stakeholders worden veronachtzaamd. Bij kleine vennootschappen met weinig aandeelhouders kan het belang van de vennootschap grotendeels of geheel samenvallen met het belang van de aandeelhouders,18 maar het vennootschappelijk belang blijft een zelfstandige, maar niet vast vormgegeven, grootheid naast de belangen van stakeholders.19 Dit laatste blijkt ook uit de manier waarop de Hoge Raad ingaat op het feit dat Cancun een joint venture was. De Hoge Raad oordeelde dat, naast de hiervoor geciteerde algemene bewoordingen voor vennootschappen, het vennootschappelijk belang bij een joint venture voorts wordt bepaald door de aard en inhoud van de joint venture overeenkomst.20 Het vennootschappelijk belang kan (ook) gebaat zijn bij de continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders.21 Aandeelhouders kunnen het vennootschappelijk belang dus wel beïnvloeden.22
Resultante-opvatting
Voordat de Cancun-beschikking was gewezen, was de resultante-opvatting de heersende leer in de literatuur.23 In de resultante-opvatting wordt het vennootschappelijk belang beschouwd als de resultante van de afweging van de belangen van hen die bij de vennootschap zijn betrokken. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval prevaleert een belang, bijvoorbeeld het belang van aandeelhouders, schuldeisers of werknemers.24 Doorgaans hebben de stakeholders van een vennootschap belang bij de continuïteit/het bestendig succes van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. In die zin speelt ook bij de resultante-opvatting de continuïteit van de vennootschap een belangrijke rol. Wanneer de continuïteit als een deelbelang wordt gezien dat kan prevaleren boven andere deelbelangen, nadert de resultante-opvatting de hiervoor besproken autonome opvatting.25
De resultante-opvatting biedt meer flexibiliteit ten aanzien van de inhoud van het vennootschappelijk belang dan de autonome opvatting.26 Dit op het oog gewenste effect bemoeilijkt de belangenafweging voor het bestuur en de raad van commissarissen bij hun taakvervulling, aangezien de belangenafweging de ene keer anders uitvalt dan de andere.27 Het proces van de belangenafweging wordt versluierd omdat alle deelbelangen moeten worden afgewogen.28 De resultante-opvatting gecombineerd met de autonome opvatting, zoals is af te leiden uit de Cancun-beschikking, ondervangt deze kritiek grotendeels.