Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures
Einde inhoudsopgave
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.6:6.3.6 Belang waarop de commissie en leden zich moeten richten
Invloed van schuldeisers in insolventieprocedures (IVOR nr. 129) 2023/6.3.6
6.3.6 Belang waarop de commissie en leden zich moeten richten
Documentgegevens:
mr. H.J. de Kloe, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. H.J. de Kloe
- JCDI
JCDI:ADS708424:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Pannevis 2019, nr. 512.
Van der Feltz II 1896, p. 23.
Van der Feltz II 1896, p. 23.
Aldus ook Gispen & Van Gangelen 2008, p. 515-516.
De Leo 2021, nr. 405. Zie hierover verder paragraaf 6.3.8.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur wordt over het algemeen aangenomen dat de commissie zich moet richten op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers.1 Dat belang kan worden samengevat als het belang bij een zo hoog mogelijke boedelopbrengst en zo laag mogelijke faillissementskosten.2 De gedachte dat de commissie zich moet richten op het belang van de gezamenlijke schuldeisers wordt afgeleid uit de wetsgeschiedenis.3 Deze gedachte behoeft naar mijn mening enige nuancering. In de eerste plaats heb ik in hoofdstuk 2 en 3 uitgewerkt dat ook andere belangen dan het belang van de gezamenlijke schuldeisers een rol spelen bij de afwikkeling van het faillissement. Dit komt in de regeling over de schuldeiserscommissie naar voren doordat ook niet-schuldeisers zoals werknemers lid kunnen zijn van de commissie.
Een tweede nuancering is dat duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen de commissie als zodanig en de individuele leden van de commissie. In de wetsgeschiedenis staat namelijk niet dat de commissie zich moet richten naar het belang van de gezamenlijke schuldeisers, maar dat de benoeming van de commissie ter bevordering van de belangen van alle crediteuren moet strekken. Om die reden moet de commissie evenwichtig zijn samengesteld en niet alleen bestaan uit afgevaardigden van de grootste schuldeisers.4 De commissie moet dus zodanig zijn samengesteld dat zoveel mogelijk bij de boedel betrokken belangen een plaats hebben in de commissie. In zoverre is de commissie er in het belang van alle schuldeisers en andere betrokkenen.5
Individuele leden zijn niet gehouden zich uitsluitend te richten naar het boedelbelang. Een lid wordt immers benoemd ter behartiging van een specifiek belang. Op die manier kan de curator een beeld krijgen van alle belangen die spelen in het faillissement.6 Dit sluit aan bij het derde gezichtspunt uit hoofdstuk 2.3 dat inspraak van verschillende belanghebbenden een mogelijkheid is om hun belangen te erkennen en mee te wegen bij de afwikkeling van het faillissement. Zouden individuele leden zich uitsluitend moeten richten op het belang van de gezamenlijke schuldeisers, dan zou de samenstelling van de commissie nauwelijks relevant zijn. Individuele leden mogen zich dus laten leiden door het belang van de groep of het onderwerp waarvoor zij zijn aangesteld. Uiteraard is een zinvolle dialoog alleen mogelijk als leden bereid zijn andere belangen die in de commissie naar voren komen in ogenschouw te nemen en mee te wegen bij vervulling van hun taak als commissielid. Het is aan het lid zelf om dit vorm te geven. Belangrijk is wel dat een lid te goeder trouw acteert en zich niet laat leiden door zijn persoonlijke belang ten koste van de boedel en de belangen waarvoor het lid is aangesteld.7