Einde inhoudsopgave
Beperkte rechten op eigen goederen (O&R nr. 132) 2022/9.2.3
9.2.3 Vergelijking met art. 4:50 lid 3 en 5:83 BW
mr. R.J. ter Rele, datum 01-10-2021
- Datum
01-10-2021
- Auteur
mr. R.J. ter Rele
- JCDI
JCDI:ADS491195:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht / Testamenten
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht (V)
Erfrecht / Gevolgen erfopvolging
Voetnoten
Voetnoten
Zie §2.4.1, 2.4.2, 10.3 en 10.4.
Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 5, p. 1053-1054.
J.E. Jansen 2007, p. 95-96.
Vgl. art. 3:274 lid 4 BW; Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 840-841; Van Straaten 2016, p. 262. J.E. Jansen 2007, p. 96 noemt nog als mogelijk argument dat rechtsverkrijgers van een van de erven er mogelijk door kunnen worden ‘verrast’ dat een persoonlijk gebruiksrechtigde aanspraak maakt op de erfdienstbaarheid. Zij zullen mogelijk minder worden verrast als de erfdienstbaarheid ingeschreven staat in de openbare registers, aldus Jansen. Dit argument kan evenmin overtuigen. Persoonlijke gebruiksrechten kunnen niet worden ingeschreven in de openbare registers (art. 3:17 lid 2 BW). Als heersend en dienend erf in één hand zijn gekomen, dient men daarom steeds rekening ermee te houden dat een persoonlijk gebruiksgerechtigde aanspraak maakt op de erfdienstbaarheid. Daarvoor maakt het niet uit of de erfdienstbaarheid relatief of absoluut blijft voortbestaan.
96. In de art. 4:50 lid 3 en 5:83 BW is ervoor gekozen beperkte rechten op een eigen zaak absoluut te laten voortbestaan, in verband met respectievelijk een legaat en een persoonlijk gebruiksrecht.1 In de wetsgeschiedenis van art. 4:50 lid 3 BW wordt niet gemotiveerd, waarom is gekozen voor een absoluut voortbestaan in plaats van een relatief voortbestaan. Ten aanzien van art. 5:83 BW worden in de parlementaire geschiedenis de volgende argumenten gegeven voor het absolute voortbestaan. Het doel van de relatieve werking van art. 3:81 lid 3 BW, is dat beperkte rechten die rusten op het door vermenging tenietgaande beperkte recht, in stand blijven. Het doel van art. 5:83 BW is echter niet om persoonlijke gebruiksrechten op het heersende of dienende erf te laten voortbestaan, maar om de erfdienstbaarheid haar werking te laten behouden ten opzichte van de gebruiksgerechtigde. Om deze reden dient de erfdienstbaarheid kenbaar te blijven uit de openbare registers. Voorkomen moet worden dat de erfdienstbaarheid wordt doorgehaald (op grond van art. 3:28 BW), zo valt te lezen in de parlementaire geschiedenis.2 Deze argumenten kunnen niet overtuigen.3 Om de erfdienstbaarheid in stand te laten ten opzichte van de gebruiksgerechtigde, is het niet nodig het servituut absoluut te laten voortbestaan. Met een relatieve werking zou dat doel ook kunnen worden bereikt. Als de erfdienstbaarheid relatief zou blijven voortbestaan, dan zou deze evenmin kunnen worden doorgehaald, omdat nog belang bestaat bij het beperkte recht.4