Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.2.1
7.4.4.2.1 In het geheel geen (tijdige) aangifte
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940309:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 juni 2016, V-N 2016/34.8, BNB 2016/192, HR 25 oktober 2013, BNB 2013/252, HR 23 december 2003, BNB 2004/180. Zie ook de wettekst van art. 8 lid 1 AWR.
HR 28 maart 1979, BNB 1979/170, alsmede Koopman 1996, par. 5.3.3.1.
HR 14 april 2017, V-N 2017/20.13, BNB 2017/138. Zie voorts HR 8 juli 2016, V-N 2016/40.6, HR 9 oktober 2015, V-N 2015/51.4, BNB 2016/5, HR 2 maart 2007, V-N 2007/13.3, BNB 2007/191.
Voor wat betreft de vergrijpboete doel ik hier louter op de eisen voor het begaan van het kale beboetbare feit (en niet op de vereiste opzet). Zie hierover nader paragraaf 6.2.2, paragraaf 6.2.7 en paragraaf 9.3.3.2.
HR 23 december 1959, BNB 1960/26. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 7 mei 2010, V-N 2010/46.4.
Zie hierover ook: De Blieck e.a. 2009, p. 300 en – goed gemotiveerd – Scheltens (losbl.), p. 640-641, alsmede de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Hof Amsterdam 30 augustus 2016, V-N 2016/66.6, die terecht opmerkt dat de enkele vaststelling dat de aangifte te laat is ingediend, onvoldoende is.
Bevestigd in HR 28 juni 2016 (strafkamer), V-N 2016/36.4.
HR 2 maart 2007, V-N 2007/13.3, BNB 2007/191, HR 5 oktober 2018, V-N 2018/53.19, r.o. 2.4.3.
Het meest eenvoudige geval is aan de orde wanneer de bij de wet voorziene aangifte in het geheel niet is gedaan; in die situatie is de vereiste aangifte immers ook letterlijk ‘niet’ gedaan. Van essentieel belang hierbij is dat de belastingplichtige feitelijk moet zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte.1 Alleen dan is er sprake van een ‘vereiste’ aangifte. Het schenden van de op de belastingplichtige rustende wettelijke verplichting om te verzoeken om een uitnodiging tot het doen van aangifte,2 is geen omstandigheid die de omkering bewerkstelligt.3 Volgens art. 8 lid 1 AWR ontstaat immers pas door de uitnodiging zelf de verplichting om aangifte te doen.
Niet elke in het geheel niet gedane aangifte leidt per definitie tot het niet doen van de vereiste aangifte. Voor aanslagbelastingen heeft de Hoge Raad bepaald dat de belastingplichtige niet alleen moet zijn uitgenodigd, maar dat hem – na het uitblijven van een aangifte binnen de daarbij gestelde termijn – tevens een aanmaning moet zijn toegezonden, terwijl de daarin gestelde (nieuwe) termijn moet zijn verstreken.4 Aldus gelden vergelijkbare eisen als voor het kunnen opleggen van de verzuimboete ex art. 67a AWR (en de vergrijpboete ex art. 67d AWR).5
Ook een niet-tijdig ingediende aangifte betekent niet meteen dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Voor de aanslagbelastingen is bepalend, of de inspecteur bij het regelen van de aanslag nog redelijkerwijs rekening heeft kunnen houden met de (te laat ingediende) aangifte.6 Zo ja, dan is de te late indiening geen aanleiding om te concluderen dat de vereiste aangifte niet is gedaan.7 Van belang hierbij is dat het keerpunt is gelegd bij het vaststellen van de definitieve aanslag.8 Als de inspecteur bij het vaststellen van een navorderingsaanslag redelijkerwijs nog rekening had kunnen houden met de (bijvoorbeeld in de bezwaarfase tegen de definitieve aanslag) alsnog ingediende aangifte, geldt de omkering met betrekking tot die navorderingsaanslag wél gewoon.9