Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/6.4.2
6.4.2 Klachtbeding met specifieke termijn + rechtsverval (type Ib)
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973545:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een recent voorbeeld van een degelijke ‘rechttoe rechtaan’ toepassing van een contractueel klachtbeding Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2518; zie in die zin ook Rechtbank Gelderland 19 mei 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3584; A-G Valk in zijn conclusie vóór HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1778 (art. 81 RO), par. 2.17-2.18.
Rechtbank Den Haag 31 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:2157 (SNT/KPN) (kantoorgenoten van mij stonden KPN bij).
Idem, r.o. 4.18-4.20.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3423, r.o. 5.7.
Overigens met als voorwaarde dat indien na nadere bewijslevering door de koper vast komt te staan dat de partij witlofwortelen door besmetting met Phytophthora verloren is gegaan.
Hof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3423, r.o. 5.9-5.12.
Dit terwijl contracten veelvuldig termijnen bevatten waarvan de sanctie niet helder is gedefinieerd.
Rechtbank Gelderland 19 mei 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:3584.
Idem, r.o. 4.12-4.13.
Indien sprake is van een specifieke klachttermijn, bijvoorbeeld ‘veertien dagen na ontdekking van het gebrek’, dienen de gezichtspunten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW in beginsel buiten beschouwing te blijven bij de uitleg. De tekst van het beding is voor de bepaling van de lengte van de termijn voldoende duidelijk en zou leidend moeten zijn.1
Ten aanzien van de toepassing van het beding merkte ik in par. 6.3 al op dat ik, anders dan Hijma, ook geen voorstander ben van een ‘laagdrempelige’ toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Daaronder versta ik meer in het bijzonder dat de vraag of de schuldenaar nadeel heeft geleden als gevolg van het tijdstip van de klacht als enige omstandigheid tot toepassing daarvan leidt. Aan de hand van een tweetal voorbeelden uit de rechtspraak illustreer ik wanneer toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid wel of niet aanvaardbaar is.
In het vonnis van Rechtbank Den Haag van 31 januari 2018 ging het om een aantal claims van de kopende partij, SNT, jegens de verkoper KPN ten aanzien van een bedrijfsovername.2 Over schending van door KPN afgegeven garanties moet op grond van het klachtbeding in de koopovereenkomst binnen 30 dagen na ontdekking worden geklaagd, met als sanctie rechtsverval. SNT stelt een drietal vorderingen jegens KPN in. De derde vordering is gegrond op schending van een balansgarantie. De rechtbank overweegt dat SNT daarover tijdig heeft geklaagd. Ten aanzien van vordering 1 (met betrekking tot het sluiten van een bepaald bedrijfsonderdeel door de verkoper) en 2 (SNT is geen toegang verschaft tot een bepaald bedrijfsonderdeel), laat de rechtbank het klachtbeding op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid buiten toepassing. De rechtbank legt daaraan ten grondslag dat de schuldenaar geen nadeel zou hebben ondervonden als gevolg van de ontijdige klacht.3
Op deze oordeelsvorming valt wat af te dingen. De rechtbank stelt namelijk vast dat SNT reeds een jaar bekend was met de voor de eerste twee verwijten relevante feiten, de klachttermijn pas een aanvang neemt na daadwerkelijke bekendheid met die feiten (en dus niet na een behoren te weten) en beide partijen met juridische bijstand over het contract, waar het klachtbeding onderdeel van uitmaakte, hebben onderhandeld. De rechtbank stelt ook geen omstandigheden vast die mee zouden brengen dat SNT eerder niet in staat was geweest om te klagen. Bij die stand van zaken is toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, alleen omdat de schuldenaar geen nadeel zou hebben ondervonden als gevolg van het tijdstip van de klacht, te voortvarend. Op die manier wordt de contractsvrijheid van partijen te gemakkelijk ingeperkt door een, in de woorden van Hijma, ‘laagdrempelige’ toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, ingevuld door het nadeelvereiste van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW.
In het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden van 12 mei 2015 ging het om de levering van een partij witlofwortelen. In de toepasselijke algemene voorwaarden stond een klachtbeding met betrekking tot inwendige gebreken van de geleverde waar. Het beding stipuleert een klachttermijn van acht weken na aflevering, maar geen sanctie op overschrijding van de genoemde termijn.
Het hof wijdt bij de uitleg van het beding geen woord aan de mogelijke sanctie en ook niet aan de vraag of partijen hebben beoogd art. 7:23 lid 1 BW in te vullen, of ervan af te wijken.4 Vervolgens stelt het hof vast dat de klachttermijn in dit geval op 21 december 2011 zou verstrijken. Eerst op 19 december 2011 ontdekte de koper dat de partij witlofwortelen was besmet met de schimmel Phytophthora. Op 22 december 2011, één dag na het verstrijken van de termijn, constateren de koper en het door hem ingeschakelde onderzoeksbedrijf dat de aantasting ernstiger is dan aanvankelijk gedacht. Op die dag stuurt de koper een ingebrekestelling aan de verkoper. De koper vordert vervolgens in rechte schadevergoeding van de verkoper. De verkoper beroept zich op het verstrijken van de klachttermijn.
Het hof meent dat het beroep van de verkoper op de klachttermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.5 Het hof maakt uit het partijdebat op dat besmetting met de schimmel bij de teler (in dit geval niet de koper) is geschied en dat de koper direct na ontdekking van de besmetting, twee dagen voor ommekomst van de termijn, een onderzoek heeft ingesteld. Drie dagen later is de verkoper geïnformeerd. Tot slot overweegt het hof dat niet is gebleken dat de verkoper als gevolg van de overschrijding van de termijn met één dag in zijn bewijspositie is benadeeld.6
Deze motivering is beter te volgen dan de hiervoor besproken uitspraak van Rechtbank Den Haag. Niettemin permitteer ik mij enkele kritische kanttekeningen. Het valt op dat het hof niet is ingegaan op de vraag wat de sanctie van het klachtbeding zou moeten zijn, terwijl het zich evenmin heeft afgevraagd of partijen wat de sanctie betreft hebben bedoeld het regelende recht (art. 7:23 lid 1 BW) van toepassing te laten.7 Mogelijk stond tussen partijen niet ter discussie dat de koper bij overschrijding van de termijn ‘zijn claim kwijt zou zijn’ (rechtsverval dus) en is dat de reden dat het hof hier geen aandacht aan besteedt. Als dat hier zo was, komt het mij niet onredelijk voor dat het hof de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid toepast. Het hof acht in dat kader vooral van belang dat het gebrek pas twee dagen voor ommekomst van de termijn werd ontdekt en de koper vervolgens snel heeft gehandeld.
De vraag of de schuldenaar als gevolg van het tijdstip van de klacht nadeel heeft geleden, kan op zich een rol spelen bij de vraag of toepassing van het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het zou in dit verband echter niet de enige factor mogen zijn. Nadeel is noodzakelijk, maar niet voldoende. Daarmee zou de contractsvrijheid van partijen te veel worden aangetast. Zij hebben immers zelf een specifieke klachttermijn met de sanctie rechtsverval in hun overeenkomst opgenomen. Overschrijding van die termijn dient dan als uitgangspunt toepassing van het klachtbeding tot gevolg te hebben, ongeacht de vraag of de schuldenaar door het tijdstip van de klacht nadeel heeft. Dat geldt temeer indien sprake is van professionele partijen die met juridische bijstand over het contract hebben onderhandeld. Daarnaast is van belang hoelang de schuldeiser met het betreffende gebrek bekend was of kon worden geacht (afhankelijk van de redactie van het betreffende beding) voordat hij klaagde. Voorts is relevant de vraag of omstandigheden voorhanden zijn die met zich brengen dat de schuldeiser wel of niet eerder had kunnen klagen dan hij heeft gedaan en voor wiens risico deze omstandigheden komen.
Een laatste voorbeeld van een succesvol beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid met betrekking tot het beroep van de schuldenaar op een klachtbeding biedt het vonnis van Rechtbank Gelderland van 19 mei 2021.8 Het gaat om een klachtbeding met een termijn van 24 of 48 uur in de standaardvoorwaarden van de Vereniging van Nederlandse Koel- en Vrieshuizen, de Nekovri-voorwaarden. De schuldeiser klaagt buiten deze termijn, namelijk na negen dagen (eerste klacht), drie dagen (tweede klacht) en zelfs drie weken (derde klacht) na ontdekking van vervuiling in het door schuldeiser geproduceerde en door schuldenaar opgeslagen en vervoerde sinaasappelsap. De schuldenaar beroept zich na ontvangst van de klacht evenwel niet direct op deze termijn, waaruit de rechtbank afleidt dat zij kennelijk begreep dat het voor de schuldeiser lastig was om tijdig te klagen. In plaats daarvan heeft de schuldenaar samen met de schuldeiser geprobeerd de oorzaak van het gebrek te achterhalen, waarin veel tijd en geld is gaan zitten. Daarmee heeft zij zich op een manier gedragen die zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet verdraagt met het vervolgens geldend maken van een beroep op het klachtbeding, aldus de rechtbank, die daarbij ook nog in aanmerking neemt dat de schuldenaar ter zitting heeft verklaard als gevolg van het tijdstip van de klachten geen nadeel te hebben ondervonden.9
De rechtbank neemt hier dus in feite rechtsverwerking aan ter zake van het beroep van de schuldenaar op het klachtbeding. Dat oordeel acht ik in de door de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden goed te volgen: hier heeft de schuldenaar door zijn coöperatieve houding na ontvangst van de klachten van de schuldeiser duidelijk de indruk gewekt van het tijdstip van de klacht geen punt te zullen maken, terwijl vast is komen te staan dat de schuldenaar als gevolg van het tijdsverloop ook geen nadeel heeft ondervonden.