Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/2.6.2.3
2.6.2.3 Europese vrijverkeersbepalingen
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193576:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Terra en Wattel (2012), p. 4.
Adema (2009), p. 18 en 19.
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 18 juni 2009, C-303/07, ECLI:EU:C:2009:377 (Aberdeen); HvJ EU 10 mei 2012, C-338/11, ECLI:EU:C:2012:286, NTFR 2012/1372, m.nt. E. Nijkeuter (Santander); HvJ EU 21 juni 2018, C-480/16, ECLI:EU:C:2018:480, FED 2018/144, m.nt. mr. dr. J.J. van den Broek (Fidelity Funds e.a.).
Zie hierover ook bijvoorbeeld HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1128.
In Nederland speelt bijvoorbeeld de discussie of Nederland wel onderscheid mag maken tussen een FBI en een buitenlandse icbe met betrekking tot de teruggave van de Nederlandse dividendbelasting. Hier zijn reeds prejudiciële vragen over gesteld. Zie HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:342 en HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:346.
De bronbelasting is een directe belasting. Directe belastingen zijn in Europa veel minder sterk geharmoniseerd dan indirecte belastingen. De lidstaten hebben op dat gebied hun soevereiniteit behouden.1 Bij het uitoefenen van deze soevereiniteit dienen lidstaten wel rekening te houden met de vrijverkeersbepalingen die voortvloeien uit het primaire EU-recht. Deze zijn opgenomen in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU). De fiscale behandeling mag geen consequenties hebben voor bijvoorbeeld de vrijheid van kapitaal (art. 63 VwEU) of op de vrijheid van vestiging (art. 49 VwEU).2 In diverse arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de lijn gehanteerd dat dividenden niet fiscaal verschillend behandeld mogen worden naargelang de plaats waar de icbe’s zijn gevestigd.3 Dit kan immers enerzijds de niet-ingezeten icbe’s ervan doen afzien te beleggen in vennootschappen die in een bepaalde lidstaat zijn gevestigd, anderzijds kan dit de in die lidstaat wonende beleggers ervan doen afzien rechten van deelneming te verwerven in niet-ingezeten icbe’s.
Dit leidt tot enige harmonisering. Als in lidstaat A de icbe’s uit die lidstaat geen bronbelasting hoeven te betalen, hoeven icbe’s uit lidstaat B die objectief vergelijkbaar zijn dat ook niet. Dit harmoniseert de fiscale behandeling van icbe’s ten aanzien van de ingehouden bronbelasting uit een bepaalde lidstaat. Uiteraard harmoniseert dit de fiscale behandeling van icbe’s niet volledig. Om van dezelfde fiscale bepalingen gebruik te mogen maken moeten icbe’s immers wel objectief vergelijkbaar zijn.4 Dat wil zeggen dat een icbe die gevestigd is in een andere lidstaat, moet voldoen aan de voorwaarden van de fiscale voorzieningen onder de fictie dat hij in dezelfde lidstaat gevestigd was geweest. Als hij dat niet doet, kan hij er geen aanspraak op maken. Per lidstaat waarin bronbelasting is ingehouden moet hierop getoetst worden.5 Bovendien heeft dit geen effect op bronbelasting die wordt ingehouden buiten de Europese Unie.