Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.5
7.5 Rechtskarakter van certificering
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232717:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Deze stichting heet doorgaans ‘Stichting Administratiekantoor …’. Eenvoudshalve duid ik het administratiekantoor derhalve in beginsel aan als STAK. Het is overigens niet noodzakelijk dat het administratiekantoor een stichting is, zie nader paragraaf 7.8.1.
Het lijkt mij denkbaar dat een ander belang prevaleert, bijvoorbeeld in het geval dat de certificering (mede) ten doel heeft om de continuïteit van de onderneming van een vennootschap, waarvan de aandelen gecertificeerd zijn, te waarborgen. Een dergelijk (neven)doel kan dan mijns inziens onder omstandigheden zwaarder wegen dan het (bijvoorbeeld economische) belang van de certificaathouder. Zie nader paragraaf 7.8.2.
Zie bijvoorbeeld Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/661.
Onder decertificering versta ik het op welke wijze dan ook beëindigen van de beheersovereenkomst tussen de uitgever en houder van certificaten. De mate van royeerbaarheid bepaalt in hoeverre de certificaathouder bevoegd is om van het stichtingsbestuur te verlangen dat dit certificaten omwisselt tegen gedecertificeerde goederen (terminologie ontleend aan Van den Ingh, dissertatie 1991, pagina 78 en 82). Zie voorts hierover nader paragraaf 7.7.2.
Vergelijk ook Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II*, 2009/658.
Certificering is kort gezegd een overeenkomst, waarbij de ene partij een goed overdraagt aan de andere partij ten titel van beheer, waartegen de beheerder certificaten uitreikt. De beheerder is doorgaans een stichting.1 Deze STAK is juridisch eigenaar van de desbetreffende goederen, maar houdt deze voor rekening en risico van de certificaathouder, welke in economische zin gerechtigd is tot de goederen. De STAK dient haar eigendomsrecht in beginsel2 uit te oefenen in het belang van de certificaathouder. Het certificaat belichaamt hierbij het vorderingsrecht dat de certificaathouder te dier zake heeft op de STAK, welk vorderingsrecht voortvloeit uit de tussen hen geldende beheersovereenkomst (waarvan onder andere de administratievoorwaarden deel uitmaken).3 Aangezien certificering een niet in de wet geregelde overeenkomst betreft, kan deze in belangrijke mate worden vormgegeven door partijen in hun administratievoorwaarden. Waar het gaat om het langdurig in stand houden van de certificering, kunnen hierin bijvoorbeeld afspraken worden vastgelegd die de royeerbaarheid van de certificaten en mogelijkheid tot decertificering4 beperken.
Certificering is een wederkerige overeenkomst. Aan de ene kant is er de verplichting zijdens de (beoogde) certificaathouder om goederen over te dragen ten titel van beheer, aan de andere kant is er de voortdurende verplichting van de STAK om deze goederen voor rekening en risico van de certificaathouder te beheren en de opbrengsten daarvan aan de certificaathouder te doen toekomen.5 De STAK is na overdracht van de goederen eigenaar en bezitter hiervan, maar zij hoeft niet tevens de houder te zijn. Indien gebruiksgoederen gecertificeerd worden en er slechts een of enkele certificaathouders zijn, dan kunnen deze goederen in de macht van de certificaathouder blijven, zodat deze er gebruik van kan (blijven) maken. Een voorbeeld is het gecertificeerde schilderij, dat bij de certificaathouder aan de muur blijft hangen.
Certificering is voorts een rechtsfiguur waaraan veel gerefereerd wordt, maar die relatief weinig gedefinieerd wordt. In de literatuur bestaan ook verschillende opvattingen over wat voor soort overeenkomst certificering precies is. Sommige auteurs zijn van mening dat er sprake is van een overeenkomst sui generis, terwijl anderen bijvoorbeeld verdedigen dat er sprake zou zijn van een overeenkomst van opdracht of een vergelijking maken met een bewind. In het navolgende wordt ingegaan op verschillende in de wet geregelde figuren, zoals de overeenkomst van opdracht en de maatschap, die parallellen met certificering vertonen en wordt onderzocht in hoeverre de wettelijke bepalingen die deze figuren regelen van toepassing kunnen zijn op certificering. De relevantie hiervan voor mijn onderzoek is onder meer dat, indien dergelijke wettelijke bepalingen ook zouden gelden voor certificering, dit kan betekenen dat de houder van niet- of beperkt royeerbare certificaten (aanvullende) mogelijkheden heeft tot het beëindigen van de certificering zonder medewerking van de STAK. Nadat ik ben ingegaan op de aard van de certificeringsovereenkomst, zal ik een definitie van certificering formuleren.
Certificering kan voor uiteenlopende doelen in het leven geroepen worden, zoals geïllustreerd door de historische beschrijving hiervoor. Mijn uitgangspunt is certificering in het kader van vermogensbescherming, oftewel certificering met als doel om de zeggenschap over en het economische belang bij vermogen duurzaam van elkaar te scheiden. Aangezien dit een doelstelling is die in beginsel speelt in familiecontext, zal ik hierna eenvoudshalve ook spreken van “familiale certificering”. De juridische kwalificatie waar de analyse in deze paragraaf betrekking op heeft, zal dan ook primair gemaakt worden tegen de achtergrond van de kenmerken die een dergelijke familiale certificering doorgaans heeft, of zelfs moet hebben, om een duurzame scheiding van zeggenschap en economisch belang te kunnen bewerkstelligen. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de reeds genoemde beperkingen in de royeerbaarheid van de certificaten.
7.5.1 Opdracht7.5.2 Lastgeving7.5.3 Overeenkomstige toepassing lastgevingsbepalingen7.5.4 Bewind7.5.5 Maatschap7.5.6 Conclusie: overeenkomst sui generis