Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.8.2
1.8.2 Nederlandse financiële sector
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268478:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Hoofdstuk 1, par. 1.10.
Zie de definities van “financiële sector” van de OESO (https://stats.oecd.org/glossary/detail.asp?ID=6815) met verwijzing naar https://www.investopedia.com/terms/f/financial_sector.asp en https://www.investopedia.com/terms/f/financialinstitution.asp.
De trustsector staat sinds 2004 onder toezicht van DNB. Doel van de regulering van trustkantoren is de bescherming van de integriteit van de financiële markten (Kamerstukken II, 2017/18, 34 910, nr. 3, p. 2). Tegen deze achtergrond worden de trustkantoren in dit proefschrift onder de financiële sector begrepen, al zou ook een andere lijn kunnen worden gevolgd.
(Beroeps-)pensioenfondsen worden soms ook, gezien het sociale karakter van het pensioenproduct, buiten de financiële sector geplaatst. De wetgeving voor (beroeps-)pensioenfondsen wordt niet voor niets door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en niet door het Ministerie van Financiën voorbereid. Het Europese Financieel Actieplan (Europese Commissie, 'Implementing the framework for financial markets: action plan, COM(1999) 232 final,” 11 mei 1999) plaatst de pensioenfondsen echter onder het Actieplan financiële diensten. In lijn hiermee en gezien de directe en vaak aanzienlijke gevolgen van zowel het sparen voor als het uitkeren van pensioenen op de financiële positie van consumenten, worden de (beroeps-)pensioenfondsen in deze studie tot de financiële sector gerekend.
Aanbieders van wisseldiensten tussen virtuele en fiduciaire valuta en van bewaarportemonnees (“crypodienstverleners”) zijn onder toezicht geplaatst van DNB, onder meer omdat dit toezicht past bij het integriteitstoezicht dat DNB reeds uitoefent bij banken, de meeste financiële instellingen, trustkantoren en wisselinstellingen en omdat de risico’s bij crypodienstverleners zich vooral zullen manifesteren op het moment dat virtuele valuta, al dan niet via omzetting naar fiduciaire valuta, het financiële stelsel binnen komen. Ook bieden sommige van de instellingen die onder het integriteitstoezicht van DNB staan reeds activiteiten aan met virtuele valuta (Kamerstukken II, 2018/19, 35 245, nr. 3, p. 12). Tegen deze achtergrond worden in dit proefschrift ook de cryptodienstverleners onder de financiële sector geschaard, al kan ook hierover van mening worden verschild.
Dit is in lijn met de indeling van de Europese Commissie, vergelijk Europese Commissie, “Witboek beleid op het gebied van financiële diensten 2005-2010, SEC 2005, 1574, COM(2005) 629 definitief,” Brussel, 1 december 2005, p. 13-17, het Financieel Actieplan (FSAP) van 11 mei 1999 (Europese Commissie, 'Implementing the framework for financial markets: action plan, COM(1999) 232 final”), en Europese Commissie, “Mededeling aan de Europese Voorjaarsraad. Op weg naar Europees herstel,” Brussel, 4 maart 2009, COM (2009), 114 def, Deel I, p 5/6.
Vergelijk de verschillende vergunning- en registratievoorwaarden en de daarin gebruikte terminologie (zoals “in Nederland” of “met zetel in Nederland”). Personentoetsingen zijn voorts van toepassing op bepaalde in Nederland gelegen bijkantoren, zie voor een overzicht Tabel 2.1.
Accountantsorganisaties richten zich, net als bijvoorbeeld advocaten en fiscalisten, bij hun dienstverlening niet specifiek op de financiële markten of op financiële diensten of producten en worden in deze studie niet beschouwd als financiële instellingen. In de genoemde Europese (actie-)plannen op het gebied van financiële diensten wordt de accountantssector niet genoemd. Accountantsorganisaties worden in deze studie dan ook niet tot de financiële sector gerekend. Aangetekend zij dat ook een andere indeling zou kunnen worden gevolgd. Zo spreekt de memorie van toelichting over “de integriteit van de personen en instellingen die actief zijn op de financiële markten” (Kamerstukken II, 2003/04, 29 658, nr. 3, p. 57). Anderzijds wordt in diezelfde toelichting slechts gesproken van “raakvlakken” tussen toezicht op accountantsorganisaties en het gedragstoezicht op financiële markten (Kamerstukken II, 2003/04, 29 658, nr. 3, p. 15). 3.
Art. 15, eerste lid Wta en 5, eerste lid, Besluit toezicht accountantsorganisaties en Beleidsregel 06-01 inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van accountantsorganisaties.
Accountantsorganisaties die organisaties van openbaar belang (OOB’s) controleren. OOB’s zijn ondernemingen of instellingen wier omvang of functie in het maatschappelijk verkeer van zodanige aard is dat een ondeugdelijk uitgevoerde wettelijke controle van de financiële verantwoording een aanmerkelijke invloed kan hebben op het vertrouwen in de publieke functie van de accountantsverklaring (art. 1, eerste lid, onderdeel l en 2 Wta).
Art. 16, derde, vierde en vijfde lid Wta, 5, tweede, derde en vierde lid Besluit toezicht accountantsorganisaties en Beleidsregel Geschiktheid Wta van 1 november 2017 (Stcrt. 2018, 34515).
Zo verwijst de memorie van toelichting naar het betrouwbaarheidsregime in de financiële sector, zoals destijds neergelegd in de Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing (zie Kamerstukken II, 2003/04, 29 658, nr. 3, p. 49), en volgt de Beleidsregel Geschiktheid Wta dezelfde systematiek als de Beleidsregel Geschiktheid zoals deze in de financiële sector van toepassing is.
Commissie Kaderstelling en Toezicht Woningcorporaties, Kamerstukken II, 2012/13, 29 453, nr. 286.
Kamerstukken II, 2014/15, 33 606, nr. 4, p. 34-35 en R.J. Hoekstra, L.H. Hoogduin & J. van der Schaar, Eindrapportage Commissie Kaderstelling en Toezicht Woningcorporaties, 17 december 2012, p. 5, 37, 41 en 42, bijlage bij Kamerstukken II, 2012/13, 29 453, nr. 286.
Motie van Agema en Gerbrands van 14 december 2017, Kamerstukken II, 2017/18, 34 775 XVI, nr. 56 en Motie van Gerbrands van 5 juni 2012, Kamerstukken II, 2011/12, 31 016, nr. 30.
Art. 3 Wet Bibob. Zie voorts: Landelijk Bureau Bibob, “Leidraad voor de gevaarsbeoordeling op grond van de Wet Bibob”, augustus 2020 (https://www.justis.nl/producten/bibob/documenten/index.aspx).
Het betreft de wettelijke mogelijkheden om strafrechtelijke en politiegegevens van de betrokkene op te vragen en in te zien. Daarnaast is bestuursorganen de bevoegdheid gegeven om het Handelsregister op naam van een persoon te doorzoeken. Ook kunnen bestuursorganen de uitkomsten van eerder door het Bureau uitgebrachte adviezen in de overwegingen rondom een voorliggende casus betrekken. Voorts heeft het bestuursorgaan niet alleen toegang gekregen tot justitiële gegevens van de betrokkene, maar ook van derden zoals vermogensverschaffers, de op de (aanvraag tot een) beschikking vermelde leidinggevende of beheerder en bestuurders of aandeelhouders van de betrokkene. Deze uitbreiding moet bewerkstelligen dat dat bestuursorganen zich een beter oordeel kunnen vormen over de zakelijke omgeving van de betrokkene en daarmee over diens integriteit. Kamerstukken II, 2018/19, 35 152, nr. 3, p. 7/8.
Dit proefschrift beperkt zich voorts tot de Nederlandse financiële sector. Het onderzoek richt zich op instellingen in die sector die aan een wettelijk vergunning- of registratiesysteem zijn onderworpen, en waarbij het voldoen aan toetsingseisen een voorwaarde is voor het verkrijgen en behouden van de benodigde vergunning of registratie. Deze instellingen worden in de literatuur soms aangeduid als onder toezicht staande instellingen, en in dit proefschrift als “financiële instellingen”.1
Financiële sector
Het begrip “financiële sector” is geen wettelijke term. De Nederlandse overheid geeft aan dat de financiële sector bestaat uit instellingen die ervoor zorgen dat consumenten kunnen betalen, sparen, lenen en verzekeren, zoals banken en verzekeraars.2 Internationale definities beschrijven de financiële sector als het onderdeel van de economie dat bestaat uit bedrijven en instellingen die financiële diensten verlenen aan commerciële en particuliere klanten. Hieronder wordt een breed scala aan bedrijfstakken begrepen zoals banken, investeringsmaatschappijen, verzekeringsmaatschappijen en vastgoedbedrijven, consumentenfinancieringsmaatschappijen, hypotheekverstrekkers en vastgoedbeleggingsfondsen.3 Welke “bedrijfstakken” precies onder de financiële sector moeten worden begrepen, laten de definities in het midden.
In deze studie worden de instellingen opgesomd in Tabel 2.1 gerekend tot de Nederlandse financiële sector. Het betreft in de eerste plaats de instellingen die worden gereguleerd door de Wft. Dit zijn de financiële ondernemingen, datarapporteringsdienstverleners, elektronischgeldinstellingen en marktexploitanten zoals gedefinieerd in art. 1:1 Wft (“Wft- instellingen”). Daarnaast worden ook trustkantoren als bedoeld in de Wtt 20184 en pensioenfondsen en bedrijfspensioenfondsen als bedoeld in de Pw en Wvb5 onder de financiële sector begrepen, net als de aanbieders van wisseldiensten tussen virtuele en fiduciaire valuta en aanbieders van een bewaarportemonnee als bedoeld in de Wwft.6 Tot slot worden centrale tegenpartijen en transactieregisters als bedoeld in de EMIR- Verordening, ratingbureaus als bedoeld in de Verordening Ratingbureaus, centrale effectenbewaarinstellingen als bedoeld in de CSD-Verordening en securitisatieregisters en derde partijen als bedoeld in de Securitisatie- Verordening onder de financiële sector geschaard.7
Daarbij beperkt deze studie zich tot financiële instellingen die hun activiteiten verrichten in Nederland of hun zetel, vestiging of bijkantoor hebben in Nederland.8
Personentoetsingen buiten de financiële sector
Ook buiten de financiële sector stelt de Nederlandse wetgever voor bepaalde typen ondernemingen personentoetsingen verplicht. Een in het oog springend voorbeeld zijn de personentoetsingen bij accountantsorganisaties.9 De Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) is tot stand gekomen tegen de achtergrond van een aantal boekhoudaffaires zoals de geruchtmakende affaire rondom Enron, en de noodzaak tot herstel van het vertrouwen in de accountant en de door hem ten behoeve van het publiek gegeven verklaringen.10 Accountantsorganisaties staan sinds 1 oktober 2006 onder toezicht van de AFM en de dagelijks beleidsbepalers en medebeleidsbepalers bij accountantsorganisaties, zoals bestuurders en leden van raden van commissarissen, zijn sindsdien onderworpen aan een betrouwbaarheidstoets.11 Daarnaast geldt sinds 1 juli 2018 voor OOB-accountantsorganisaties12 een geschiktheidstoets voor dagelijks beleidsbepalers, voor personen die fungeren als dagelijks beleidsbepaler van het binnen het netwerk hiërarchisch hoogste netwerkonderdeel met zetel in Nederland dat invloed uitoefent op het beleid van de accountantsorganisatie en voor personen die belast zijn met het interne toezicht.13 Deze laatste toets is ingevoerd nadat zich (wederom) een reeks aan incidenten had voorgedaan die het vertrouwen in de accountant verder hebben ondergraven.14
Het systeem van personentoetsingen bij accountantsorganisaties komt grotendeels overeen met het systeem zoals dit geldt voor Wft-instellingen, (beroeps-)pensioenfondsen en trustkantoren.15 De personentoetsingen worden voorts door een financiële toezichthouder uitgevoerd (de AFM). Waar relevant, zal in deze studie dan ook worden verwezen naar in de accountantssector gewezen jurisprudentie of relevante wetsgeschiedenis bij de totstandkoming en aanpassing van de Wta. Voor de volledigheid zijn de toetsingen bij accountantsorganisaties ook vermeld in Tabel 2.1.
Daarnaast toetst de Autoriteit woningcorporaties sinds 1 juli 2015 de geschiktheid en betrouwbaarheid van bestuurders en commissarissen van een woningcorporatie bij (her-)benoeming. Een bestuurder of commissaris kan pas (her-)benoemd worden als de Autoriteit woningcorporaties, namens de minister van Wonen en Rijksdienst, een positieve zienswijze heeft afgegeven (art. 25, tweede lid en 30, derde lid, Woningwet). Achtergrond van deze toetsingsregelgeving is een reeks van geruchtmakende incidenten in de sociale woningbouwsector, waaronder het Vestia-debacle en gebleken wanbestuur, bestuurscrises en ernstig financieel mismanagement bij woningcorporaties. Zowel de parlementaire enquêtecommissie woningcorporaties16 als de commissie Hoekstra17 adviseerden tot het versterken van de interne governance waaronder het invoeren van een “fit and proper-test” naar analogie van de personentoetsingen in de financiële sector.18
Terzijde zij opgemerkt dat herhaaldelijk is opgeroepen om, onder meer naar aanleiding van fraudegevallen en falend bestuur, ook bij zorginstellingen een verplichte personentoetsing te introduceren voor bestuurders en commissarissen, naar analogie van de toetsingen in de financiële sector. Deze toets zou uitgevoerd kunnen worden door de Nederlandse Zorgautoriteit. Moties met een dergelijke strekking zijn echter verworpen.19 Naar het oordeel van de minister bestaan er voldoende instrumenten om (potentieel) disfunctionerende bestuurders en toezichthouders bij zorginstellingen te weren, zoals de verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor bestuurders en de vergewisplicht voor toezichthouders, het strafrechtelijk en civielrechtelijk bestuursverbod en initiatieven die de sector zelf neemt voor accreditatie van bestuurders in de zorg en het professionaliseren van het intern toezicht.20 Hier is dus voor een andere lijn gekozen dan bij de woningcorporaties.
Genoemd kan verder worden de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Wet Bibob). Met behulp van de Wet Bibob kan een bestuursorgaan bij het verlenen van vergunningen en andere bestuurlijke beslissingen onderzoeken of haar wederpartij betrouwbaar en integer is.21 Bij een ernstig gevaar van misbruik voor criminele doeleinden kunnen vergunningen worden geweigerd of ingetrokken. Het bestuursorgaan kan eigen onderzoek doen of advies vragen aan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Landelijk Bureau Bibob). Daarbij wordt onderzocht of er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten.22 Onder strafbare feiten worden veroordelingen verstaan, feiten die erop wijzen of doen vermoeden dat door een (rechts)persoon strafbare feiten zijn gepleegd en overtredingen waarvoor een bestuurlijke (inclusief fiscale) boete kan worden opgelegd. Per 1 augustus 2020 is de Wet Bibob aangescherpt en zijn onder meer de mogelijkheden voor bestuursorganen om informatiebronnen te raadplegen uitgebreid.23
Hoewel deze studie geen betrekking heeft op toetsingen bij accountantsorganisaties, woningcorporaties of op de toetsingen uit hoofde van de Wet Bibob, zou bij deze toetsingen dezelfde problematiek kunnen spelen als bij toetsingen in de financiële sector. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan kwesties rondom rechtswaarborgen en rechtsbescherming zoals deze aan de orde komen in Hoofdstuk 7.