Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/2.4.8.2
2.4.8.2 Aantallen (her)incorporaties
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS399099:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het jaar 1999 heeft het Europese Hof het Centros-arrest gewezen. In het jaar 2002 de (
Dit zijn limiteds waarvan alle of het merendeel van de bestuurders hun woonplaats hebben in een andere EU-lidstaat dan de incorporatiestaat.
Becht, M. et al. (2007), 'Where Do Firms Incorporate? Deregulation and the Cost of Entry', European Corporate Govemance Institute, Working Paper 70/2006, blz. 2.
Er richten meer ondernemers, afkomstig uit landen waar de oprichtingskosten en het minimumkapitaal hoog zijn, een limited op dan van landen waar deze kosten laag zijn. Opvallend is de afname in het aantal oprichtingen van Franse limiteds nadat Frankrijk het eigen vennootschapsrecht voor de besloten vennootschap in 2003 had herzien en het minimumkapitaalvereiste had verlaagd.
Becht, M. et al. (2008), 'Where Do Firms Incorporate? Deregulation and the Cost of Entry', 14 Joumal of Corporate Finance, blz. 241-256.
Hecht, M. et al. (2007), supra noot 214, blz. 7.
Het panel bestond uit meer dan 500 vennootschappen waarvan ongeveer 25% bestond uit micro-bedrijven (0 — 10 werknemers), 46% uit kleine tot middelgrote vennootschappen (10-249 werknemers) en 28,5% uit vennootschappen met meer dan 250 werknemers. De sectoren waarin deze vennootschappen werkzaam zijn, waren 40% dienstverlening, 33% goederen en 25% in zowel dienstverlening als goederen.
Commission of the European Communities (2008b), supra noot 206, blz. 11.
Uit empirisch onderzoek is gebleken dat de mobiliteit van kleine besloten kapitaalvennootschappen na het jaar 2002 significant is toegenomen.1 De onderzoekers hebben de oprichting van buitenstatelijke vennootschappen onderzocht aan de hand van incorporaties van buitenstatelijke limiteds2 in het Verenigd Koninkrijk. In de tijdsperiode van 2003 — 2006 zijn er 67.000 nieuwe private limited companies opgericht in het Verenigd Koninkrijk vanuit andere lidstaten, die geen enkele activiteiten verricht(t)en in het Verenigd Koninkrijk.3 In 1997 richtten 4400 buitenlandse ondernemers een Engelse besloten vennootschap op. In 2002 was dit toegenomen tot meer dan 7000 limiteds, en in het jaar 2006 waren dit er meer dan 28.000. Het grootste gedeelte van de buitenstatelijke limiteds komt uit Duitsland. De rest is voornamelijk afkomstig uit Frankrijk, Noorwegen en Nederland. De onderzoekers geven aan dat het hoofdzakelijk gaat om incorporatie van nieuwe limiteds en niet zozeer om herincorporatie van al bestaande buitenstatelijke vennootschappen.4
De onderzoekers stellen dat uit een empirische test is gebleken dat de enige variabelen die de mobiliteit verklaren, de landspecifieke incorporatiekosten en de minimumkapitaalvereisten zijn.5 Kleine verschillen in deze variabelen hebben een sterk effect op de incorporatiekeuze van de ondernemer. De tijdsduur van de oprichting of het aantal procedures dat moet worden doorlopen zijn, volgens de onderzoekers, niet zozeer van belang bij de keuze van incorporatie. Zij stellen daarnaast dat, gezien het (grote) aantal buitenstatelijke incorporaties, de juridische onzekerheid en de taal geen obstakels lijken te zijn, en dat sterkere handhaving/eisen van openbaarmaking en de kwaliteit van het vennootschapsrecht geen rol spelen bij de migratie. Zij onderbouwen deze conclusie door te stellen dat als deze non-price-variabelen belangrijker waren geweest voor de kleine besloten vennootschappen, de onderzoekers een kleinere invloed van kostengerelateerde variabelen zouden hebben moeten waarnemen. Dit was niet het geval.6 De onderzoekers hebben echter niet de vennootschapsinhoudelijke verschillen tussen de rechtsvormen voor kleine besloten vennootschappen van de diverse lidstaten in hun statistische test meegenomen. Een gunstiger en flexibeler inhoudelijk recht voor de limited zou, naast de lage kosten van oprichting, ook heel goed de aantrekkingskracht van de limited hebben kunnen versterken. Het een sluit het ander niet uit. Verder baseren de onderzoeker hun stelling op het 'grote' aantal buitenstatelijke incorporaties in het Verenigd Koninkrijk. Dat biedt echter een vertekenend beeld. In absolute termen is het aantal klein. In de EU zijn ongeveer 23 miljoen kleine tot middelgrote vennootschappen. Daar tegen afgezet, is het aantal van 28.000 buitenstatelijke incorporaties niet groot. Daarnaast is de Engelse wetgeving makkelijker toegankelijk omdat de Engelse taal door veel mensen wordt beheerst. Het gebruik van het Verenigd Koninkrijk als basis voor een statistische grondslag is niet overtuigend voor de stelling dat er veel buiten-statelijke incorporaties in de EU zijn. Uit een onderzoek van de Europese Unie onder vennootschappen uit de 27 lidstaten, de European Business Test Panel (`EBTP'),7 bleek dat 43% van de EBTP-respondenten die een dochtervennootschap hadden opgezet in een andere lidstaat, het gebrek aan vertrouwen in de buitenlandse rechtsvorm een obstakel noemden voor hun grensoverschrijdende operatie.8 Met het oog op de verbetering van de mobiliteit is het aan de overheden om de rechtsvormen voor kleine vennootschappen transparanter en aantrekkelijker te maken. Maar waarom zou een overheid de vennootschappelijke wetgeving voor kleine besloten vennootschappen willen aanpassen om buitenlandse incorporaties aan te trekken?