Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.6.10
6.6.10 Enkele beschouwingen naar aanleiding van de CBb-uitspraak van 14 december 2021
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950457:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Jaargang 98, vierde kwartaal 2021.
Door deze formulering veronderstel ik dat zij er met name op doelen dat DNB mogelijk meer tijd zal nemen voor het nemen van het instemmingsbesluit om de belangenafweging nog zorgvuldiger te doen en mogelijk ook meer tijd zal nemen om het instemmingsbesluit te motiveren. Een overnameproces zal ook langer duren, indien de “closing” wordt uitgesteld omdat bezwaar is ingesteld tegen de beschikking uit hoofde van art. 3:119 lid 4 Wft (zie hoofdstuk 6.6.8.3) en door een voorlopige voorziening (hoofdstuk 6.6.3.3).
Het is eigenlijk wonderlijk dat er nooit eerder iemand opgekomen is om de bestuursrechtelijke route van bezwaar en beroep te gebruiken naar aanleiding van een instemmingsbesluit van DNB ten aanzien van een portefeuilleoverdracht, een juridische fusie of een juridische splitsing. Vanuit het oogpunt van polishouders zou men kunnen zeggen dat het nuttig is dat duidelijk is geworden dat die route openstaat.
Anderzijds is het wel de vraag wat uiteindelijk het effect is van deze Awb-uitspraak op de transactiepraktijk in het verzekeringsbedrijf.
Ik kan mij voorstellen dat waar verzekeraars in de praktijk gebruik maken van de mogelijkheid van juridische fusie of juridische splitsing deze uitspraak geen effect zal hebben op het aantal malen dat daar jaarlijks gebruik van wordt gemaakt. Bij juridische fusies of juridische splitsingen bestaat “alleen” het ‘risico’ dat de bestuursrechter van mening is dat DNB alsnog bepaalde voorschriften aan het instemmingsbesluit moet verbinden. Er is geen risico op nietigheid of vernietigbaarheid van de juridische fusie of juridische splitsing.
Maar daar waar verzekeraars in de praktijk gebruik maken van de mogelijkheid van een portefeuilleoverdracht kan deze uitspraak mijns inziens wel tot gevolg hebben dat het aantal malen dat daarvan gebruik wordt gemaakt, zal verminderen. Naarmate de nadelige gevolgen van het besluit voor een groep belanghebbenden groter zijn, wordt de kans immers groter dat de bestuursrechter van mening is, dat DNB voorschriften aan haar instemming had moeten verbinden of dat DNB zelfs helemaal geen instemming had mogen verlenen. In het wetenschappelijke tijdschrift Het Verzekerings-Archief1 wordt in de rubriek Verzekeringsrechtspraak naar aanleiding van deze uitspraak opgemerkt dat het “door de wetgever in 1922 zo zorgvuldig vorm gegeven evenwicht in de verhouding tussen het algemene, collectieve belang bij een vlotte portefeuilleoverdracht en het individuele belang (zekerstellen van de eigen polisaanspraken) nu verstoord lijkt”. Zij zien met name een probleem in de impact die deze jurisprudentie kan hebben op de duur van een overnameproces: “het verkrijgen van de vereiste instemming van DNB kan in voorkomend geval leiden tot een proces dat even traag gaat als de spreekwoordelijke processie van Echternach”.2 Ik kan mij voorstellen dat indien er voor een groep polishouders nadelige gevolgen aan de portefeuilleoverdracht verbonden zijn, van een zodanige omvang dat gevreesd moet worden voor een kritische toetsing door de bestuursrechter, een verzekeraar besluit om niet voor een portefeuilleoverdracht te kiezen (ook al zou die wel in het belang zijn van de collectiviteit van polishouders), maar voor een andere transactievorm. Zo geredeneerd zal deze uitspraak er dan toe leiden, dat er in sommige gevallen voor bijvoorbeeld een herverzekeringsconstructie of een juridische afsplitsing wordt gekozen in plaats van voor een portefeuilleoverdracht.