Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.4.2.1
4.4.2.1 De verhouding tussen de lengte van de opzegtermijn en de looptijd van de overeenkomst
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855334:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit wordt hier en daar ook expliciet in de parlementaire geschiedenis erkend. Zo wordt de duur van de arbeidsovereenkomst als (hét) element van de berekening van de opzegtermijn uitdrukkelijk genoemd in Kamerstukken II 1996/97, 25 263, 3, p. 30.
Dat geen rekening wordt gehouden met het feit of de overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan, is vanuit het systeem van beide overeenkomsten bezien niet vreemd, aangezien de arbeidsovereenkomst en de agentuurovereenkomst voor bepaalde tijd op dezelfde manier kunnen worden opgezegd als die voor onbepaalde tijd, mits partijen een tussentijds opzegbeding zijn overeengekomen (art. 7:667 lid 3 resp. art. 7:437 lid 1 BW). Ook de opdrachtgever kan de overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd op dezelfde wijze opzeggen als die voor onbepaalde tijd (art. 7:408 lid 1 BW) (zie par. 4.2.1).
Zie in soortgelijke zin Strijbos 1985, p. 13.
De grondslag waar ik hierop doel, is de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). Ook andere grondslagen kunnen tot zo’n vergoeding leiden, waaronder de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) en ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) (zie par. 4.3.3.1).
Of de nakoming van de opzegtermijn (art. 3:296 BW), eventueel via een kort geding, tot de mogelijkheden behoort zodra de opzegtermijn in de wet is vastgelegd of dat de opdrachtnemer alleen schadevergoeding kan vorderen (art. 6:74 BW), laat ik hier in het midden (zie par. 4.3.2.3).
Dit volgt min of meer ook uit de parlementaire geschiedenis, waarin door de wetgever is opgemerkt dat het stelsel m.b.t. de lengte van de opzegtermijn aanzienlijk is vereenvoudigd: het criterium voor de opzegtermijn is alleen de duur van de overeenkomst (Kamerstukken II 1996/97, 25 263, 3, p. 30).
Strijbos 1985, p. 110.
Omdat ik in dit onderzoek uitsluitend inga op de opzegging door de opdrachtgever, laat ik de onderlinge verhouding tussen de opzegtermijn van partijen onbesproken. Een voorbeeld van een regel die ik om die reden expliciet links laat liggen, is de regel dat de opzegtermijn van de werknemer, handelsagent en huurder van een woonruimte niet langer mag zijn dan die van de werkgever (art. 7:672 lid 8-9 BW) resp. principaal (art. 7:437 lid 2 BW) en verhuurder van een woonruimte (art. 7:271 lid 5-7 BW).
Zo kan de wettelijke opzegtermijn van de werkgever en verhuurder van een woon- en bedrijfsruimte contractueel alleen worden verlengd (art. 7:672 lid 2 jo. lid 7 resp. art. 7:271 lid 5 sub b jo. lid 7 en art. 7:293 lid 2 jo. art. 7:291 lid 1 jo. lid 3 BW). Een verkorting van de opzegtermijn van de werkgever is slechts mogelijk bij cao of een publiekrechtelijke regeling (art. 7:672 lid 7 BW) (Kamerstukken II 1996/97, 25 263, 3, p. 12). De verhuurder van een bedrijfsruimte kan op zijn beurt ten nadele van de huurder afwijken als de rechter dit goedkeurt (art. 7:291 lid 2 BW) (Kamerstukken II 1966/67, 8875, 3, p. 8). Deze goedkeuring wordt alleen verleend indien het afwijkende beding de uit afd. 7.4.6 BW voortvloeiende rechten van de huurder niet wezenlijk aantast of diens maatschappelijke positie in vergelijking met die van de verhuurder zodanig is dat hij de bescherming van de laatstgenoemde afdeling in redelijkheid niet nodig heeft (art. 7:291 lid 3 BW). Voor de opzegtermijn van de principaal geldt dat contractuele afspraken daaromtrent mogelijk zijn, maar dat de opzegtermijn niet korter mag zijn dan één maand in het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden in het tweede jaar en drie maanden in de volgende jaren (art. 7:437 lid 2 jo. 7:445 lid 1 BW).
Een vergelijking van de verschillende opzegtermijnen uit Boek 7 BW laat zien dat het nadeel van rechtsonzekerheid overal op dezelfde manier wordt aangevlogen: de lengte van de opzegtermijn wordt uitgedrukt in maanden. De opzegtermijn van de werkgever (artikel 7:672 lid 2 BW), principaal (artikel 7:437 lid 1-2 BW) en verhuurder van een woonruimte (artikel 7:271 lid 5 sub b BW) is gerelateerd aan de duur van de overeenkomst. Hierbij geldt: hoe langer de looptijd van de overeenkomst, des te langer bedraagt de in acht te nemen opzegtermijn.1 Met de andere omstandigheden van het geval wordt geen rekening gehouden, zoals de economische afhankelijkheid van de opgezegde partij, de investeringen die door hem zijn gedaan of het feit dat de overeenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan (zie paragraaf 4.3.2.1).2 Vanuit de ratio van de opzegtermijn – de opgezegde partij de mogelijkheid bieden zich aan te passen aan de nieuwe situatie – zou dit opmerkelijk kunnen worden genoemd. Het enkele feit dat een overeenkomst lange tijd heeft geduurd, betekent immers niet automatisch dat de aanpassing aan de nieuwe situatie een overeenkomstig lange opzegtermijn vergt. In dit licht plaats ik twee nuanceringen. Ten eerste is het goed denkbaar dat naarmate de overeenkomst langer bestaat, de kans groter is dat de opgezegde partij afhankelijk(er) van de opzeggende partij is geworden,3 waardoor de aanpassingstijd doorgaans meer tijd in beslag zal nemen (zie paragraaf 4.3.2.1). Ten tweede kunnen de andere omstandigheden van het geval, die voor de berekening van de lengte van de opzegtermijn dus buiten beschouwing blijven, leiden tot een aanvullende (schade)vergoeding (zie paragraaf 4.3.3.1).4
Hoewel de koppeling tussen de lengte van de opzegtermijn en de duur van de overeenkomst ten koste gaat van maatwerk, zou ik bij een eventuele wettelijke verankering van de opzegtermijn ten aanzien van de duurovereenkomst van opdracht dezelfde werkwijze bepleiten en daarmee kiezen voor rechtszekerheid. Het voordeel hiervan is immers dat duidelijkheid wordt verschaft over de lengte van de opzegtermijn en dus over het tijdstip waarop de overeenkomst feitelijk kan worden beëindigd. De opdrachtnemer weet exact waar hij recht op heeft en kan een niet (volledig) in acht genomen opzegtermijn in rechte afdwingen.5 Tegelijkertijd is ook voor de opdrachtgever duidelijk welke termijn hij in acht moet nemen. Een wettelijke vastlegging van de opzegtermijn waarbij de lengte slechts afhankelijk is van de duur van de overeenkomst, zou dan ook een versimpeling van de problematiek inhouden.6 Dit geldt voor de berekeningswijze van de opzegtermijn, die niet meer afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, alsook voor de keuze een bepaalde termijn in de wet op te nemen, nu een uit de wet voortvloeiende opzegtermijn het vermoeden schept dat deze termijn redelijk en billijk is, zodat partijen waarschijnlijk berusten in deze termijn.7 Dat zou naar mijn mening recht doen aan zowel het belang van de opdrachtgever om de duurovereenkomst te kunnen opzeggen als het belang van de opdrachtnemer om zich te kunnen voorbereiden op de nieuwe situatie die na de beëindiging van de overeenkomst zal intreden. Eventueel zou kunnen worden bepaald dat van de wettelijke opzegtermijn alleen ten voordele van de opgezegde partij kan worden afgeweken.8 De consequentie hiervan is dat een bepaalde ondergrens is gewaarborgd, maar partijen tegelijkertijd enige ruimte houden om afspraken te maken over bepaalde (ondernemers)risico’s. Ook de regelingen inzake de arbeidsovereenkomst, agentuurovereenkomst en huurovereenkomst van een woon- en bedrijfsruimte kennen een dergelijke ondergrens.9