Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4.4
3.4.4 Ontslag
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS494939:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 174, § 2, vierde alinea.
EHRM 8 juni 1976, Serie A, 22, § 68, vijfde alinea (inzake art. 5 lid 1). Zie ook § 89 inzake art. 6 lid 1.
Zand, ECRM 12 oktober 1978, D&R 15, p. 80, § 80.
Sutter, ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 174, § 2 (klacht niet-ontvankelijk).
EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 80, vijfde alinea.
EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 80, derde en vierde alinea.
ECRM 9 december 1988, D&R 59, p. 212. ‘However in assessing this issue [irremovability] regard must be had not only to the legal provisions concerning the composition of the court but also how these provisions are interpreted and how they actually operate in practice. In so doing the Commission must look at the realities of the situation.’ In casu was de ‘Special Criminal Court’ onafhankelijk in de zin van artikel 6 EVRM, ondanks een bepaling dat ‘each member of a Special Criminal Court shall be appointed, and be removed at will by the Government’. De Commissie achtte niet bewezen dat de regering zich had bemoeid met de uitoefening van de taken van het speciale strafhof. Ook de vervanging van vijf leden van het hof door de regering (na afloop van de zaak) was op geen enkele manier onzuiver, gezien het doel van de regering om het speciale strafhof uitsluitend te laten bestaan uit rechters afkomstig uit de gewone gerechten.
EHRM 23 april 1987, Serie A, 117, § 20.
EHRM 23 april 1987, Serie A, 117, § 41.
EHRM 8 juli 1986, Serie A, 102, § 29, derde alinea.
ECRM 7 maart 1984 (annex bij EHRM 8 juli 1986, Serie A, 102), § 463.
A.J. Bok, annotatie bij Kress t. Frankrijk, EHRM 7 juni 2001, ‘De Commissaire du Gouvernement mag niet aanschuiven’, NJCM-Bulletin 2002, p. 747-759.
Kress, EHRM 7 juni 2001 (grote kamer), appl. no. 39594/98, § 31, 34-35. Zie ook A.J. Bok, ‘De Commissaire du Gouvernement mag niet aanschuiven’, NJCM-Bulletin 2002, p. 747-759. Overigens was artikel 6 EVRM wel geschonden op het punt van de aanwezigheid van de Commissaire de Gouvernement in raadkamer. De Commissaire concludeert, net als bijvoorbeeld een Advocaat-Generaal in Nederland, instemmend of afwijzend inzake het beroep. Door zijn daaropvolgende aanwezigheid in de raadkamer had hij in elk geval de schijn in de gelegenheid te zijn om dat standpunt nog eens zonder tegenspraak uit te dragen en aldus de uitkomst van de procedure te beïnvloeden.
De zaak Kress vormt hierop een uitzondering.
EHRM 29 april 1988, Serie A, 132, § 66. Het Politiecomité is bevoegd inzake de vervolging van lichte overtredingen ter zake waarvan het boetes tot een bepaalde hoogte kan opleggen (m.n. verkeersboetes). In casu betrof het beboeting voor deelname aan een demonstratie zonder vergunning.
EHRM 29 april 1988, Serie A, 132, § 67.
Mitap & Müftüoglu, ECRM 8 december 1994, § 103.
EHRM 3 maart 2005, appl. no. 54723/00, EHRC 2005, nr. 47.
Cooper, EHRM 16 december 2003, appl. no. 48843/99, § 118. Zie ook § 66, tweede citaat van Lord Bingham in R. v. Boyd and Others, House of Lords, 18 juli 2002. Vgl. ook Engel e.a., EHRM 8 juni 1976, Serie A, 22.
Zie o.m. Harabin, EHRM 29 juni 2004 (niet-ontvankelijk), appl. no. 62584/00, p. 10: ‘The measure complained of therefore lay (...) within the sphere of holding a public post related to State administration of justice, a right not secured in the Convention.’; Kudeshkina, EHRM 26 februari 2009, appl. no. 29492/05, § 79.
Zie Kuijer 2004, p. 300-301.
Kudeshkina, EHRM 26 februari 2009, appl. no. 29492/05, § 100. Zie ook het interview met Kudeshkina in NRC Weekblad 13-19 februari 2010.
EHRM 22 november 1995, Serie A, 335-A.
EHRM 22 november 1995, Serie A, 335-A, § 38.
EHRM 22 november 1995, Serie A, 335-A, § 39-47.
Zie ook § 4.3.6 (hfdst. 4) hierna.
ECRM 12 oktober 1978, D&R 15, p. 81.
ECRM 12 oktober 1978, D&R 15, p. 81, § 77.
Findlay, EHRM 25 februari 1997, Reports 1997, 263, § 75; ECRM 5 september 1995, appl. no. 22107/93. Zie ook Mitap & Müftüoglu, ECRM 8 december 1994, appl. no. 15530/89.
De benoemingswijze en benoemingsduur moeten vooral worden gezien in het licht van al dan niet aanwezige mogelijkheden tot ontslag tijdens de ambtstermijn. In de vorige paragraaf is reeds duidelijk geworden dat het Hof vooral waarde hecht aan dit laatste aspect van rechtspositionele onafhankelijkheid. Het gaat erom dat een rechter die eenmaal ‘zit’, ongeacht hoe hij daar is gekomen en hoe lang hij zit, gedurende zijn aanstelling ‘irremovable’ is. De vraag is wat daar precies onder moeten worden verstaan. Letterlijk betekent de Engelse term zowel onafzetbaar, als onverplaatsbaar. In de zaak Sutter legt de Commissie nader uit wat zij daarmee bedoelt: ‘irremovable in law, i.e. that he cannot be given other duties without his consent’.1 Het ziet dus niet alleen op ontslag, maar ook op overplaatsing in een andere (rechterlijke) functie zonder instemming van de rechter zelf. Het belang hiervan is duidelijk. Dreiging met ontslag of overplaatsing kan de rechter zodanig onder druk zetten dat zijn onafhankelijke functieuitoefening in het gedrang komt. Rechtspositionele onafhankelijkheid is een voorwaarde voor functionele onafhankelijkheid. Daarom is het van belang dat de rechter beschikt over een statuut dat hem beschermt tegen dergelijke druk van buiten de rechterlijke macht.
Aanvankelijk namen de Straatsburgse instanties het niet zo nauw met de ‘irremovability’ van rechters. In Engel concludeerde het Hof dat:
‘The Supreme Military Court (…) constitutes a court from the organisational point of view. Doubtless its four military members are not irremovable in law, but like the two civilian members they enjoy the independence inherent in the Convention’s notion of a ‘court’.’2
Waaruit die onafhankelijkheid van het Nederlandse Hoog Militair Gerechtshof (HMG) dan wel bestaat, moet worden afgeleid uit de relevante nationale wetgeving inzake de militaire disciplinaire procedure (zie § 30). De vier militaire rechters worden bij koninklijk besluit benoemd op voordracht van de Minister van Justitie en de Minister van Defensie. Op dezelfde manier kunnen zij worden ontslagen. In theorie zijn zij dan ook te ontslaan zonder naleving van de strikte eisen en juridische waarborgen die gelden voor gewone rechters op grond van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (art. 11, 12, 13 en 15 RO oud). Maar volgens de regering, en blijkbaar vindt het Hof dit valide argumenten, is de benoeming tot militaire rechter in het HMG doorgaans de laatste functie in hun ambtelijke carrière, staan zij in hun functie als rechter niet onder bevel van enige hogere autoriteit en zijn zij over de uitoefening daarvan geen verantwoording schuldig aan de militaire organisatie. Wederom blijkt de functionele onafhankelijkheid doorslaggevend te zijn. Het hof acht die in casu gewaarborgd, ook al is rechtspositionele onafhankelijkheid nauwelijks sprake.
De Commissie hinkt aanvankelijk op twee gedachten. In haar rapport in de zaak Zand lijkt zij nog een ander oordeel aan te hangen dan het Hof, terwijl zij een jaar later in de ontvankelijkheidsbeslissing Sutter de visie van het Hof wel lijkt te volgen. In de eerste zaak ging het om Oostenrijkse arbeidsgerechten die op grond van de wet ‘naar behoeven’ werden opgericht en opgeheven door de minister. In de tweede zaak ging het om een militair gerecht, waarvan de regering de leden voor drie jaar benoemde. In deze zaken zegt de Commissie achtereenvolgens:
‘As regards the removal of the Presiding Judges, the Commission first observes that according to the principles of the rule of law in democratic states which is the common heritage of the European countries, the irremovability of judges during their term of office, whether it be for a limited period of time or for lifetime, is a necessary corollary of their independence from the Administration and thus included in the guarantees of Article 6 (1) of the Convention.’3
‘Actually, a judge’s independence does not necessarily imply that he should be appointed for life or that he should be irremovable in law, i.e. that he cannot be given other duties without his consent. But it is essential that he should enjoy a certain stability, if only for a specific period, and that he should not be subject to any authority in the performance of his duties as a judge. There is nothing to indicate that judges appointed in this way can be dismissed from office.’4
De regel dat irremovability in law geen vereiste is, krijgt in Campbell en Fell nadere uitleg. Die zaak maakt duidelijk dat onafzetbaarheid van een rechter wel degelijk deel uitmaakt van de onder artikel 6 EVRM vereiste onafhankelijkheid (er kon immers ook een ander beeld zijn ontstaan), maar dat het met name gaat om de feitelijke onafzetbaarheid van de rechter gedurende zijn zittingstermijn. Het bestaan van een wetsbepaling of andere formele regeling die zijn onafzetbaarheid garandeert, is derhalve niet vereist.
‘It is true that the irremovability of judges by the executive during their term of office must in general be considered as a corollary of their independence and thus included in the guarantees of Article 6 § 1. However, the absence of a formal recognition of this irremovability in law does not in itself imply lack of independence provided that it is recognised in fact and that the other necessary guarantees are present.’5
De Britse Minister van Binnenlandse Zaken kon het aftreden van een lid van een gevangeniscomité tijdens zijn benoemingstermijn eisen, op grond van zijn algemene bevoegdheid ten aanzien van het gevangeniswezen in combinatie met het gebrek aan concrete regels hieromtrent (die hem noch die bevoegdheid gaven, noch ontnamen). Van die mogelijkheid zou evenwel enkel gebruik gemaakt worden in zeer bijzondere omstandigheden en daarom kon het bestaan ervan volgens het Hof niet worden gezien als een bedreiging van de onafhankelijkheid van de leden van het comité in de uitoefening van hun rechtsprekende taak.6 In het midden blijft wat die zeer bijzondere omstandigheden zijn. Deze nadruk op de feitelijke, in plaats van de wettelijke onafzetbaarheid zien we een paar jaar later ook bij de Commissie in de zaak Eccles e.a.7 Zowel in Campbell en Fell als in Eccles e.a. was artikel 6 EVRM naar de Straatsburgse maatstaf dus niet geschonden, omdat de leden van de gerechten in de praktijk onafzetbaar leken. Mocht een rechter, ondanks de aanwezigheid van wettelijke waarborgen tegen willekeurig ontslag, op onrechtmatige wijze worden ontslagen, dan is artikel 6 EVRM uiteraard geschonden.
In de zaak Ettl e.a. beoordeelt het Hof een aantal wettelijke ontslaggronden. Leden van Oostenrijkse agrarische commissies worden benoemd voor vijf jaar, met een mogelijke herbenoeming. Ingevolge artikel 9 Agrarbehördengesetz 1974 eindigt hun benoeming in de rechterlijke functie enkel voor het einde van hun termijn, indien niet langer aan de vereisten voor benoeming is voldaan (lid 2), op verzoek van een lid zelf (lid 3), of als een lid in zijn functie van ambtenaar wordt geschorst door een disciplinair gerecht, als gevolg waarvan hij dan tevens wordt ontheven uit zijn rechterlijke functie (lid 4).8 Het Hof oordeelt: ‘The five-year term, coupled with virtual irremovability during that period (see § 20) does not put the independence and impartiality of these boards in doubt.’9
Op grond van de relevante wetgeving in de zaak Lithgow e.a. kon de Minister van Handel, die twee van de drie leden van het Arbitragetribunaal benoemd had, de functie weer vacant verklaren ‘op grond van hun ongeschiktheid om het ambt verder uit te oefenen’.10 Het is niet duidelijk welke gronden daarvoor in aanmerking komen, waardoor het op het eerste oog een nogal willekeurige ontslagbevoegdheid lijkt. Ingevolge artikel 8 (1) van de Tribunals and Inquiries Act 1971, kon deze bevoegdheid evenwel slechts worden uitgeoefend met toestemming van de Lord Chancellor (voorzitter van het Hogerhuis), of voor Schotland met toestemming van de Lord President of the Court of Session (de president van het gerecht voor civiele zaken). Voorts waren er regels omtrent het nemen van ontslag, het afstand doen van de functie in geval van faillissement en vervanging in geval van ziekte. Het Hof heeft deze wetgeving inzake de afzetbaarheid van de leden van het tribunaal niet aan de orde gesteld bij zijn onderzoek naar de onafhankelijkheid, waarschijnlijk omdat hierover niet expliciet is geklaagd. De onafhankelijkheid werd vooral betwist in het kader van de benoeming van de leden door de minister (zie § 3.2.3.1). De Commissie ging eerder wel kort op die regels in, welke zij niet onredelijk vond:
‘The tenure of the president and members was fixed at the time of their appointments and they could be removed from office only on limited grounds, by or with the consent of the head of the judiciary. There is no evidence that the terms of office do not appear unreasonable.’11
De vereiste toestemming van het hoofd van de rechterlijke organisatie bij ontslag is een belangrijke waarborg.
In de bovengenoemde zaken betrof het kleine, gespecialiseerde rechterlijke instanties. In 2001 kwam de positie van de leden van de gerenommeerde Franse Conseil d’Etat aan de orde voor het Hof. De Conseil d’Etat treedt onder meer op als administratieve rechter. Zijn leden zijn formeel niet onafzetbaar, omdat het gaat om een gespecialiseerd onderdeel van de uitvoerende macht, waarvan de leden vergelijkbaar zijn met ‘gewone’ ambtenaren. Zij worden benoemd en ontslagen door het bestuur, terwijl er geen wettelijke voorziening voor onafzetbaarheid is getroffen. In Frankrijk beschouwt men de Conseil d’Etat niet als een buiten het bestuur staande rechter, maar als ‘l’administration qui juge l’administration’. Hij is bij uitstek geschikt om een beslissing te geven in administratiefrechtelijke zaken.12 Bij bespreking van de relevante nationale wetgeving over de Conseil d’Etat in de zaak Kress bevestigt het Hof zijn standpunt inzake de onafzetbaarheid van rechters nog eens in klare taal. De situatie is niet in strijd met artikel 6 EVRM, omdat de leden van de Conseil d’Etat feitelijk wel onafzetbaar zijn:
‘31. The judges of the administrative courts have a special status different from that of the judges of ordinary courts and the members of State Counsel’s Office at those courts. They are governed by the general rules on the civil service; however, they are in practice both independent and irremovable (see paragraph 35 below). In 1980 a decision of the Constitutional Council (22 July 1980, JO 24 July, p. 1868) established the existence and independence of the administrative jurisdiction as being among the fundamental principles recognised in the laws of the Republic having constitutional rank. […]
34. The status of the members of the Conseil d’Etat is not so much laid down in writing as guaranteed in practice. As regards written rules, mention must be made of the decree of 30 July 1963 laying down the rights and duties of members of the Conseil d’Etat. These rights and duties are very similar to those applying to the civil service (and, in particular, no provision is made for irremovability), with a number of exceptions: no provision is made for assessment, no promotions table is drawn up and an advisory committee replaces both the Joint Administrative Committee and the Joint Technical Committee.
35. It is thus, rather, practice which provides the guarantees enjoyed by the members of the Conseil d’Etat. Three traditional practices are both very long-standing and de-cisive: firstly, the Conseil d’Etat and its members are managed internally by the Executive Committee (bureau) of the Conseil d’Etat, consisting of the Vice-President, the six division presidents and the Secretary-General of the Conseil d’Etat, without any interference. In particular, there is no distinction in the Conseil d’Etat between judges and members of State Counsel’s Office as there is in the ordinary courts, where the members of State-Counsel’s Office are subordinated to the Minister of Justice. Secondly, even though there is no written provision guaranteeing the irremovability of members of the Conseil, that guarantee exists in practice. Lastly, while promotion is theoretically by selection, it is in practice – by a custom which goes back to the middle of the nineteenth century – strictly by seniority, and this guarantees the members of the Conseil d’Etat great independence, vis-à-vis both the political authorities and the authorities of the Conseil d’Etat themselves.’13
De feitelijke onafzetbaarheid van de leden van de Conseil d’Etat wordt zoals blijkt uit bovenstaande overwegingen gewaarborgd door een drietal traditionele omstandigheden. Ten eerste ligt het bestuur van de Conseil d’Etat, waaronder ook het personeelsbeleid, geheel in eigen handen (bij het bureau). Van voordrachten van de Conseil d’Etat wordt nooit afgeweken door de uitvoerende macht. In dat opzicht is er ook geen onderscheid tussen rechters en andere leden van de Conseil d’Etat, zoals bij normale gerechten, waar ambtenaren van het gerecht onder gezag staan van de Minister van Justitie. Ten tweede is geen enkel lid ooit daadwerkelijk ontslagen (anders dan op eigen verzoek of bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar) door de uitvoerende macht. Tot slot geschieden bevorderingen binnen de Conseil d’Etat puur op basis van anciënniteit.
In latere zaken lijkt het Hof – meestal onder de noemer ‘schijn van afhankelijkheid’ – een strenger standpunt in te nemen ten aanzien van mogelijk ontslag of overplaatsing (terugplaatsing) van een rechter door de uitvoerende macht, ongeacht de feitelijke situatie.14 De volgende zaken tonen dit aan.
In Belilos benadrukt het Hof allereerst dat de politieambtenaar die in persoonlijke hoedanigheid het eenkoppige Politiecomité van Lausanne vormt, in beginsel niet kan worden ontslagen gedurende zijn zittingstermijn van vier jaren.15 Maar omdat de politieambtenaar na vier jaar terugkeert naar zijn departementale taken, zal de gewone burger hem zien als elk ander lid van de politiemacht, ondergeschikt aan zijn meerderen en loyaal jegens zijn collega’s. Het feit dat hij wordt teruggeplaatst in een andere functie waarin hij niet onafhankelijk is, brengt volgens het Hof dus wel een schijn van afhankelijkheid van het Politiecomité met zich.16 De Commissie overwoog ten aanzien van Turkse krijgsgerechten:
‘As regards the existence of rules governing the exclusion and irremovability of the members of the court martial, the Commission notes that the Defence Minister has power to establish and dissolve courts martial. Furthermore, the judges sitting in these courts may be liable to disciplinary penalties following proceedings which the Defence Minister may choose to bring. The Defence Minister is a member of the Executive and his decisions in this area are not subject to any judicial control.’17
Met andere woorden, de rechters zijn – onder meer rechtspositioneel – afhankelijk van de Minister van Defensie. Het Hof is dezelfde visie toegedaan. Ook in Brudnicka betrof het de vraag of een militair gerecht, in het bijzonder de Maritieme Kamer van het regionale hof te Danzig (Polen), onafhankelijk en onpartijdig was. Dat was niet het geval. Omdat de president en de vice-president van dergelijke kamers werden benoemd en ontslagen door de Minister van Justitie in overeenstemming met de Minister van Maritieme Zaken, waren zij niet onafzetbaar. Zij stonden zodoende in een hiërarchische verhouding tot de ministers. De conclusie luidt dat ‘les requérants pouvaient selon la Cour nourrir des doutes objectivement fondés quant à leur indépendance et à leur impartialité’.18 Het Hof maakt geen onderscheid tussen de wettelijke en feitelijke situatie ten aanzien van de afzetbaarheid, zoals het in vergelijkbare zaken wel heeft gedaan. Uit de tekst van het arrest blijkt niet dat de leden van de maritieme kamer daadwerkelijk zijn ontslagen, dus de enkele wettelijke mogelijkheid dat zij konden worden ontslagen door de ministers heeft in casu tot de schending van artikel 6 EVRM geleid. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de Poolse regering geen argumenten had aangedragen om aan te tonen dat de rechters in de praktijk onafzetbaar waren, zoals de Franse regering in de zaak Kress overtuigend had gedaan.
Het probleem in deze zaken is met name dat (militaire) ambtenaren, die zich in een disciplinaire hiërarchische organisatie bevinden, deel blijven uitmaken van die hiërarchische organisatie ten tijde van hun rechterlijke functie. Voor hun rechtspositie heeft dat tot gevolg dat zij doorgaans worden benoemd door bestuurlijke organen of personen van die organisatie en – kwalijker in dit opzicht – dat zij vatbaar zijn voor gedwongen overplaatsing in een andere functie binnen de organisatie, hetgeen de facto ontslag uit de rechterlijke functie betekent. Dit risico moet wel per individueel geval bekeken worden. Zo heeft het Hof geen moeite met de positie van de permanente president in Britse militaire gerechten, ook al is deze afkomstig uit de militaire organisatie, juridisch ongeschoold en niet onafzetbaar uit zijn functie als president. Doorslaggevend is echter dat:
‘While the permanent president is a serving officer, the post was a full-time one filled by a high-ranking officer (wing commander) for a number of years prior to his retirement, at a time when that officer had ‘no effective hope of promotion’ in the words of Lord Bingham (‘Permanent presidents are appointed to that office in the closing years of their service careers, whether in the army or the Royal Air Force. They are officers who have no effective hope of promotion and no effective fear of removal.’).’19
Deze argumentatie is vergelijkbaar met die in de zaak Engel. Het hangt dus sterk van het concrete geval af (en de argumenten die de betreffende regering aandraagt) of de theoretische mogelijkheid van afzetbaarheid van een rechter, schending van de onafhankelijkheid oplevert. Daarbij ligt de nadruk op hoe het er in de praktijk aan toe gaat.
Bepaalde situaties blijven onderbelicht door de jurisdictie van het Hof. De gevallen die het Hof te beoordelen krijgt beperken zich tot die waarin burgers beweren dat hun zaak niet werd berecht door een onafhankelijke rechter. Een ontslagen rechter kan zelf geen klacht indienen bij het EHRM wegens schending van zijn rechterlijke onafhankelijkheid, omdat hij niet wordt aangemerkt als slachtoffer in de zin van het EVRM.20 Laat staan dat een rechter nationale wetgeving inzake de rechterlijke organisatie in abstracto kan aanvechten.21 Maar er zijn andere wegen te bewandelen. De Russische rechter Kudeshkina werd naar eigen zeggen van een zaak gehaald, omdat zij weigerde onder druk van het OM en de rechtbankpresident een politierechercheur te veroordelen die onderzoek deed in een fraudezaak waar hoge functionarissen van de geheime dienst bij waren betrokken. Daarop stelde zij zich verkiesbaar voor de Doema. In de media uitte zij haar twijfels over de onafhankelijkheid van de Moskouse rechtbank, ‘een instelling waar politieke, zakelijke en andere kwesties worden vereffend, en niemand er zeker van kan zijn dat zijn zaak in overeenstemming met de wet wordt behandeld’. Een gerechtelijk tuchtcollege ontsloeg haar na een disciplinair onderzoek, omdat ze zich tijdens haar campagne denigrerend over het rechtssysteem en individuele rechters zou hebben uitgelaten. In Straatsburg klaagde ze de Russische staat aan wegens schending van haar recht op vrije meningsuiting (art. 10 EVRM). En zij won haar zaak. Ontslag was volgens het Hof een disproportionele maatregel, die een ‘chilling effect’ kon hebben op rechters die wensten deel te nemen aan het publieke debat over de effectiviteit van rechterlijke instituties.22 Daarmee heeft zij haar rechterlijke functie echter nog niet terug.
Intrekking van de beslissingsbevoegdheid van de rechter
Een bijzondere vorm van ontheffing uit de rechterlijke functie door de uitvoerende macht deed zich voor in de zaak Bryan.23 Bryan kreeg een sloopbevel opgelegd op grond van de wet op de ruimtelijke ordening door de Vale Royal Borough Council. Tegen deze beslissing tekende hij bezwaar aan bij de Minister van Milieu, die een ambtenaar van zijn ministerie (inspecteur) de opdracht gaf het bezwaar te behandelen. Tegen de beslissing van de inspecteur stond beroep open bij de High Court. Het Hof erkende dat de inspecteur een quasi-juridische procedure op onpartijdige en onafhankelijke wijze (functioneel gezien) uitoefende. De minister kon evenwel op elk door hem gewenst moment, zelfs tijdens de procedure, de beslissingsbevoegdheid van de inspecteur intrekken. In de context van ruimtelijke ordeningsprocedures is het enkele bestaan van deze bevoegdheid van de uitvoerende macht, wier eigen beleid in het geding kan zijn, voldoende om de inspecteur een schijn van afhankelijkheid te geven. Hieraan doet niet af, dat in de praktijk maar zelden gebruik wordt gemaakt van die bevoegdheid, noch is relevant of het gebruik van die bevoegdheid in deze zaak al dan niet aan de orde was.24 Overigens was het beroep bij de High Court (zonder twijfel een onafhankelijk gerecht) voldoende ruim in omvang om dit gebrek aan onafhankelijkheid van de inspecteur te herstellen, waardoor artikel 6 EVRM uiteindelijk niet was geschonden.25 Hoewel deze zaak geschaard kan worden onder de vele zaken waar een schijn van afhankelijkheid het gerecht de das om doet, gaat het in wezen om ontslag uit de rechterlijke functie (althans het intrekken van de beslissingsbevoegdheid) in een concrete zaak. Dat is in strijd met de rechterlijke onafhankelijkheid.
Recommendation R (94) 12 beveelt op dit punt aan (Principle I, lid 2, onder f):
‘A case should not be withdrawn from a particular judge without valid reasons, such as cases of serious illness or conflict of interest. Any such reasons and the procedures for such withdrawal should be provided for by law and may not be influenced by any interest of the government or administration. A decision to withdraw a case from a judge should be taken by an authority which enjoys the same judicial independence as judges.’
Op een algemener niveau dan het intrekken van de beslissingsbevoegdheid van de rechter in een concrete zaak ligt de bevoegdheid om een gerecht in zijn geheel op te heffen (die vaak samengaat met de bevoegdheid om het gerecht op te richten).26 Het resultaat in het concrete geval is hetzelfde: individuele rechters die deel uitmaken van dat gerecht verliezen hun beslissingsbevoegdheid. Maar is de opheffing van een gerecht zonder meer in strijd met de (functionele) rechterlijke onafhankelijkheid? Ik meen van niet. Opheffing van bepaalde gerechten kan bijvoorbeeld voortvloeien uit een reorganisatie van de rechtspraak. Daar kunnen goede gronden voor zijn. Wel kan de rechtspositie van individuele rechters werkzaam bij het op te heffen gerecht – met name van diegenen die voor het leven zijn benoemd – met zich brengen dat een goede overgangsregeling moet worden getroffen, zoals behoud van salaris, of het aanbieden van een positie als rechter in een ander gerecht. Meestal geschiedt de instelling en opheffing van gerechten door de (grond)wetgever. Soms is die bevoegdheid (op grond van de wet) in handen van de uitvoerende macht. De Commissie heeft zich over deze kwestie uitgelaten in de zaak Zand.27 Zij merkt op dat die bevoegdheid van de regering op zichzelf niet in strijd is met artikel 6 EVRM:
‘As regards the question of the Minister’s discretion to establish, and abolish, Labour Courts according to need, the Commission notes the Government’s submission that ‘need’ as understood by the competent administrative organs in Austria means the objective need for the existence of a Labour Court in a particular place which can be determined by such considerations as the number of cases which are likely to come up, the easy access of the local population to the court etc. This concept seems to exclude arbitrary decisions of the Minister. Even if the wide discretion given to the Minister could facilitate the intrusion of extraneous considerations, the Commission considers that the mere possibility of this is not sufficient to warrant a finding that the Labour Courts’ independence is generally affected. It would have to be shown by reference to particular cases that the practice of the authorities in these matters is as a whole unsatisfactory, or that a least the establishment of the particular court deciding a case was influenced by improper motives. Nothing of the kind has been suggested by the applicant.’28
Het opheffen van een gerecht door de uitvoerende macht direct voorafgaand aan, of tijdens een gerechtelijke procedure is wel kwalijk uit een oogpunt van rechterlijke onafhankelijkheid. Daarbij kan immers niet worden uitgesloten dat er onjuiste motieven voor de opheffing meespelen, zoals de te verwachten uitkomst van de zaak. De Commissie en het Hof hebben een dergelijke bevoegdheid dan ook in strijd geacht met de eis van onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM in diverse zaken met betrekking tot militaire tribunalen:
‘The question therefore arises whether the members of the court martial were sufficiently independent of the convening officer (…). In this respect also the Court shares the concerns of the Commission. It is noteworthy that all the members of the court martial, appointed by the convening officer, were subordinate in rank to him. (…) Furthermore, the convening officer had the power, albeit in prescribed circumstances [when required in the interests of the administration of justice – section 95 Army Act 1955], to dissolve the court martial either before or during the trial.’29