Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.2.6
4.3.2.6 Analyse: redenen voor de huidige koers en juridische kanttekeningen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661351:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/33, die betoogt dat kenmerkend is voor de motivering van rechterlijke uitspraken in Nederland dat daarin doelgericht wordt aangestuurd op de beslissing, vaak zonder zichtbare afweging van voor en tegen en andere aspecten die inzicht geven in de gedachtegang of dissenting opinions. Zie ook Niessen 2012, par. 5.11.
De Hoge Raad stelt voorop dat de fiscus niet gebonden kan worden geacht aan al zijn uitlatingen waardoor bij een belastingplichtige verwachtingen zijn gewekt en ‘met name’ niet bij inlichtingen (vgl. BNB 1979/311), of bij uitingen die ‘slechts’ voorlichting betreffen (vgl. BNB 1988/148). Die terughoudendheid wordt onderstreept doordat de Hoge Raad in BNB 1979/311 de zinsnede formuleert dat voor uitzondering op de hoofdregel ‘daartoe ten minste vereist zal zijn (…)’. Volgens Geppaart 1984, p. 492 wil de Hoge Raad hiermee ruimte houden voor een verdere verfijning in de rechtspraak (overigens zijn nadien geen aanvullende eisen geformuleerd; Vgl. Kistenkas 1993a, par. 4.1: ‘Bij tegenwettelijke informatieverstrekking is de Hoge Raad zeer terughoudend met een contra-legemtoepassing.’
Zo meent Smit 1984a dat sprake zou zijn van een ‘te vergaande binding (…) wanneer men geen onderscheid maakt naar de aard van de genoemde vormen van mededelingen en de daaruit voortvloeiende mate van gebondenheid van de inspecteur’. Zie ook Geppaart 1979, par. 8-9; Kistenkas 1993b, par. 3.
Gezien de terughoudendheid van de Hoge Raad bij ‘buitenwettelijk recht’, lag het volgens Geppaart 1984, p. 486 ‘voor de hand’ dat de rechtswaarde van toelichtingen bij het aangiftebiljet ‘gering’ zou blijven.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, nr. 13/01089, V-N 2015/25.19.23, r.o. 4.5: ‘Het Hof is van oordeel dat het aangifteprogramma van de Belastingdienst in beginsel geen wijziging kan aanbrengen in de op grond van de Wet IB verschuldigde belasting.’
Vgl. Scheltema 1997, p. 3-5.
CRvB 24 april 1991, nr. KBW1990/56, RSV 1992/110. Zie ook CRvB 25 augustus 1992, nr. WW1990/319, AB 1992, 617: ‘Een soepele uitvoering van de sociale verzekeringswetgeving brengt nl. met zich dat informatie en mededelingen van de zijde van het uitvoeringsorgaan niet te spoedig mogen worden opgevat als die organen bindende uitlatingen, omdat die organen zich anders genoopt zouden zien voortaan hun beambten geen of slechts zeer summiere inlichtingen te laten geven (vergelijk CRvB 17 nov. 1982, RSV 1983/34)’; recenter CRvB 25 maart 2011, nr. 10/617 WWB+11/1428 WWB-VV, r.o. 4.5.2.
Vgl. Van de Sande 2014, p. 195.
Van den Berge 2016b, par. 3.8; vgl. conclusie A-G IJzerman bij BNB 2010/314, punt 4.29. Volgens Pauwels 2009, p. 177 is het argument van de onbelemmerde voorlichtende taak een ‘extra belang’ dat meeweegt naast het (zwaarwegende) legaliteitsbeginsel dat tegenwicht biedt aan het vertrouwensbeginsel.
Vgl. Albert in BNB 2010/314, punt 1: ‘Het (collectieve) belang dat de fiscus zijn voorlichtende taak onbelemmerd kan vervullen (de maatschappelijke wenselijkheid van begrijpelijke publieksinformatie), weegt dan zwaarder dan het (individuele) belang van de belastingplichtige die voor de onaangename verrassing moet worden behoed dat hij meer belasting verschuldigd is dan hij op grond van de inlichting mocht verwachten.’). Zie ook Happé 1996, p. 164, 172; Wattel 1991, par. 3.3; Pauwels 2009, p. 177 beschouwt het belang van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak als een ‘extra belang’ naast het legaliteitsbeginsel. Volgens Smit 1984a, onderdeel ‘Beschouwing’ wordt overigens het belang van de Belastingdienst voorop gesteld bij inlichtingen in de vorm van principiële ongebondenheid die alleen in zwaarwegende uitzonderingsgevallen wordt doorbroken; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht Archief 2019/FBR.4.3.3.0 (24 februari 2019): ‘De Belastingdienst wil die voorlichtende taak graag ruimhartig uitvoeren mits zij daardoor niet in haar vrijheid wordt belemmerd om de belastingwet juist toe te passen.’; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021); Geppaart 1984, p. 491-492: ‘De Hoge Raad wil het geven van inlichtingen niet nodeloos bemoeilijken.’; Gorissen 2008, p. 81.
Bijv. A-G IJzerman Conclusie bij BNB 2010, punt 4.29: ‘Aan de Belastingdienst moet ruimte worden gelaten om in het algemeen belang zijn voorlichtende taak te kunnen vervullen. (…) Ten aanzien van contra legem voorlichting zijn door de Hoge Raad in het kader van het vertrouwensbeginsel afwegingen gemaakt, met oog voor de maatschappelijke wenselijkheid van begrijpelijke publieksinformatie.’ Geppaart 1984, p. 492: ’De Hoge Raad wil het geven van inlichtingen niet nodeloos bemoeilijken’; Scheltens in BNB 1979/311, o.a. punt 2 en punt 5; Brouwers 1980; conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.5, die meent dat het vertrouwensbeginsel noopt tot weging van diverse belangen, waaronder ‘het belang van het bestuur, dat moet kunnen besturen, mede in het belang van derden, en dat zijn publieksvoorlichtende taak moet kunnen uitvoeren in het belang van diezelfde burger(s).’
Niessen 2012, par. 5.11-5.12.
Inbreng van een schriftelijk overleg over algemene informatie aangiftecampagne en werkwijze BelastingTelefoon tijdens aangiftecampagne van 4 april 2018 (Kamerstuk 31066-397), kenmerk 2018D23070, p. 3.
Bijv. Geppaart 1979, par. 8 onder punt 8.5. Buiten het belastingrecht zie in paragraaf 2.5.4; Van de Sande 2014, p. 192-195 (volgens hem heeft genoemd argument een rechtspolitiek karakter, zie p. 193); Van de Sande 2019, p. 251-252; Barendrecht e.a. 2002, p. 37; conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.7: ‘En burgers zijn ook niet gebaat bij een overheid die uit angst voor gevolgen individueel contact met burgers mijdt en alleen verwijst naar algemene informatie op de website of alleen nog vanachter disclaimers communiceert.’ Anderzijds zie Kortmann 2019a, die opmerkt dat ‘de voorlichtingsmachine van de belastingdienst’ niet tot stilstand is gekomen door de fiscale rechtspraak.
Wattel 1991, par. 3.3.
Bergman in Belastingblad 2022/17; IJzerman in FED 2022/22; Redactie in V-N 2021/48.13. Zie ook Scherff in Gemeentestem 2022/3, die stelt dat het arrest een ‘wake upcall’ is voor zowel (de)centrale belastingheffers om nog eens goed te kijken naar hun teksten op de website (etc.).
Van Leijenhorst 1993, par. 5: ‘Mochten dergelijke uitlatingen van medewerkers van de belastingdienst [TC: o.a. genoemd is uitingen via de Belastingtelefoon] toch een rechtens te honoreren vertrouwen kunnen opwekken, dan kan de belastingdienst haar voorlichtende taak niet langer met goed fatsoen vervullen.’ Waarom de Belastingdienst die taak niet meer fatsoenlijk zou kunnen vervullen, wordt overigens niet toegelicht.
Zie ook IJzerman in FED 2022/11, punt 8.
Scheltens in BNB 1979/311, punt 2.
Van Nispen tot Sevenaer in FED 1990/231, par. 4.
Zie Damen 2018, par. 6.3.1, 6.4.2.
Vgl. Barendrecht 2002, p. 124; Van de Sande 2019, p. 252.
Schlössels e.a. 2019, 2019/1021. Zie ook Van de Sande 2019, p. 250 die het argument van het belang van de voorlichtende taak niet juridisch zelfstandig houdbaar acht. Zie ook Vgl. kritische commentaar van Schlössels 2011, par. 2.5.2 (bij bespreking van de zaak BNB 2010/314), ook in vergelijking met het algemene bestuursrecht), die betoogt dat de strenge hoofdregel van de Hoge Raad vragen oproept. Hij acht het opmerkelijk dat de Belastingdienst op deze wijze gemakkelijk wegkomt met het verstrekken van onjuiste informatie, ook als het gaat om gedetailleerde algemene informatie die wordt verstrekt in verband met specifieke besluitvorming, en zelfs in een situatie waarin de belastingplichtige niets valt te verwijten. Zie Meuwese 2020, p. 3: ‘Het vertrouwensbeginsel heeft op het terrein van het belastingrecht slechts een beperkte rol te spelen: burgers en bedrijven kunnen niet gemakkelijk gerechtvaardigd vertrouwen op algemene voorlichting. Hierdoor kan de Belastingdienst behoorlijk risicovrij experimenteren met ‘vertalingen’ van belastingwetgeving voor een breed publiek.’
Zie bijv. Scheltema 2019a, o.a. par. 8-9. Het eigen belang bij betrouwbaarheid en een goede reputatie is ook te zien in het communicatiebeleid van de Belastingdienst (zie paragraaf 3.2.8).
Overigens merk ik op dat uit de zinsnede ‘noopt te aanvaarden’ en ‘moet worden aanvaard’ uit de overweging van de Hoge Raad een bepaalde noodzakelijkheid, gedwongenheid spreekt. Dit suggereert mijns inziens ook dat de voorgestane risicoverdeling geen zaak is die vanzelf spreekt.
Zie Den Boer in BNB 1988/148. Dit argument appelleert ook aan rechtsgelijkheid. Zie Happé 1996, p. 183.
Stevens 2018, par. 5.2: ‘In de fiscaliteit heeft de bescherming van de rechtszekerheid overigens ook haar grenzen. Het honoreren van de rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige kan immers zodanige nadelen opleveren voor een collectiviteit van andere belastingplichtigen dat uiteindelijk toch de rechtvaardige verdeling van de belastingdruk zwaarder moet wegen. Bij de belastingheffing gaat het vanwege de budgettaire consequenties immers niet alleen om de verhouding tussen de klagende belastingplichtige en de overheid, maar ook om de consequenties daarvan voor de overige belastingbetalers. Wat de een te weinig betaalt, betaalt de ander immers te veel.’
Smit 1984a onder ‘Beschouwing’. Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021).; de conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, p. 12, 16; Kistenkas 1993b, par. 4.3.
Zie ook Van Leijenhorst in BNB 2002/45.
HR 13 december 1989, nr. 25 077, BNB 1990/119; zie paragraaf 4.4 over beleidsregels en paragraaf 4.5 over toezeggingen. Vgl. Scheltens in BNB 1990/148.
Zie de conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.17 en ABRvS 25 mei 2019, nr. 201802496/1/A1, AB 2019/302, r.o. 11.3: ‘In het kader van de vraag of een toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend, is volgens (…) de conclusie een verschuiving nodig van het bestuurlijke naar het burgerperspectief. De Afdeling vindt dit ook.’ Zie ook Van Triet 2021, p. par. 4, die betoogt dat de jurisprudentie nog niet de beoogde verschuiving laat zien.
Immers, in BNB 1979/311 neemt Hoge Raad als vertrekpunt de toedeling van het risico op onjuiste voorlichting (zie: ‘indien het gaat om (…) inlichtingen (…) het belang (…) noopt te aanvaarden dat het risico (….) in de regel voor rekening van (…) blijft’). Zie in de literatuur de benadering als een risicoverdelingsvraagstuk Wattel 1991, par. 3.3; Smit 1984a, onder ‘nabeschouwing’; Van Nispen tot Sevenaer 1989.
Volgens conclusie van Staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, punt 3.5 ‘fungeert’ het vertrouwensbeginsel als risicoverdeler; zie ook punt 3.7.
Gribnau 1998, p. 376, onder verwijzing naar Vranken.
Gribnau 1998, p. 376.
Weliswaar resulteert een bepaalde afweging van of beoogd evenwicht tussen rechtsstatelijke beginselen tot een bepaalde verdeling van risico’s, maar dat is een gevolg van en niet het vertrekpunt in de herijking.
Ik acht goed voorstelbaar dat de Hoge Raad in HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10 mede tegen deze achtergrond niet zo ver heeft willen gaan om het dispositievereiste af te schaffen als criterium; hetgeen voor de onderliggende zaak ook niet nodig was om doeltreffende rechtsbescherming te bieden (zie paragraaf 4.3.4).
BNB 2022/10, r.o. 4.2.3, tweede zin.
BNB 2022/10, r.o. 4.2.3, laatste zin.
Zie ook IJzerman in FED 2022/10, punt 7.
In zijn conclusie bij HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10, punt 4 e.v. gaat Niessen uitgebreid in op het karakter van de revisierente. Volgens hem kwalificeert de revisierente als ‘daarenboven geleden schade’ (namelijk als ‘last boven de belasting die normaal gesproken verschuldigd is’, zie punt 6.7). In die interpretatie zou belanghebbende aan het dispositievereiste voldoen.
HR 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76, r.o. 2.4.2.
Zie mijn commentaar in BNB 2022/10, punt 21 e.v. Zie over (het streven naar) rechtseenheid met de andere hoogste bestuursrechters in punt 19-20. Van der Vegt wijst in zijn commentaar in NTFR 2021/3783 op verschoven maatschappelijke verhoudingen en het rechtvaardigheidsgevoel. De redactie in FutD 2021/3395 acht met de bijstelling van het dispositievereiste sprake van een ‘opsteker in een tijd waarin het verbeteren van de rechtsbescherming van belastingplichtigen lang niet vanzelfsprekend is’. Nent spreekt in NLF 2021/2162 van een ‘prachtig arrest’, dat naar haar mening ‘recht doet aan het leed dat een belastingplichtige soms treft wanneer hij op basis van een onjuiste inlichting op de website een handeling verricht of nalaat.’
Daarbij denk ik met name aan de reactie van de voorzitter van de Afdeling Van Ettekoven 2021 op het rapport Ongekend Onrecht in januari 2021 en bijbehorende aankondiging van een reflectierapport inzake de eigen rol van de Afdeling in de kinderopvangtoeslagaffaire (het reflectierapport zelf verscheen overigens pas na het onderhavige arrest; rapport van 19 november 2021, V-N 2021/52.18). Zie ook Rapport van de Werkgroep reflectie toeslagenaffaire rechtbanken 2021.
Zie Rapport van de Adviescommissie praktische Rechtsbescherming in belastingzaken 2021.
Zie mijn commentaar in BNB 2022/10, punt 24.
Nu de huidige koers berust op de hoofdregel nee, tenzij rijst de vraag waarom de Hoge Raad bij voorlichting heeft gekozen voor een rechtsregel die betekent dat bij de burger gewekte verwachtingen in beginsel niet worden beschermd. Wat de Hoge Raad vindt en waarom, weet enkel de Hoge Raad. Arresten bieden maar tot op zekere hoogte inzicht in zijn gedachtegang.1 Wel kan mijns inziens een reconstructie worden gemaakt van redenen die bepalend lijken te zijn voor het geldende uitgangspunt in de terughoudende koers. Ik acht de volgende samenhangende redenen relevant: (1) het uitzonderingskarakter van contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel, (2) belang van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak, (3) budgettaire aspecten, (4) het gebrek aan bindingsbedoeling van de Belastingdienst en het karakter van voorlichting, (5) risicoverdelingsvraagstuk en tot slot (6) het argument van doeltreffende rechtsbescherming. Ik licht deze hierna toe, waarbij ik een link leg met eerder besproken argumenten (paragraaf 2.6.3).
1) Uitzonderingskarakter contra legem-werking van het vertrouwensbeginsel
In de eerste plaats laat de hoofdregel nee, tenzij zien dat contra legem-toepassing van het vertrouwensbeginsel een uitzonderingskarakter heeft. Specifiek bij voorlichting is de Hoge Raad daarmee extra terughoudend.2 Die terughoudendheid is goed te verklaren.3 In de literatuur was men overigens niet verrast dat juist bij voorlichting niet snel uitzonderingen worden gemaakt.4 De belastingwet moet worden toegepast (legaliteit, gelijkheid, rechtszekerheid), belastingaanslagen zijn ‘gebonden beschikkingen’ en belastingen worden geheven op grond van de wet – en niet op grond van voorlichting (paragraaf 2.2). Hoewel de Hoge Raad het niet met zoveel woorden benoemt, hangt dit samen met de rechtsstatelijke verhouding tussen de wetgever en de Belastingdienst als wetsuitvoerder (paragraaf 2.2.3). Slechts bij hoge uitzondering kan de democratisch gelegitimeerde wet wijken voor uitingen van de uitvoerder.5
2) Het belang van de onbelemmerde uitvoering van voorlichtende taak
In de tweede plaats is er het argument dat het belang van zowel burgers als de Belastingdienst is gediend bij een zo ruim mogelijke en onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak. Dit is hét argument dat de Hoge Raad als motivering geeft bij zijn koers (paragraaf 4.3.2.3). Daarbij blijft evenwel onduidelijk wat wordt bedoeld met ‘onbelemmerd’ en daarmee waarom dit argument de huidige koers zou rechtvaardigen. De Hoge Raad laat de onderbouwing in het midden.
Toch is het belangrijk de veronderstelde relatie tussen het algemene belang en de risicoverdeling te expliciteren. Het maakt de onderbouwing en bijbehorende veronderstellingen toetsbaar.6 Een reconstructie zou er als volgt uit kunnen zien:
De Belastingdienst heeft een voorlichtende taak in het algemene belang.
Als de Belastingdienst gebonden zou zijn aan onjuistheden in zijn voorlichting, zal hij worden belemmerd om vrijuit informatie te geven en minder bereid zijn om voorlichting te geven, of minder goede voorlichting kunnen geven.
Burgers zijn er niet bij gebaat als de Belastingdienst niet meer tot (goede) voorlichting bereid is en de Belastingdienst is niet gebaat bij niet-voorgelichte burgers.
Dus moet het risico op onjuistheden voor rekening van burgers komen.
(Tenzij uitzonderlijke omstandigheden.)
Conclusie: de Belastingdienst moet in principe niet worden gebonden aan (onjuiste) voorlichting.
Een dergelijke redenering vertoont raakvlakken met de motivering die de Centrale Raad van Beroep gaf bij zijn (terughoudende) koers bij binding aan algemene informatie.
‘Zoals de Raad in eerdere uitspraken, waaronder die van 25 juni 1980 (…) heeft overwogen, brengt een soepele uitvoering van de sociale verzekeringswetten met zich mee dat informaties en mededelingen van de zijde van uitvoeringsorganen niet al te spoedig als die organen bindende uitlatingen worden opgevat, omdat die organen zich anders genoopt kunnen zien voortaan hun beambten geen of slechts zeer summiere inlichtingen te laten geven. Maar uiteraard impliceert zulks, dat zich ook wel degelijk — bijzondere — omstandigheden kunnen voordoen waarin aan dergelijke uitlatingen wel een bindend karakter, als hiervoor bedoeld, moet worden toegeschreven.’7
Hoe verhouden opvattingen in de fiscale literatuur zich tot de motivering van de Hoge Raad?
Het algemene belang
De Hoge Raad maakt een afweging van de maatschappelijke aanvaardbaarheid van gebondenheid van de Belastingdienst aan zijn voorlichting (een ‘rechtspolitieke’ keuze8). Op grond van de, althans destijds, geldende opvattingen diende het uitganspunt van niet-gebondenheid het algemene belang. Zo stelt Van den Berge dat de Hoge Raad bij de gekozen koers in BNB 1979/311 expliciet ‘maatschappelijke aspecten’ heeft laten meewegen in deze beslissing.9 Welke aspecten dat zijn en hoe zij zijn gewogen ten aanzien van andere aspecten, is niet toegelicht. De Hoge Raad geeft daarin ook geen inzicht.
In de literatuur wordt het wel in het algemene belang en/of het belang van de Belastingdienst geacht dat het risico op onjuiste voorlichting niet te snel bij de Belastingdienst wordt gelegd.10 In dat opzicht wordt de huidige koers verdedigbaar geacht. Toch blijft veelal in het midden waarom de Belastingdienst beschermd zou moeten blijven van de gevolgen van onjuistheden in zijn eigen voorlichting. Het argument van de onbelemmerde uitvoering van de voorlichtende taak heeft daarom mijns inziens een sterk retorische kracht. Niemand zal immers willen dat de Belastingdienst wordt gehinderd om zijn voorlichtende taak goed uit te voeren.
Bewegingsruimte bij informatieverstrekking
In de fiscale literatuur wordt wel beargumenteerd dat aan de Belastingdienst bewegingsruimte moet worden gegund om zijn voorlichtende taak goed te kunnen uitvoeren met het oog op het algemene belang.11 Volgens Niessen lijkt de Hoge Raad bij voorlichting, een typische overheidstaak, de Belastingdienst relatief veel ruimte te gunnen om deze taak uit te voeren in het algemene belang en kan daarmee worden verklaard dat de Hoge Raad ‘besliste dat in de regel zelfs onjuiste inlichtingen niet aan de fiscus kunnen worden tegengeworpen’.12 Deze argumenten impliceren overigens dat een snellere bescherming van burgers die bewegingsruimte zou (kunnen) beperken. In het midden blijft of, en in welk opzicht, dat het geval zou zijn. Het argument brengt in ieder geval mee dat onjuiste inlichtingen van de BelastingTelefoon voor de Belastingdienst geen gevolgen heeft, maar wel voor de burger, hetgeen maatschappelijk onbevredigend is.13
Praktische gevolgen: afnemende bereidheid tot voorlichting
In de fiscale literatuurwordt de terughoudendheid bij binding van de Belastingdienst aan voorlichting ook wel onderbouwd door, althans verklaard met, een vermeende anders afnemende bereidheid van de Belastingdienst om ruime voorlichting te geven.14 Zo constateerde Wattel begin jaren 90 dat het risico van onjuistheden in de voorlichting in eerste instantie bij het publiek wordt gelegd, omdat ‘een niet tot voorlichting bereid zijnde fiscus niet in het belang van de belastingplichtigen is en een niet-voorgelicht publiek niet in het belang van de fiscus is.’15 Recenter uiten diverse auteurs de hoop dat de bijstelling van het dispositievereiste niet ertoe zal leiden dat de Belastingdienst minder bereid zal zijn om voorlichting te geven.16 De voorgaande gedachten impliceren dat als de Belastingdienst het risico zou dragen van onjuistheden in zijn voorlichting, hij minder bereid zou zijn om voorlichting te geven. Nog afgezien van het gegeven dat dit een tamelijk negatief beeld van de houding van de Belastingdienst zou inhouden, miskent het argument dat de taak om het publiek voor te lichten niet enkel berust op de al dan niet aanwezige bereidheid van de Belastingdienst om het publiek voor te lichten, maar tevens een rechtsstatelijke verplichting is, waarbij de Belastingdienst als wetsuitvoerder mede een eigen belang heeft (paragraaf 2.3, 2.4).
In de fiscale literatuur wordt er ook wel op gewezen dat binding van de Belastingdienst aan zijn voorlichting negatief effect zou kunnen hebben op de kwaliteit van de uitvoering van de voorlichtende taak of van voorlichting zelf.17 Daar valt tegenin te brengen dat de huidige risicoverdeling juist weinig prikkel biedt voor de Belastingdienst om (extra) zorgvuldigheid te betrachten in zijn voorlichting (paragraaf 2.6.3.2). Een snellere gebondenheid aan zijn voorlichting kan dus juist een stimulans tot zorgvuldigheid zijn.18
Praktische bezwaren: bewijslast
De huidige koers van de Hoge Raad kan ook (mede) zijn ingegeven door praktische bezwaren. Zo betoogt Scheltens reeds in 1979 dat het niet zo moet zijn dat een ambtenaar die inlichtingen verstrekt
‘telkens op zijn woorden moet passen om te voorkomen dat zijn mededelingen, meestal onvoorbereid op gestelde vragen gedaan, hem later als bindende uitspraken voor de voeten worden geworpen, bijna altijd zeer veel later als hij zich in de veelheid van gesprekken dit ene gesprek ternauwernood kan herinneren, laat staan de letterlijke bewoordingen die hij destijds heeft gebruikt’.19
Wat mij betreft is dit geen onderbouwing voor een zeer terughoudende koers bij binding. Weliswaar heeft informatieverstrekking – zeker als dat spontaan gebeurt – een specifieke context die risico’s meebrengt, maar dat noopt juist tot zorgvuldigheid: maak aantekeningen en kom er desnoods later specifiek op terug. Het zou in ieder geval niet zo moeten zijn dat de rekening van de spontaniteit van informatieverstrekking voor risico van de burger is.
Een ander praktisch bezwaar is geuit door Van Nispen tot Sevenaer. Hij wijst op de ‘vrees dat talloze belastingplichtigen zich in de toekomst op niet te verifiëren telefoongesprekken zullen beroepen.’20 Dat acht hij een bewijsrechtelijk probleem. Denkbaar is bijvoorbeeld dat het opnemen, bewaren, opzoeken en delen van opnames van telefoongesprekken inderdaad een flinke praktische last bij de Belastingdienst legt, zeker als het om grote aantallen gaat. Daar valt tegenin te brengen dat daarvoor met de moderne middelen oplossingen te verzinnen moeten zijn (denk aan bestaande opnames voor ‘kwaliteitsdoeleinden’). Praktische bezwaren verdienen uiteraard serieuze aandacht en een oplossing, maar mogen mijns inziens geen doorslaggevende betekenis hebben bij niet-gebondenheid.21
Voor wat betreft alle genoemde argumenten geldt dat deze in de kern berusten op aannames en niet op feitelijke gegevens.22 Zo is er bijvoorbeeld geen onderzoek naar de anders afnemende bereidheid van de Belastingdienst om voorlichting te geven. De realiteitswaarde van die ‘vrees’ is dus niet getoetst. De besproken tegenwerpingen laten zien dat de houdbaarheid van aannames – en dus van de onderbouwing van de huidige koers – onder druk staat en zij dus niet zonder meer kunnen worden volgehouden als uitgangspunt.
Juridische kanttekeningen
Opvallend is dat buiten de fiscale literatuur wel vraagtekens zijn geplaatst bij het belang van de voorlichtende taak als argument voor niet-binding van de Belastingdienst in de huidige koers. Zo valt volgens Schlössels e.a. het argument van de Hoge Raad te nuanceren:
‘de overheid kan haar voorlichtende taak evenmin doeltreffend uitoefenen als zij nauwelijks op de verschafte informatie kan worden aangesproken. Die verliest dan op den duur aan geloofwaardigheid.’23
In de fiscale literatuur is dit – terechte – bezwaar vooralsnog onderbelicht gebleven. De kanttekening van Schlössels e.a. is extra relevant geworden, nu de afgelopen jaren het belang van een ‘geloofwaardige’ en ‘betrouwbare overheid’ is toegenomen.24
Bovendien zou het door de Hoge Raad gegeven argument mijns inziens eerder een tegenovergestelde koers kunnen onderbouwen. In het belang van de voorlichtende taak ligt immers een reden om de Belastingdienst juist wél te binden aan voorlichting. Zo kan worden beargumenteerd dat als de voorlichtende taak in het algemene belang is en zich daarbij onvolkomenheden voordoen, het redelijker is de daaraan verbonden ‘kosten’ voor rekening van het collectief te laten komen in plaats van de ‘toevallige’ burger die op onjuiste informatie heeft vertrouwd.25 Anders gezegd, als de voorlichtende taak het collectieve belang dient, zouden de daaraan verbonden risico’s ook voor rekening van het collectief moeten komen: het zijn de kosten van het ‘instrument’.
3) Budgettaire aspecten
Reden voor de huidige koers kan ook worden gezocht in budgettaire gevolgen. Zo acht Den Boer in zijn commentaar bij BNB 1988/148 het terecht dat de Belastingdienst niet werd gebonden aan zijn onjuiste toelichting vanuit het oogpunt van de enorme financiële impact voor de schatkist, waar een ‘ongerechtvaardigde verrijking’ van een individuele belastingplichtige tegenover staat.26 Vanuit die optiek is binding van de Belastingdienst niet in het algemeen belang: ‘Wat de een te weinig betaalt, betaalt de ander immers te veel’.27 Kanttekening bij dit argument is dat bescherming tegen overheidsoptreden niet – althans zeker niet primair – een financieel vraagstuk is, maar kern is van de rechtsstaat. Hoewel de budgettaire gevolgen niet uit het oog mogen worden verloren, kan dit geen doorslaggevend argument zijn voor een onevenwichtige verdeling van risico’s tussen overheid en burger.
4) Bindingsbedoeling en karakter van voorlichting
Een ander argument dat in de literatuur naar voren komt is dat de Hoge Raad met de huidige koers aansluit bij de ‘bindingsbedoeling’ van de Belastingdienst bij voorlichting. Beter gezegd: het gebrek aan. Bij voorlichting gaat het in de regel om algemene informatie, het is slechts voorlichting (paragraaf 4.3.1.4). Anders dan bij toezeggingen, ontbreekt aan de zijde van de Belastingdienst bij voorlichting het oogmerk van de Belastingdienst om zich te binden aan een standpunt over de uitoefening van zijn bevoegdheden in een concreet geval. Volgens Smit doet de Hoge Raad daaraan ‘recht’ met zijn koers.28 De principiële ongebondenheid aan voorlichting wordt namelijk alleen in zwaarwegende uitzonderingsgevallen doorbroken. Vanwege zijn algemene, doorgaans niet specifiek op een feitencomplex toegespitste karakter, is voorlichting in de rangorde van vertrouwenwekkende uitingen de ‘laagste’ op de ladder van uitzonderingsgevallen, met de relatief hoogste drempel voor uitzonderingen.29
Tegen genoemd argument kan als bezwaar worden ingebracht dat de Hoge Raad ten aanzien van de bindingsbedoeling bij andere uitingen een andere benadering hanteert. Bij bijvoorbeeld toezeggingen en beleidsregels is niet zozeer de intentie van de Belastingdienst, maar de indruk van de belastingplichtige beslissend.30 Bovendien is er in het algemene bestuursrecht een verschuiving gaande van ‘minder bestuursperspectief’ naar ‘meer burgerperspectief’.31 Mijns inziens kan de bindingsbedoeling, die uitgaat van het perspectief van de Belastingdienst, dus niet (meer) een op zichzelf staande rechtvaardiging vormen voor de koers. Daarbij komt dat voorlichting, zelfs als het enkel om algemene informatie gaat, voor de Belastingdienst en de burger méér is dan slechts informatie. Tot slot geldt dat een algemeen karakter nog geen onjuistheden rechtvaardigt, zelfs niet in aanwezigheid van een algemene disclaimer (paragraaf 2.6.3.2, 4.7.2, 5.3.3, 6.4).
5) Risicoverdelingsvraagstuk
In de aanpak van de Hoge Raad is nog een andere kwestie die tegen het licht moet worden gehouden. De Hoge Raad benadert de vraag of verwachtingen ontleend aan voorlichting moeten worden beschermd, gezien de gekozen bewoordingen in eerste instantie als een risicoverdelingsvraagstuk.32 Dat is opmerkelijk. Het vertrouwensbeginsel is immers niet gericht op het verdelen van risico’s, maar op het beschermen van gerechtvaardigd vertrouwen (paragraaf 4.2.1). De risicoverdeling is in zoverre weliswaar een gevolg van het vertrouwensbeginsel, maar het is dus geen doel op zich.33
In de benadering van een risicoverdelingsvraagstuk dringt zich de vergelijking op met het civielrechtelijke leerstuk van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad. Wie moet het ‘risico’ dragen van schade veroorzaakt door onjuiste informatieverstrekking door de overheid (paragraaf 2.6.3)? Gribnau adresseert een dergelijke vraag in het kader van inlichtingen en plaatst de door de Hoge Raad voorgestane risicoverdeling dan in het licht van het civielrechtelijke uitgangspunt dat fouten of vergissingen voor eigen risico komen, tenzij de wederpartij ze heeft opgewekt, kende of had moeten voorkomen.34 Gribnau constateert dat de Hoge Raad in BNB 1979/311 heeft bepaald dat het risico op een onjuiste inlichting in beginsel bij de burger rust. Vanwege de asymmetrie tussen de Belastingdienst en de burger kan volgens Gribnau echter ‘niet als algemene vuistregel gelden dat fouten of vergissingen voor eigen rekening komen, tenzij de wederpartij ze heeft opgewekt, kende of had moeten voorkomen. Deze regel geldt immers bij uitstek voor symmetrische rechtsbetrekkingen.’35 Als ik het goed zie, acht Gribnau de civiele vuistregel dus niet adequaat als rechtvaardiging voor de door de Hoge Raad voorgestane risicoverdeling, omdat de Belastingdienst en burger geen ‘gelijke’ partijen zijn. Oftewel, de civiele benadering voor de risicoverdeling is voor dit fiscale leerstuk geen juiste benadering. Bovendien werkt de civiele benadering mijns inziens ook niet logisch uit in de hoofdregel nee, tenzij. Immers, in gevallen waarin sprake is van aan de Belastingdienst te wijten onvolkomenheden in voorlichting zou in principe de ‘tenzij’ in de civiele vuistregel in werking moeten treden, waardoor het risico naar de Belastingdienst verschuift. Echter, in de fiscale hoofdregel wordt dat verhinderd door de gestelde criteria, met name het dispositievereiste.
Ik acht de benadering als risicoverdelingsvraagstuk bij het vertrouwensbeginsel niet adequaat. De vraag voor wiens rekening het risico moet komen van tekortschietende voorlichting (burger of overheid?) is een fundamenteel andere vraag dan de vraag of de burger op de uiting mag vertrouwen. Het tweede ziet op nakoming, het eerste ziet op het dragen van een risico (bijvoorbeeld op schade) (paragraaf 4.2, 7.6.3). Bij het vertrouwensbeginsel gaat het niet zozeer om het verdelen of toedelen van risico’s tussen Belastingdienst en burger, maar theoretisch bezien om het beschermen van gerechtvaardigde verwachtingen.36 Een risicobenadering doet daaraan geen recht.
Overigens past de Hoge Raad de benadering van een risicoverdelingsvraagstuk niet toe bij andere vertrouwenwekkende uitingen, zoals beleidsregels en toezeggingen (paragraaf 4.4.2 en 4.5.2). De specifieke benadering bij voorlichting wekt de indruk dat de Hoge Raad sterk rekening heeft gehouden met de ‘impact’ van eventuele gebondenheid via het vertrouwensbeginsel. De (potentiële) risico’s voor de overheid bij een andersluidende risicoverdeling zal in de visie van de Hoge Raad tot een ongewenst resultaat hebben geleid.37
6) Argument van doeltreffende rechtsbescherming
In BNB 2022/10 heeft de Hoge Raad zijn koers aangepast op het punt van de invulling van het dispositievereiste en laat de Hoge Raad de strikte beperking tot ‘daarenboven geleden schade’ los (paragraaf 4.3.4). Het arrest biedt relatief weinig zicht op de motieven. Er zijn twee aspecten genoemd: ‘huidige rechtsopvattingen’38 en ‘doeltreffende rechtsbescherming’.39 Geen van beide is toegelicht. Onduidelijk is dan ook wat de opvattingen volgens de Hoge Raad in 1979 inhielden en wat deze inhouden anno 2021, en op welk punt zij overeenkomen en juist verschillen.40 Overigens werden in de conclusie van A-G Niessen bij de zaak de toepassing van het vertrouwensbeginsel als zodanig, noch het dispositievereiste, ter discussie gesteld.41 In zoverre is het arrest verrassend. Bovendien had de Hoge Raad een aantal maanden eerder, in BNB 2071/76, nog zijn bestaande koers bevestigd en zag de Hoge Raad in die zaak dus kennelijk nog geen aanleiding om het dispositievereiste te herijken of anderzijds zijn opvatting over ‘doeltreffende rechtsbescherming’ bij te stellen.42 Helder is in ieder geval dat de Hoge Raad in november 2021 een zodanig verschil ziet, dat hij verschuiving naar meer rechtsbescherming wenselijk acht. Het levert evenwel een beperkte koersaanpassing op, namelijk zodanig dat deze enkel meer bescherming biedt aan de burger die disponeert (paragraaf 4.3.4).
Bij de aanleiding die de Hoge Raad zag in de ‘huidige rechtsopvattingen’, zullen vermoedelijk recente ontwikkelingen inzake de gebrekkige stand van de rechtsbescherming van de burger ten opzichte van de overheid hebben meegespeeld, zoals ik heb betoogd in mijn commentaar bij het arrest.43 Het ligt voor de hand aan te nemen dat de reflecties van de algemene bestuursrechters op hun optreden in de Toeslagenaffaire niet aan de Hoge Raad zijn voorbijgegaan.44 Hoewel de materie van een andere aard is, is goed denkbaar dat de geconstateerde gebreken in de geboden rechtsbescherming reden zijn geweest voor de Hoge Raad om de eigen opvattingen over wat rechtsbescherming inhoudt, bij te stellen.
Daarbij komt dat maatschappelijke en juridische opvattingen over de bescherming die het recht aan de burger moet bieden, aan het verschuiven zijn, mede vanwege de toegenomen aandacht voor het ‘burgerperspectief’ (paragraaf 2.2.4) en gebreken in de praktische rechtsbescherming die het belastingrecht biedt.45 Een en ander heeft er overigens niet toe geleid dat de Hoge Raad is ‘omgegaan’ ten aanzien van zijn koers als zodanig, noch de rechtsregel of risicoverdeling als zodanig, heeft gewijzigd.46 In zoverre is dus maar de vraag of de sfeerschets gebaseerd op het jurisprudentieonderzoek – waarin in 95% van de uitspraken het beroep op het vertrouwensbeginsel niet was geslaagd (zie paragraaf 4.3.2.5, 4.3.4) – ná het arrest van HR 5 november 2021, BNB 2022/22 een ander, voor belastingplichtigen rooskleuriger beeld zal opleveren. Bovenstaande argumenten blijven dus onverminderd actueel.
Na deze behandeling van aan de huidige koers ten grondslag liggende argumenten en gezichtspunten, zal ik de uitzonderingen op de hoofdregel bespreken.