Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.9.3.2
7.3.9.3.2 Aangewezen bewijsmiddelen en vrije waardering
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940732:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.5.3.
Zie ook paragraaf 7.3.5.5.
In de wetsgeschiedenis van de Wet IB 2001 worden ook geen opmerkingen gemaakt die daarop wijzen, zie Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 268.
Het is zelfs mogelijk dat het schriftelijke stuk geheel buiten beschouwing blijft, bijvoorbeeld als dit blijkt te zijn vervalst of geantedateerd. Zie voor een voorbeeld Hof Den Haag 21 juli 2022, V-N 2022/49.14, r.o. 5.4.1.
Vgl. Niessen-Cobben 1995, p. 171, die de regeling een ‘uitzondering’ noemt op de hoofdregel dat er geen voorschriften zijn dat aan een bepaald bewijsmiddel meer bewijskracht moet worden toegekend dan aan een ander.
Hiervoor merkte ik op dat er geen ‘gebonden’ bewijsmiddelen bestaan en ook geen ‘beslissende’ bewijsmiddelen. Bij de aangewezen bewijsmiddelen,1 zoals de schriftelijke bescheiden bij de giftenaftrek in de inkomstenbelasting,2 kan gemakkelijk de indruk ontstaan dat de wetgever in feite (ook) een voorschrift heeft gegeven omtrent de bewijswaardering. Naar mijn mening is dat echter niet juist: er is (slechts) sprake van een bewijsdrempel.3 Pas als die bewijsdrempel is gehaald (er zijn schriftelijke stukken), wordt de belastingplichtige toegelaten tot het aannemelijk maken van de giften in kwestie. Naar mijn mening is een bewijsdrempel geen waarderingsvoorschrift:4 een heel zwak schriftelijk bewijsstuk kan op zichzelf te weinig bewijskracht hebben, maar worden gesteund door andere (veel sterkere) bewijsmiddelen en aldus de gift toch aannemelijk maken. Een op zichzelf sterk schriftelijk stuk (bijvoorbeeld een notariële akte) kan daarentegen worden tegengesproken door getuigenbewijs.5
In mijn opvatting moet de beoordeling van de vraag of de bewijsdrempel is gehaald nadrukkelijk worden onderscheiden van de bewijswaardering. Bij de beoordeling van de bewijsdrempel is de rechter uiteraard gebonden aan de door de wet aangewezen vereiste bewijsmiddelen, maar daarbij gaat het nog niet om de overtuigingskracht. Het resultaat van de beoordeling is een eenvoudig ja of nee: de schriftelijke stukken zijn er óf wel, óf niet. Pas daarna gaat de rechter alle bewijsmiddelen, waaronder de aangewezen bewijsmiddelen, wegen en toetsen aan de vereiste bewijsgradatie. Het gewicht dat hij daarbij aan elk van de bewijsmiddelen toekent, is aan zijn discretie overgelaten. In de literatuur wordt hier echter wel anders over gedacht.6