Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.4.5
4.3.4.5 Kanttekeningen bij het dispositievereiste als criterium
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661263:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreid in Cramwinckel 2016b.
Zie Scheltens bij BNB 1979/311, punt 5; de conclusie van A-G Van Soest bij BNB 1988/148, punt 9.13; Wattel 1991, par. 3.3 en 3.7; Scheltema 1990, p. 502-504 en Scheltema in NJ 1979, 533; Conclusie van A-G Wattel bij HR 28 februari 2001, nr. 35 557, BNB 2001/295 (Drielandenpunt-arrest), punt 8.22 en recenter conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1, Bijlage 2, punt 2.17.
Daarbij verdient vermelding dat het in HR 5 november 2021, nr. 20/03173, BNB 2022/10 juist een situatie betreft waarin de burger iets deed (afkoop), dus in zoverre moet toekomstige jurisprudentie worden afgewacht wat doeltreffende rechtsbescherming meebrengt in andere situaties zonder dat sprake is van disponeren.
Den Boer in BNB 1988/148. Zie ook Schlössels 2011, par. 2.5.2 (n.a.v. de zaak in BNB 2010/314) acht de hoofdregel van de Hoge Raad vergaand en een ‘strenge regel’ en schrijft verder: ‘Opmerkelijk is dat de Hoge Raad in het vervolg van zijn arrest de onjuiste besluitvorming geheel voor rekening van de fiscus brengt en aangeeft dat de belanghebbende niets viel te verwijten. Deze had in redelijkheid geen aanleiding hoeven te vinden actie te ondernemen. Toch kan dit volgens de Hoge Raad niet tot een andere slotsom leiden dan dat de teruggaaf moet worden teruggenomen.’
Zie Van der Grinten in AB 2003, 265, punt 6.
Smit 1984a.
Vgl. Geppaart 1984, p. 492.
Vgl. Rechtbank Breda 30 november 2011, nr. 10/2852, V-N Vandaag 2011/3122, r.o. 4.5. Uiteraard zijn varianten en uitzonderingen denkbaar.
Vgl. in het kader van de (stapsgewijze) bestuursrechtelijke benadering Verheij in AB 2005/311: ‘Naar mijn oordeel behoort het dispositievereiste bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel pas een rol te spelen in de fase van de belangenafweging. Het vertrouwensbeginsel zegt niet, dat gewekte verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Het zegt slechts, dat gerechtvaardigde verwachtingen zo mogelijk moeten worden gehonoreerd (…). Soms moet het belang van degene die heeft vertrouwd worden afgewogen tegen andere belangen. In die context zal het belang van iemand die slechts heeft vertrouwd, minder zwaar wegen dan het belang van iemand die ook heeft gedisponeerd. Wie heeft gedisponeerd, zal immers meestal schade lijden als het vertrouwen niet wordt gehonoreerd.’
De herziening van het dispositievereiste in BNB 2022/10 heeft een aantal belangrijke knelpunten van het dispositievereiste in het belastingrecht verholpen. Zo behoort – als gevolg van het opheffen van de beperking van het begrip schade tot ‘daarenboven geleden schade’ – nu tot het verleden het moeizame vraagstuk wanneer sprake is van schade in de zin van dit vereiste.1 Bovendien is de discussie over de inconsequente uitwerking van de eis irrelevant geworden. Indien aan het dispositievereiste werd voldaan, werd namelijk niet de concrete geleden schade vergoed, maar de belastingaanslag verlaagd, hoewel het belastingvoordeel in omvang niet hetzelfde hoeft te zijn als die schade, hetgeen men onlogisch en onbevredigend vond.2 Sinds BNB 2022/10 speelt dit niet meer, aangezien de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het meerdere (dat wil zeggen het geheven bedrag boven dat wat de belastingplichtige op grond van de voorlichting had verwacht) niet van de belastingplichtige mag worden geheven. Het dispositienadeel – en dus niets meer of minder – wordt door toepassing van het vertrouwensbeginsel weggenomen.
Aan het voorgaande doet niet af dat tegen het dispositievereiste als voorwaarde juridische bezwaren kleven. Ten eerste vanuit het oogpunt van rechtsbescherming. De rechtspraak over de afgelopen decennia toont dat de rechtsbescherming bij algemene voorlichting en inlichtingen sterk wordt ingeperkt door het criterium van het dispositievereiste. Ook na de herziening van de invulling van het dispositievereiste in BNB 2022/10 blijft de beschermende werking van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting beperkt tot gevallen waarin belastingplichtigen, afgaande op achteraf onjuiste voorlichting, iets doen of nalaten en daardoor met een hogere heffing dan verwacht worden geconfronteerd. De belastingplichtige die niet iets (anders) doet of nalaat, wordt nog altijd niet beter beschermd dan ingevolge BNB 1979/311.3
Ter illustratie: Jurisprudentieonderzoek (paragraaf 4.3.2.5, Annex I)
Uit het jurisprudentieonderzoek naar de gepubliceerde rechtsspraak tussen 1979 en 2020 volgt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel vaak faalt (mede) op het criterium van het dispositievereiste (in 77 van de 124 gevallen). In beginsel zou de nieuwe invulling van het dispositievereiste dus in dergelijke zaken – in theorie – relevant kunnen zijn. Echter, uit analyse van de relevante 77 zaken volgt dat in veruit de meeste gevallen geen sprake was van het element ‘voortbouwen’, althans, daarover is niets gesteld of gebleken (in zo’n 79% van de relevante uitspraken). In enkele gevallen wel, in de overige zaken is het op basis van de uitspraak niet goed te bepalen. Uit deze bevindingen rijst de indruk dat, bezien met de blik na BNB 2022/10, terugkijkend naar de uitspraken over de afgelopen decennia, de herziene invulling van het dispositievereiste in veel gevallen geen ruimere bescherming zou opleveren voor de belastingplichtige die zich op vertrouwenwekkende voorlichting beroept. Daarbij zij uiteraard aangetekend dat de bevindingen zijn gebaseerd op de beschikbare informatie in de uitspraken, gewezen vóór BNB 2022/10.
Het dispositievereiste was én blijft dus een hoge drempel voor toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting. Weliswaar is voor de belastingplichtige die disponeert de mogelijkheid voor honorering van het gewekte verwachtingen verruimd, maar de belastingplichtige die niet iets heeft gedaan of nagelaten, staat nog altijd met ‘lege handen’. Het vertrouwensbeginsel biedt hem dan geen bescherming.
De vraag komt op of het wel steeds redelijk is als een beroep op het vertrouwensbeginsel uitsluitend kan slagen indien tevens aan de voorwaarde van het dispositievereiste is voldaan. Dit geldt eens te meer in situaties waarin de burger het niet beter had kunnen of moeten weten, zoals waarin hij de onjuistheid van de informatie niet had hoeven onderkennen. Den Boer wierp zijn bedenkingen op dit punt reeds op in zijn commentaar bij BNB 1988/148:
‘Ik blijf echter aarzelen of het, ook in geval van “onkenbaarheid” voor de belastingplichtige van de begane vergissing, altijd zou stroken met het algemene rechtsgevoel dat de gebondenheid pas ontstaat indien de belastingplichtige een handeling heeft verricht of nagelaten waardoor hij bij juiste wetstoepassing schade zou lijden.’4
Het botst dus met het rechtsgevoel, zo ben ik met Den Boer eens, indien het risico van onjuiste voorlichting geheel bij de burger wordt gelegd in een geval waarin hem geen verwijt kan worden gemaakt. Althans, geen ander ‘verwijt’ dan dat hij op (achteraf tekortschietende) voorlichting van de Belastingdienst heeft vertrouwd. Vanuit het burgerperspectief is dat een haast absurd verwijt (paragraaf 5.3.3).
Een principieel bezwaar is dat het stellen van het dispositievereiste als noodzakelijke voorwaarde miskent dat de burger een gerechtvaardigd belang heeft bij nakoming van bij hem gewekte verwachtingen, óók in gevallen waarin die verwachtingen niet gedragsbepalend zijn geweest.5 Dat staat haaks op doel en strekking van het vertrouwensbeginsel (paragraaf 4.7.1.2).
Een ander principieel bezwaar is dat het dispositievereiste als voorwaarde voor toepassing van het vertrouwensbeginsel conceptueel en chronologisch onlogisch is. Smit betoogde al in de jaren 80 dat het dispositievereiste op dit punt een inconsequentie inhoudt.
‘Overigens zou men twijfel kunnen oproepen aan het rechtmatigheidsgehalte van deze uitzonderingsgrond. (…) Een nadelige financiële situatie vormt een (in-)direct gevolg van het vertrouwen, maar geen factor (of bron) waaruit verwachtingen voortvloeien; de gedachte, dat het beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden beoordeeld naar de gevolgen waartoe het vertrouwen heeft geleid, voert naar mijn oordeel tot een anachronisme. Het gaat om de vraag of en in hoeverre het vertrouwen gerechtvaardigd was. Deze vraag vindt haar beantwoording niet in de gevolgen, maar in de bronnen waaruit de verwachtingen voortkomen!’6
Bij het vertrouwensbeginsel gaat het erom of de verwachting die iemand had door een bepaalde uiting gerechtvaardigd is. Met het dispositievereiste wordt echter getoetst wat iemand vervolgens op grond van een bepaalde verwachting heeft gedaan. Terwijl het bij gewekt vertrouwen moet gaan om het eerste (waarvoor moet worden gekeken kijken naar de bron van het vertrouwen), neemt het dispositievereiste het tweede (het gevolg van eventuele schade) als criterium. Dat is niet alleen een anachronisme, het wringt mijns inziens bovendien met doel en strekking van het vertrouwensbeginsel. De beoordeling of gewekt vertrouwen al dan niet gerechtvaardigd is, zou niet afhankelijk moeten worden gesteld van het eventuele gevolg van de verwachtingen (moment 2), maar van de aard van die gewekte verwachtingen (moment 1).
Een andere kanttekening bij het dispositievereiste als criterium is dat het betekent dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen indien de voorlichting ten grondslag ligt aan op ‘toekomstige feiten’.7 Het dispositievereiste veronderstelt immers handelen of nalaten, afgaande op de onjuiste inlichting. Voor toezeggingen geldt dat criterium overigens niet: een toezegging kan betrekking hebben op de fiscale behandeling van feiten die reeds hebben plaatsgevonden, zoals in een standpuntbepaling ten aanzien van de aftrekbaarheid van reeds gemaakte kosten of de fiscale behandeling van een betaling die reeds heeft plaatsgevonden. Een dergelijke uiting komt voor bescherming in aanmerking (mits voldaan aan de criteria voor toezeggingen), maar een inlichting over de fiscale behandeling van een rechtshandeling die reeds heeft plaatsgevonden valt door het dispositievereiste in principe buiten de toepassingsreikwijdte van het vertrouwensbeginsel (paragraaf 4.5.2).
De impact van die ‘tijdsbeperking’ is groter dan het op het eerste gezicht lijkt. Bij voorlichting gaat het immers voor een belangrijk deel om informatie die wordt verstrekt in het kader van het doen van de belastingaangifte, zoals in de toelichting bij het aangifteprogramma, of het doen van een aanvraag (zoals een teruggaafverzoek). De voortbouw-eis brengt mee dat in dergelijke gevallen haast niet kan worden toegekomen aan het dispositievereiste. Het dispositievereiste impliceert immers een beperking tot toekomstige feiten – er is een gedragseffect vereist (voortbouwen) – terwijl moeilijk te zien is hoe informatie die na afloop van het belastingjaar wordt geraadpleegd om aangifte te doen, effect kan hebben gehad op het gedrag van de belastingplichtige tijdens dat belastingjaar.8 In zoverre levert het dispositievereiste als voorwaarde een beperking op van de potentiële gevallen die voor bescherming in aanmerking komen.
Bovenstaande bezwaren roepen, zeker tezamen, de vraag op het dispositievereiste als voorwaarde voor honorering van gewekte verwachtingen bij voorlichting houdbaar is. In BNB 2022/10 was die algemene vraag niet prangend (aan disponeren was voldaan); een verdergaande koerswijziging was niet nodig. De herijkte invulling bood in de zaak doeltreffende rechtsbescherming aan de burger die afgaande op onjuiste voorlichting zijn lijfrente had afgekocht. Echter, bijvoorbeeld de burger in BNB 2021/76, die volgens onjuiste informatie op de website recht had op toekenning van de IACK, nota bene nadien geverifieerd bij de BelastingTelefoon, zou met de herziene invulling van het dispositievereiste BNB 2022/10 niet beter worden beschermd. Dit past mijns inziens niet in wat ‘doeltreffende rechtsbescherming’ behoort te zijn. De Hoge Raad dient daarom de koersaanpassing voort te zetten om de doeltreffendheid van rechtsbescherming (verder) te bevorderen, zoals door wél het dispositievereiste als voorwaarde los te laten. Op grond van genoemde bezwaren zijn daarvoor mijns inziens goede argumenten.
Dat neemt niet weg dat het loslaten van deze eis als voorwaarde nieuwe vragen oproept. Moet de burger die op grond van onjuiste informatie zijn fiscale verplichtingen afhandelt evenzeer worden beschermd als de burger die op grond van onjuiste informatie iets afkoopt, investeert, aanschaft, verkoopt, of zoiets juist heeft nagelaten? Ik zie daartussen, vanuit het oogpunt van bij de belastingplichtige gewekte verwachtingen, op voorhand geen principieel verschil. De gewekte verwachtingen kunnen immers op even goede gronden berusten. Wel zal de één een zwaarder belang hebben bij nakoming dan de ander. De huidige toepassingswijze van het vertrouwensbeginsel biedt echter geen ruimte om daaraan tegemoet te komen. Het antwoord op de vraag of verwachtingen gerechtvaardigd zijn, valt in de fiscale benadering immers samen met de uitkomst van ‘alles of niets’.9 Dat roept de vraag op of alternatieven denkbaar zijn (paragraaf 7.5).