Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.4.1
4.3.4.1 Het dispositievereiste sinds BNB 1979/311
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661301:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie mijn commentaar in BNB 2022/10, punt 4 en Cramwinckel 2016b, par. 3 en 4.
Zie Hofstra in BNB 1977/286; Scheltens in BNB 1979/311 en in BNB 1990/148; Scheltens 1988, p. 132-133; Den Boer in BNB 1988/148. Zie ook Happé 1996, p. 168, 178-180. Recenter zie Cramwinckel 2016b en vgl. Van der Vegt in NTFR 2021/2281: ‘De meeste zaken struikelen op het dispositievereiste. Dat is ook wel logisch, want het is lastig om voorbeelden te vinden van door de onjuiste inlichting geleden schade naast de belasting.’
Overigens stelt de belastingrechter in uitzonderlijke gevallen het dispositievereiste niet voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, zoals in BNB 1991/77 (hierover in Cramwinckel 2016b, par. 2.3) en Hof ’s-Hertogenbosch 3 maart 2017, nr. 16/00249, V-N Vandaag 2017/831 (onjuiste voorlichting leidt in dit geval niet tot toekenning van een contra legem-voordeel, maar juist tot het onthouden van (een voordeel op grond van) de juiste toepassing van de wet).
HR 14 juni 2000, nr. 35275, BNB 2000/330, r.o. 3.4.
Andere voorbeelden in de indirecte belastingen, die zijn bedoeld om af te wentelen op de afnemer, betreffen HR 6 december 1989, nr. 25 738, BNB 1990/51 en recenter Rechtbank Arnhem 14 november 2008, nr. AWB 08/2120, V-N 2009/6.3.3.
Niet aan dit criterium voldaan in o.a. BNB 1979/311; BNB 1988/148; BNB 2010/314; BNB 2021/76, r.o. 2.4.2. Zie ook BNB 2021/9, r.o. 2.5.2 en conclusie A-G Niessen onder punt 4.5-4.6. Lagere rechtspraak bijv. Rechtbank Leeuwarden 23 september 2010, nr. 09/03033, V-N 2010/63.3.1, r.o. 3.3; Rechtbank Arnhem 1 februari 2011, nr. AWB 10/1461, V-N 2011/20.23.9; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2015, nr. 14/01118, V-N 2015/40.18.7, r.o. 4.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, nr. 15/00067, V-N 2015/64, Hof Amsterdam 17 november 2016, V-N 2017/9.29.20; Rechtbank Gelderland 7 september 2016, nr. AWB 16/1247, V-N 2016/57.18.6, r.o. 13; Rechtbank Noord-Nederland 13 november 2018, nr. AWB - 18, 673, V-N 2019/31.2.3, r.o. 13; Rechtbank Noord-Nederland 17 september 2013, nr. AWB-13, 970, r.o. 4.10. Voorbeelden waarin aan het dispositievereiste (invulling conform BNB 1979/311) is voldaan betreffen BNB 2000/330; Hof 's-Hertogenbosch 14 oktober 2021, nr. 20/00591, V-N 2022/2.22.8, r.o. 4.8; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, nr. BRE - 17 _ 7318, V-N 2020/15.17; Rechtbank Noord-Nederland 18 oktober 2016, nr. LEE 15/2531 en LEE 15/3369, V-N 2017/2.16.14, r.o. 4.7; Rechtbank Haarlem 20 september 2005, nr. 05/757, V-N 2005/55.2; Rechtbank Arnhem 22 november 2006, nr. 06/2881, V-N 2007/20.3.4.
Op grond van het dispositievereiste zoals geformuleerd in BNB 1979/311, geldt dat de burger, in vertrouwen afgaande op de onjuiste voorlichting, een handeling heeft verricht of nagelaten waardoor hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting moet betalen, maar ‘daarenboven schade lijdt’. Het criterium van het dispositievereiste bestaat dus uit drie elementen: (i) iets doen of nalaten (‘voortbouwen’), (ii) de relatie tussen het handelen of nalaten en het gevolg (‘causaliteit’), en (iii) een bepaald gevolg (‘daarenboven geleden schade’).1 Het laatste element van schade wordt ook wel ‘dispositieschade’ genoemd.
Met name het derde element, het schade-element, is in het belastingrecht moeizaam gebleken. Wanneer sprake is van daarenboven geleden schade – dus schade naast de te betalen belasting – was in de jurisprudentie van de afgelopen decennia niet erg duidelijk en er was nauwelijks theorievorming voorhanden. Sinds zijn introductie in de fiscale rechtspraak is het dispositievereiste dan ook vaak bekritiseerd om zijn vaagheid en zijn moeizame uitwerking in het belastingrecht, in het bijzonder bij directe belastingen.2
Een arrest waarin was voldaan aan het dispositievereiste in de context van algemene informatie (hier: inlichtingen) betreft BNB 2000/330.3 De Hoge Raad oordeelde (met het Hof) dat belanghebbende, een campingexploitant, bij handhaving van de aanslag, schade zou lijden naast de te betalen belasting:
‘(…) dat belanghebbende afgaande op de verstrekte inlichtingen een extra verhoging van de kampeertarieven voor 1995 achterwege heeft gelaten, terwijl in 1997 de aanslag niet meer kon worden doorberekend, waardoor de belanghebbende bij handhaving van de aanslag schade zal lijden, en dat mitsdien wordt voldaan aan het zogenoemde dispositievereiste (…).’4
Het niet meer kunnen afwentelen van de belasting, die anders was doorberekend in de kampeertarieven, leidt in dit geval tot schade in de zin van het dispositievereiste.5
Relevantie van het dispositievereiste in de rechtspraak
De rechtspraak van de afgelopen decennia laat zien dat het dispositievereiste voor belastingplichtigen een nauwelijks te nemen horde is.6 Uit jurisprudentieonderzoek volgt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel bij toetsing aan de twee criteria in veruit de meeste gevallen op het criterium van het dispositievereiste sneuvelt.
Ter illustratie: Jurisprudentieonderzoek (paragraaf 4.3.2.5, Annex I)
Van de 124 uitspraken waarin het beroep op het vertrouwensbeginsel niet is geslaagd, ligt dat in 54 gevallen primair aan het dispositievereiste (ten opzichte van 4 gevallen bij het niet-kenbaarheidsvereiste). In nog eens 23 gevallen faalt het beroep mede op deze eis, bijvoorbeeld een combinatie van bewijslast of de lezing van belanghebbende en het dispositievereiste. In zo’n 62% van de uitspraken speelt het dispositievereiste dus een bepalende rol in een niet-geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Bij het niet-kenbaarheidsvereiste was dat veel lager (zo’n 3%).
Het dispositievereiste levert dus lange tijd een serieuze inperking op van de toepassingssfeer van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting.