De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4.3:7.4.3 Tussenconclusie
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4.3
7.4.3 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284599:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
495. In deze paragraaf hebben we gezien dat de drieledige positieve relativiteitsleer in verschillende opzichten het aan haar ter beschikking staande instrumentarium overvraagt.
496. Bij geschreven normen zal uitleg van de norm soms wel voldoende aanknopingspunten bieden voor een definitief positief of negatief antwoord op de drie relativiteitsvragen. Er zijn echter ook twijfelgevallen waarin die instrumenten tekortschieten. De rechtspraak zoekt dan andere argumenten die de relativiteit moeten verklaren (afgeleid belang, onbeperkte groep van derden, secundair daderschap). Diezelfde argumenten blijken echter niet altijd mee te wegen en/of tot tegengestelde uitkomsten te kunnen leiden, waardoor zij aan overtuigingskracht inboeten.
497. Bij ongeschreven normen ontbreekt een wettekst, een parlementaire geschiedenis of een andere bron die verheldering kan bieden over de achter de norm schuilgaande bedoeling. Men is dan ter vaststelling van de relativiteit aangewezen op het gevaar waartegen de norm in abstracto wil beschermen alsmede op de algemene noties en beginselen die achter de ongeschreven regel schuilgaan. Soms zal men op basis daarvan al wel kunnen vaststellen welke personen, schade en intredingswijzen in ieder geval wel en niet onder het beschermingsbereik zullen vallen. Even vaak zal deze methode daarop geen overtuigend antwoord kunnen geven.
498. Ook bij de rechtsinbreukcategorie verlangt de drieledige positieve relativiteitsleer meer dan het instrumentarium kan bieden. Over de persoonlijke relativiteit zal veelal geen discussie bestaan: de rechthebbende wordt beschermd. De zakelijke relativiteit en de intredingsrelativiteit zijn veel lastiger vast te stellen. De inhoud van het geschonden recht, een eventuele wettelijke regeling en de bijbehorende parlementaire geschiedenis, kunnen daarbij behulpzaam zijn. Soms bieden die bronnen voldoende aanknopingspunten, maar het zal ook vaak voorkomen dat zij daarvoor eenvoudigweg te weinig aanwijzingen geven.
499. Voorts is onduidelijk hoe de relativiteitsleer zich verhoudt tot de redelijke toerekeningsleer. Waar eenmaal is vastgesteld dat de norm zowel de gelaedeerde, diens schade als de intredingswijze daarvan wil beschermen, valt lastig in te zien waarom die schade desondanks niet volledig voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen. De ene keer oordeelt de Hoge Raad in lijn daarmee dat schade moet worden toegerekend, omdat de geschonden norm tot bescherming daarvan strekt, de andere keer ziet de Hoge Raad wel nog ruimte voor een aparte art. 6:98 BW-toets.