Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.4.1
7.4.1 De relativiteitsleer behelst als positief driedelig criterium al volledig vestigings- en omvangfase van de aansprakelijkheidsvraag
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284626:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt om deze reden opgemerkt dat de relativiteit ook ziet op de omvangsfase. Zie bijv. Lankhorst 1992, nr. 39 en Verheij 2014, onder 3.
Uiteraard kan er onder omstandigheden wel reden zijn om de aansprakelijkheid op andere gronden te beperken, zoals de eigen schuld van art. 6:101 BW.
Vgl. Van der Kooij 2019, nr. 340 die ook tot eenvoudig uitgangspunt neemt dat bij schending van een norm de schade in beginsel vergoed moet worden waartegen die norm wil beschermen.
Bijv. HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1032, NJ 1993/667, m.nt. P.A. Stein (Nuts/Hofman), HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2286, NJ 1999/145, m.nt. C.J.H. Brunner (Wrongful birth) en HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2601, NJ 1998/417 (Misbruik broer).
Zie bijv. HR 2 november 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7349, NJ 1980/77, m.nt. G.J. Scholten (Versluis).
HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, m.nt. J.B.M. Vranken (Dexia/De Treek).
Zie Van der Kooij 2019, nr. 165 en 345 e.v. die hierop ook wijst.
Zie ook Verheij 2014, onder 3 en Van der Kooij 2019, nr. 112. Vgl. ook Lankhorst 1992, p. 180-181 en Di Bella 2014, p. 128. Zie ook reeds Brunner 1978, p. 34. Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 144 lijkt eveneens te onderkennen dat beide leerstukken sterk overlappen. Volgens haar zou naast art. 6:98 BW de wettelijke formulering van 6:163 BW gemist kunnen worden. Dat komt volgens haar de overzichtelijkheid van het wettelijk systeem echter niet ten goede, omdat vestigings- en omvangsfase dan door elkaar gaan lopen. Dat onderschrijf ik op zichzelf. Het gaat mij echter met name erom dat op dit moment onduidelijk is wanneer de relativiteitscriteria van toepassing zijn en wanneer de art. 6:98 BW-criteria. Dat is, zoals we zullen zien, relevant omdat de relativiteit werkt met andere criteria dan art. 6:98 BW.Den Hollander ziet wel voldoende ruimte voor zowel de relativiteitsleer als de redelijke toerekening. De relativiteit legt volgens hem een band tussen de geschonden norm en het geschade belang, terwijl de redelijke toerekening een band legt tussen geschonden norm en de schade (Den Hollander 2016, p. 98-104). De Hoge Raad lijkt echter geen onderscheid te maken tussen ‘belang’ en ‘schade’ en relateert de relativiteitsleer wel aan de schade (zie hiervoor §7.2.2). Bovendien doet dit theoretisch onderscheid er volgens mij niet aan af dat de huidige positief vormgegeven relativiteitstoets geen ruimte meer laat voor de art. 6:98 BW-gezichtspunten.
Zie bijv. ook Verheij 2014, onder 3 en Verheij 2016, onder 1 en 4.
469. Ten eerste vereist het positief vormgegeven drieledige relativiteitsleer steeds volledige beantwoording van de vraag welke schade voor vergoeding in aanmerking komt. De leer vereist immers dat ter vestiging van aansprakelijkheid positief moet worden vastgesteld dat de norm strekt tot bescherming van zowel de gelaedeerde, de soort schade en de wijze waarop die schade is ingetreden (zie hiervoor §7.2.2).1 Is eenmaal positief vastgesteld dat de norm in die drie opzichten de gelaedeerde tegen de geleden schade wil beschermen – of misschien beter: tegen de veroorzaakte toestand vermogensrechtelijke bescherming biedt (zie §7.2.2.2) –, dan is het volgens mij niet goed denkbaar dat, en waarom, art. 6:98 BW nog een beperkende rol zou kunnen spelen. Ik licht dat toe.
Als eenmaal is vastgesteld dat de geschonden norm wél strekt tot bescherming van de gelaedeerde, diens schade en de wijze waarop diens schade is intreden, overtuigt het mij niet te zeggen dat die schade desondanks niet aan de onrechtmatige daad toegerekend kan worden, bijvoorbeeld omdat deze in een te ver verwijderd verband staat of een onwaarschijnlijk gevolg was van de onrechtmatige daad.2 In de vaststelling dat de geschonden norm in de voornoemde drie opzichten beschermt, ligt namelijk logischerwijs besloten dat die schade ook voor vergoeding in aanmerking komt. Anders gezegd, in het gegeven dát de norm de gelaedeerde wil beschermen tegen diens schade en de wijze van intreden daarvan ligt logischerwijs besloten dat die schade niet te ver verwijderd is en niet relevant is dat die schade een onwaarschijnlijk gevolg was van de onrechtmatige daad.3
470. De hiervoor beschreven gedachtegang valt in de art. 6:98 BW-jurisprudentie van de Hoge Raad soms ook te herkennen. De Hoge Raad oordeelt bij schending van verkeers- of veiligheidsnomen soms dat als door schending van zo’n norm een risico is geschapen dat zich vervolgens heeft verwezenlijkt, in beginsel de ingetreden schade ex art. 6:98 BW mag worden toegerekend.4 De verschillende art. 6:98 BW-omstandigheden hoeven dan kennelijk volgens de Hoge Raad niet meer apart te worden gewogen. In geval van verkeers- en veiligheidsnormen speelt bijvoorbeeld de waarschijnlijkheid of voorzienbaar van de (wijze van) intreden van de schade niet tot nauwelijks een rol. Dat is te begrijpen, omdat de geschonden verkeers- of veiligheidsnorm juist wil beschermen tegen dat vergrote gevaar en daarmee tegen het intreden van schade als gevolg van die gevaarsrealisatie. De (door art. 6:98 BW als relevante omstandigheid aangewezen) waarschijnlijkheid of voorzienbaar daarvan is om die reden als uitgangspunt niet meer relevant.5 In Dexia/De Treek maakt de Hoge Raad de gedachtegang dat schade waartegen de norm wil beschermen moet worden vergoed nog wat explicieter. Daarin oordeelt hij dat de door Dexia geschonden norm strekt tot bescherming tegen het lichtvaardig aangaan door De Treek van een effectenlease-overeenkomst. Om die reden kan alle schade die het gevolg is van het aangaan van die overeenkomst aan de onrechtmatige daad worden toegerekend.6 Doel en strekking van de geschonden norm vormen dus de directe reden voor de art. 6:98 BW-toerekening. Afzonderlijke toetsing aan de art. 6:98 BW-omstandigheden is daarom niet vereist.7 Die gedachte is te volgen: de schade waartegen de norm wil beschermen moet uiteraard worden vergoed.
471. Omgekeerd hebben we gezien dat in het kader van de toerekeningsvraag ex art. 6:98 BW ook betekenis toegekend wordt aan de aard van de aansprakelijkheid, waaronder het doel en de strekking van de norm (zie §7.3.2). Het systeem vereist zo dus dat tweemaal getoetst wordt aan het doel en de strekking van de geschonden norm. Het is echter onduidelijk hoe de ene toets zich tot de andere toets verhoudt. Waar bij de relativiteit het doel en de strekking doorslaggevend zijn, vormen zij binnen art. 6:98 BW slechts een van de mee te wegen omstandigheden. Het is onduidelijk hoe die toets uitgevoerd moet worden.
472. De relativiteit en de redelijke toerekening zijn in het huidige systeem dus in meerdere opzichten vermengd geraakt. De positief vormgegeven drieledige relativiteitsleer beantwoordt al volledig aan de hand van doel en strekking van de geschonden norm de vraag of de ingetreden schade moet worden vergoed. Voor toepassing van art. 6:98 BW en de daarbinnen onderscheiden relevante omstandigheden is daardoor geen duidelijke ruimte meer.8 Tegelijkertijd gelden doel en de strekking van de overtreden norm binnen art. 6:98 BW als relevant gezichtspunt. In het licht van deze vermenging is goed te begrijpen waarom in concrete casusposities niet zelden twijfel bestaat of sprake is van een relativiteitsvraag of een redelijke toerekeningsvraag. Veelal is het voorliggende vraagstuk in beide mallen te gieten.9
473. Deze overlap en vermenging gaan in tegen de door de wetgever voorgestane en in de wet ingebedde systematiek. Daarin hebben art. 6:163 BW en 6:98 BW immers ieder wel een eigen positie. Die eigen positie danken de leerstukken volgens mij binnen het wettelijk systeem in belangrijke mate aan de negatieve formulering van de relativiteitsleer. We zagen in §7.2.1 dat de wetgever voor ogen had dat op de voet van art. 6:163 BW enkel negatief moet worden beantwoord of de geschonden norm niet strekt tot bescherming van de persoon, de schade of de wijze waarop deze is ingetreden. Art. 6:98 BW bepaalt in die systematiek vervolgens aan de hand van alle (relevante) omstandigheden van het geval welke schade wel en niet voor vergoeding in aanmerking komt. We zullen straks zien dat dit een belangrijke sleutel vormt om te komen tot een begrijpelijke afbakening van beide leerstukken.