Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/5.4.2.4
5.4.2.4 Art. 6:185 BW
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713182:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is letterlijk overgenomen uit: art. 1 van de Richtlijn van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (Richtlijn 85/374/EEG).
Parl. Gesch. BW Boek 6 1981 (O.M.), p. 782.
Zie ook: Schut 1974, p. 254-255.
Dommering-van Rongen 1991, p. 212; Stolker, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:185 BW, aant. 2.3.1 (bijgewerkt tot 2 december 2021).
Dommering-van Rongen 1991, p. 211-212. De producent wordt op grond van art. 6:187 lid 2 BW omschreven als de fabrikant van een eindproduct, de producent van een grondstof of halffabrikaat, of diegene die zich als producent presenteert. Ook diegene die een product importeert in de Europese Economische Ruimte ten behoeve van een economisch doel wordt ingevolge art. 6:187 lid 3 BW beschouwd als een producent. Daarnaast kan ook de leverancier worden aangemerkt als producent, indien niet vast komt te staan wie het product vervaardigd heeft (art. 6:187 lid 4 BW).
Dommering-van Rongen 1991, p. 211.
Vgl. voorbeelden van Dommering-van Rongen 1991, p. 211.
HvJ 10 mei 2001, ECLI:EU:C:2001:258, C-203/99 (Henning Veedfald v Arhus Amtskommune), r.o. 21.
Koziol, Introductory Lecture 2017, p. 21-22.
Koziol, Questions for Discussion 2017, p. 5; Koziol, Comparation Conclusions 2017, p. 525 e.v.
Koziol, Comparation Conclusions 2017, p. 525-526 en Koziol, Introductory Lecture 2017, p. 22-23.
Koziol, Comparation Conclusions 2017, p. 525-526.
Koziol, Comparation Conclusions 2017, p. 527-258.
Koziol, Comparation Conclusions 2017, p. 526, 528.
Koziol, Comparation Conclusions 2017, p. 526, 528.
Zo heeft de Richtlijn Productenaansprakelijkheid ook het doel om consumenten te beschermen: Considerans, Richtlijn van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (85/374/EEG); Kamerstukken II 1985/1986, 19 636, nr. 3, p. 1. Zie bijvoorbeeld ook al vóór de inwerkingtreding van de Europese richtlijn Productaansprakelijkheid de TM met betrekking tot het vervallen artikel 6.3.13: Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 782: “Hoe groter de fabrieksondernemingen en hoe geheimer de fabricagemethoden, des te moeilijker is het bewijs van een fout van de fabrikant of van zijn ondergeschikten, waaraan het gebrek in het produkt of het niet-opsporen van dat gebrek te wijten is.”
Op grond van art. 6:185 BW is de producent aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn product.1 Niet het handelen van de producent, maar de toestand van het product staat centraal. In art. 6.3.13 van het Ontwerp BW was dit nog anders. Daar namelijk nog uitgegaan van een gedraging van de producent:
“Degene die een produkt vervaardigt en in het verkeer brengt of doet brengen dat door een hem onbekend gebrek gevaar oplevert voor personen of zaken, is, indien dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk als ware het gebrek hem bekend, tenzij hij bewijst dat het gebrek noch aan een fout van hem zelf of van een ander die in zijn opdracht voor het produkt werkzaam was, noch aan het falen van door hem gebezigde hulpmiddelen is te wijten.”2
Volgens Schut ging dit echter niet ver genoeg:
“Mijn opvatting is dat de regeling van art. 6.3.13 niet ver genoeg gaat. In 1963 schreef ik reeds dat de fabrikant niet slechts voor het falen van zijn hulpkrachten behoort in te staan, maar voor het falen van zijn produkt (in de toestand waarin het produkt zijn bedrijf heeft verlaten). Ook als er sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, ook als het gebrek niet kan worden verklaard of als de oorzaak in de fabriek niet kan worden opgehelderd, dient de fabriek in te staan voor de gevolgen.”3
De wens van Schut lijkt realiteit te zijn geworden. Met de implementatie van de Europese richtlijn Productaansprakelijkheid in afdeling 6.3.3 is niet vereist dat de producent (onrechtmatig) heeft gehandeld en daarmee dader is in de zin van art. 6:162 BW.
Het bestaan van deze kwalitatieve aansprakelijkheidsgrondslag lijkt mede ingegeven door het bedrijfsmatige karakter van de producent. Hiertoe vind ik ten eerste aanleiding in de ‘privé-exceptie’ van art. 6:185 lid 1 sub c BW. Op grond hiervan bestaat geen aansprakelijkheid voor schade door een gebrekkig product indien “noch voor de verkoop of voor enige andere vorm van verspreiding met een economisch doel van de producent is vervaardigd, noch is vervaardigd of verspreid in het kader van de uitoefening van zijn beroep of bedrijf.”4 Het eerste deel van de exceptie ziet op het commerciële doel van de productie.5 Het tweede deel van de exceptie ziet op de zakelijke hoedanigheid van de producent.6 Aan beide eisen moet zijn voldaan. Dommering-van Rongen schrijft dat de toevoeging van de privé-exceptie meer een symbolische functie heeft en dat zij materieel niet van grote betekenis is, omdat het commerciële doel van de productie en de zakelijke hoedanigheid van de producent reeds besloten liggen in het begrip ‘producent’.7 Dit betekent dat het zelfgemaakte (gebrekkige) tuinbankje, in elkaar getimmerd door grootvader als cadeau voor zijn kleinkind, niet valt binnen de reikwijdte van afdeling 6.3.3.8
De vraag is wat onder de ‘beroeps- en bedrijfsmatige producent’ wordt verstaan. Een scherpe afbakening is noch door de Europese wetgever, noch door de Nederlandse wetgever gegeven. Ook op Europees niveau bestaat aldus onduidelijkheid over de inkleuring van het begrip ‘business activity’. Hoewel het Hof van Justitie enige duidelijkheid heeft verschaft in het arrest Veedfald over de privé-exceptie (wie de dienstverrichting financiert is niet relevant),9 heeft het de kans laten liggen om het begrip ‘business activity’ meer handen en voeten te geven. De contouren van het begrip zijn daarom nog steeds vaag.
De rechtvaardiging voor het onderscheid tussen bedrijfsmatige vervaardigers en personen die in privé een product vervaardigen is moeilijk te achterhalen. Zoals Koziol aangeeft, is de Richtlijn Productaansprakelijkheid niet gebaseerd op een uitgedachte, alomvattende theorie.10 Koziol heeft onderzocht of enterprise liability ten grondslag ligt aan de risicoaansprakelijkheid van de producent.11 Hij hanteert hierbij een enge definitie van enterprise liabilty.12 Hij schrijft:
“It is material in respect of the many times advocated stricter liability for enterprises, on the one hand, that benefits and risks be borne by the same party and thus be concentrated in an enterprise; and on the other hand, that the victim when faced with an enterprise as injuring party faces a complex organisation and thus typically encounters substantial difficulties when proving such circumstances as are material in respect of any failures to fulfil the duties of care.”13
Daarnaast meent hij dat de idee van een zogenaamde risk community, hetgeen voornamelijk is gebaseerd op de idee van risicospreiding en verzekering, reden is voor een stringent enterprise liability.14 Op basis hiervan komt hij tot de conclusie dat enterprise liability weliswaar een rechtvaardiging kan vormen voor de omkering van de bewijslast of een kwalitatieve aansprakelijkheid voor ondergeschikten, maar niet voor “strict liability totally divorced from any misconduct.”15
Mijn opvatting wijkt enigszins af van die van Koziol. Voor de vestiging van productaansprakelijkheid is geen handeling of schuld vereist, maar moet wel sprake zijn van een schending van een rechtsnorm (gebrekkigheid). Productaansprakelijkheid is volgens mij geen “strict liability totally divorced from any misconduct.”16 Of het ondernemersrisicobeginsel als grondslag kan dienen voor een aansprakelijkheid zonder onrechtmatigheid, kan in het midden blijven. De vraag of de enterprise liability-gedachte als grondslag dient voor aansprakelijkheid zonder conduct – met andere woorden, de toestandstoerekening – voor producenten is moeilijker te beantwoorden. De Europese en de Nederlandse wetgever hebben zich hier niet over uitgelaten. Ik zou zeggen dat dit beginsel wel van betekenis is,17 maar dat ook andere rechtvaardigheidsgronden (zoals onder andere het gevaarsbeginsel) meespeelden. Het ondernemersrisicobeginsel kan in mijn ogen wel een rechtvaardiging vormen voor de privé-exceptie uit art. art. 6:185 lid 1 sub c BW.