Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.4.2.1.1
8.4.2.1.1 De beschermingsomvang van formele rechtsbeginselen
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284601:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Schlössels/Zijlstra 2017, nr. 314.
Van Male 1988, p. 73-79, Van Male 2007, onder 1 en 2 en Schlössels/Zijlstra 2017, nr. 313.
Nicolaï 1990, p. 307 en Schlössels/Zijlstra 2017, nr. 313.
Zie PG Awb I, MvT, p. 204 en Schlössels/Zijlstra 2017, nr. 280.
HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:767, AB 2015/2, m.nt. C.N.J. Kortmann (Amsterdam/Derksen).
Het ging in die casus om de aanvraag van een begunstigend besluit. Daarom schond de gemeente ook de algemene zorgvuldigheidsnorm dat het overheidslichaam jegens de aanvrager/materieel begunstigde op een aanvraag direct bij besluit in primo een rechtsconform besluit moet nemen. Zie hierover §8.3.1.1.
Kortmann 2015, p. 154-155 en Schlössels/Schutgens/Zijlstra 2019, nr. 1001.
Bijv. ABRvS 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:96, JB 2015/39, m.nt. R.J.N. Schlössels (X/Groningen) en ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706 (Twiske Zuid II). Het zorgvuldigheidsbeginsel kan bijvoorbeeld vereisen dat bij een bouwvergunningverlening bepaalde milieu- of ruimtelijke ordeningseffecten beter onderzocht worden. Het besluit mag vervolgens niet genomen worden als die effecten bepaalde milieueisen overschrijden. Zie ook ABRvS 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3092, JOM 2014/884 (Wetterskip Fryslân). Vgl. ABRvS 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:732, AB 2016/249, m.nt. T.E.P.A. Lam (Van Neerbos/Zwolle). A-G Widdershoven gaat in zijn conclusie voor de Van Neerbos-zaak onder 3.19 uitvoerig in op dit ‘samenhangcriterium’.
Bij aanvragen om begunstigende besluiten speelt dit probleem niet. Daar lopen de norm conform het recht te beslissen en de strijd met het processuele beginsel namelijk in de csqn-toets gelijk op. Het gaat namelijk bij beide normschendingen om een nalaten.
Het gaat hier om een doen. De gelaedeerde verwijt het overheidslichaam in zo’n casustype immers niet dat het heeft nagelaten zijn bezwarende besluit voldoende te motiveren. De gelaedeerde verwijt het overheidslichaam juist een bezwarend besluit te hebben genomen zonder voldoende daadkrachtige motivering.
674. Formele beginselen zijn een vreemde eend in de civiele bijt. Zij willen namelijk enkel zoveel mogelijk waarborgen dat het besluit strookt met de materiële publiekrechtelijke normen. Ieder van die beginselen draagt daaraan op eigen wijze bij. Zo vereist het motiveringsvereiste dat een kenbare en draagkrachtige, rationele, consistente en voldoende gewichtige, redengeving voor het besluit gegeven wordt.1 Het beginsel dient zo de rationele besluitvorming2 en draagt bij aan de verantwoording van het bestuurshandelen en in verband daarmee de noodzaak om de gronden voor het handelen te kennen.3 Het zorgvuldigheidsvereiste verlangt weer dat het bestuursorgaan de ten behoeve van het nemen van het besluit vereiste kennis voor zover mogelijk zorgvuldig inventariseert en vergaart.4 De beginselen dienen zo steeds de juiste toepassing van het materiële bestuursrecht.
675. Vanwege het op de procedure gerichte karakter van deze beginselen, strekken zij volgens mij nooit tot bescherming tegen schade. Dat strookt met het arrest Amsterdam/Derksen.5 De Hoge Raad oordeelt dat schade als gevolg van besluiten die strijden met het motiveringsvereiste niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat dat vereiste slechts ertoe strekt inzicht te geven in de gronden waarop het besluit berust of het daartegen gemaakte bezwaar is verworpen.6 We zagen eerder in §8.3.1.1 dat de Hoge Raad zijn beslissing weliswaar beperkt tot niet-belanghebbenden, maar zijn motivering zich uitstrekt tot alle besluiten. De enkele schending van een formeel algemeen beginsel is dus wel onrechtmatig ex art. 6:162 BW, maar een enkel daarop gegronde schadevergoedingsvordering stuit af op het negatieve relativiteitscriterium van art. 6:163 BW.
676. Het voorgaande betekent niet dat schending van een formeel beginsel nooit leidt tot een schadevergoedingsplicht. De formele beginselen zijn namelijk erop gericht dat het besluit ook strookt met het materiële bestuursrecht. Een besluit dat wegens een processueel gebrek nooit genomen had mogen worden, strijdt dus per definitie ook met een materiële norm. Verschillende schrijvers betogen daarom volgens mij voor wat betreft bezwarende besluiten terecht dat voor de schadevergoedingsvraag moet worden aangesloten bij de geschonden materiële normen die het besluit beheersen.7 De ABRvS volgt deze gedachtegang ook bij toepassing van de bestuursrechtelijke relativiteitsleer van art. 8:69a Awb. Bij toepassing van formele beginselen komt aan die leer geen zelfstandige betekenis toe, maar is de relativiteit van de geschonden achterliggende materiële norm doorslaggevend.8 Dat past bij de gerichtheid van de formele beginselen op het materiële bestuursrecht.
De zoektocht naar de geschonden materiële norm bij schending van formele beginselen
677. De gerichtheid van de formele beginselen op juiste toepassing van de materiële normen, heeft nog een consequentie die vreemd is aan het civiele recht. Schending van een processueel beginsel betekent namelijk nog niet per se dat het nemen van het besluit ook strijdt met de materiële norm waarop dat formele beginsel is gericht. Dat weet men pas door na te gaan wat de situatie zou zijn geweest als het besluit zou zijn genomen met inachtneming van het processuele beginsel. Mocht het besluit in dat geval wegens strijd met een materiële norm niet genomen worden?
678. Ik geef een eenvoudig voorbeeld. De gemeente legt een last onder dwangsom op zonder de geadresseerde te horen. Die hoorplicht is erop gericht dat het besluit materieelrechtelijk door de beugel kan. Daarom moet nagegaan worden wat er zou zijn gebeurd als die hoorplicht zou zijn nagekomen. Als het bestuursorgaan dan tot de conclusie zou moeten zijn gekomen dat er geen grond voor de dwangsom bestond, dan strijdt het genomen besluit ook met het legaliteitsbeginsel. Dat beginsel staat vervolgens in de driestapstoets centraal.
679. De stelplicht en bewijslast op dit punt volgen mijns inziens die van de csqn-toets en de wettelijke bevoegdheid als rechtvaardigingsgrond (zie §6.3.1-6.3.2). Bestaat schending van het processuele beginsel uit een nalaten (zoals bovenstaande hoorplicht), dan rusten stelplicht en bewijslast als uitgangspunt ex art. 150 Rv op de gelaedeerde, die zich immers op schending van die processuele plicht en de achterliggende materiële norm beroept.9 Slaagt de gelaedeerde in dat csqn-bewijs, dan staat ook de schending van de materiële norm vast.
680. Soms is het nemen van een bezwarend besluit in strijd met een processueel beginsel echter een doen, zoals het opleggen van de hiervoor bedoelde last onder dwangsom zonder voldoende daadkrachtige motivering. Dat besluit strijdt met het motiveringsbeginsel.10 Het overheidslichaam kan dan aanvoeren dat voor het besluit wel een wettelijke bevoegdheid bestaat (zie §5.3.3), omdat daarvoor wel een voldoende motivering kan worden gegeven. Beroept het overheidslichaam zich daarop niet of slaagt het niet in het bewijs ter zake, dan staat vast dat het nemen van het dwangsombesluit ook strijdt met het legaliteitsbeginsel. Dat beginsel staat dan in de driestapstoets centraal.