Instellingen voor collectieve belegging in effecten
Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.4.7:4.4.7 Conclusie
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/4.4.7
4.4.7 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193826:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Alvorens de deelnemingsrechten van een icbe verhandeld mogen worden, dient de icbe een vergunning aan te vragen bij de toezichthouder van de lidstaat van herkomst van icbe. In de Richtlijn zijn de minimumvoorwaarden opgesomd waar de vergunningaanvraag aan moet voldoen. Doorgaans zal een lidstaat deze vereisten verzwaren, aangezien de eisen beperkt zijn. Zo hoeft het prospectus van de icbe niet goedgekeurd te worden bij de vergunningaanvraag van een icbe. Veel toezichthouders vragen echter wel om het prospectus alvorens zij een vergunning verlenen aan de icbe. De deelnemingsrechten mogen verhandeld worden in de gehele Europese Unie, daarom zijn uniforme toetredingseisen wenselijk. De huidige eisen zijn te beperkt. In Nederland zijn deze vergunningvereisten overigens niet juist geïmplementeerd, waardoor icbe-beleggingsfondsen ten onrechte niet vergunningplichtig zijn.
Voordat de deelnemingsrechten van de icbe gedistribueerd kunnen worden in andere lidstaten, moeten de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten hierover genotificeerd worden. De notificatieprocedure is uitgebreid beschreven in de icbe-regelgeving om vertragingen te voorkomen. Lidstaten van ontvangst mogen geen additionele eisen stellen aan het toelaten van genotificeerde icbe’s. Sinds de Icbe-Richtlijn IV is de master-feeder-constructie geregeld in het communautair recht. Voor deze constructie gelden additionele vereisten.