Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/3.2.2.2
3.2.2.2 Omvang van de schade
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715385:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor voorbeelden van grensgevallen waarbij de tweede inbreuk de voorbereiding van de combinatie van de delicten strafbaar maakt bijvoorbeeld: artikel 311 lid 2, 350 en 157 en 170 Sr, artikel 248b en 248f Sr, artikel 279 lid 1 en lid 2 Sr, artikel 281 lid 1 sub 1 en 281 lid 1 sub 2 Sr, artikel 296 lid1 en 296 lid 3 Sr en artikel 310 en 312 en 317 Sr. Zie voor voorbeelden van delicten waarbij de bijkomende inbreuk wel strafverhogend werkt, maar voorbereiding van de eerste inbreuk reeds strafbaar is: artikel 248f, 282a Sr en 385a Sr.
Op diefstal (artikel 310 Sr) staat immers maximaal vier jaar gevangenisstraf. De voorbereiding daarvan is dus niet strafbaar. Op diefstal met geweld (artikel 312 Sr) staat daarentegen maximaal negen jaar gevangenisstraf. Naast geweld volstaat overigens ook bedreiging met geweld. De voorbereiding daarvan is vanuit liberaal oogpunt een stuk problematischer.
Denk dan aan de artikelen 252 lid 3 en 257 lid 2 Sr. De voorbereiding van artikel 301 lid 3 Sr zal doorgaans bijvoorbeeld neerkomen op voorbereiding van artikel 303 Sr. Voor het geval van artikel 141 lid 2 Sr is in artikel 141a Sr de voorbereiding zelfstandig strafbaar gesteld.
Naast de aard van de schade is ook de omvang van de schade van belang voor de vraag welke grondfeiten vanuit liberaal oogpunt voldoende wederrechtelijk zijn om de voorfase ervan strafbaar te stellen. Als we kijken naar de strafbare feiten waarvan de voorbereiding strafbaar is gesteld, valt op dat deze strafbepalingen niet altijd slechts op een enkelvoudige inbreuk op één rechtsgoed zien. Het gaat juist vaak om gevallen waarin in feite een dubbele rechtsgoedereninbreuk wordt bestraft.1 Wil voorbereiding van diefstal bijvoorbeeld strafbaar zijn, dan moet de dief niet alleen het plan hebben een goed van een ander toe te eigenen, maar moet hij ook voornemens zijn geweld te gebruiken.2 Er wordt dan inbreuk gemaakt op zowel het eigendomsrecht als de lichamelijke integriteit. Vanuit liberaal oogpunt valt goed te betogen dat de vereiste mate van wederrechtelijkheid niet slechts kan worden bereikt met één inbreuk op één belangrijk rechtsgoed, maar dat bij minder belangrijke rechtsgoederen ook een combinatie van meerdere inbreuken kan volstaan. Dat kan een goede manier zijn om de reikwijdte van strafbaarheid in de voorfase te beperken tot voldoende ernstige gevallen. Veel gemeengevaarlijke misdrijven (zoals de artikelen 161 t/m 173b Sr) zijn in dit licht bijvoorbeeld ook op te vatten als ‘anderhalve’ rechtsgoederenschendingen, waarbij tegelijkertijd het eigendomsrecht van de eigenaar van een infrastructureel werk is aangetast én gevaar ontstaat voor de eigendomsrechten en lichamelijke integriteit van anderen, zodat de strafbaarheid van poging tot dergelijke misdrijven vanuit liberaal oogpunt wellicht nog kan worden gebillijkt.
Een punt van aandacht is dat bij sommige opzetdelicten het intreden van de dood of zwaar lichamelijk letsel een gekwalificeerd gevolg is, waardoor het strafmaximum tot boven de acht jaar kan stijgen terwijl op het grondfeit minder dan acht jaar staat.3 Op het eerste gezicht is dat wellicht problematisch, omdat voorbereiding dan om puur formele redenen niet mogelijk is (de gevolgen zijn in de voorfase immers nog niet ingetreden en op het grondfeit staat minder dan acht jaar), terwijl wel levensgevaar kan bestaan. In veel gevallen is echter ook een gekwalificeerde variant voor te duchten levensgevaar strafbaar gesteld, waarvan de voorbereiding wel denkbaar is.4 Bovendien gaat het bij voorbereiding naar zijn aard eigenlijk steeds om het (voorwaardelijk) opzettelijk en doorgaans met voorbedachte raad veroorzaken van gevaar, bijvoorbeeld voor leven of letsel, zodat voorbereiding van de zwaardere commune misdrijven dan ook in beeld komt.5