Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/7.5:7.5 Samenvatting en conclusie
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/7.5
7.5 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362916:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De lidstaten hebben – voor zover het procesrecht niet op het niveau van het Unierecht wordt geregeld – procedurele autonomie. Dat wil zeggen dat de lidstaten in beginsel zelf mogen bepalen hoe zij hun nationale procedures en rechtsbescherming vormgeven. Hierbij mogen de nationale regels geen afbreuk doen aan de inroepbaarheid van het Unierecht in de nationale rechtsorde. Het nationale recht moet alle middelen verschaffen om de volle werking van het Unierecht mogelijk te maken. Nu de gevolgen van een schending van (een onderdeel van) het kenbaarmakingsbeginsel niet Unierechtelijk zijn geregeld, hebben de lidstaten procedurele autonomie ten aanzien van de gevolgen die zij verbinden aan een dergelijke schending. De nationale procedures moeten daarbij wel altijd voldoen aan de eisen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Dat wil zeggen dat in de eerste plaats de nationale procedureregels ter effectuering van het Unierecht niet ongunstiger mogen zijn dan die gelden voor soortgelijke nationale vorderingen en dat in de tweede plaats de nationale procedureregels de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. De procedurele autonomie biedt mijns inziens de lidstaten, waaronder Nederland, ruimte andere rechtsgevolgen te verbinden aan een schending dan een vernietiging van het bezwarende besluit. Welke andere mogelijkheden er kunnen zijn, zal ik beschrijven in het volgende hoofdstuk (paragraaf 8.6.2).
Naast de voorwaarden van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid beperkt het Hof van Justitie de procedurele autonomie van de lidstaten ten aanzien van de gevolgen van een schending van het kenbaarmakingsbeginsel nog op een derde manier. Een schending kan pas tot vernietiging van een bezwarend besluit leiden wanneer de procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben (oftewel als wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium). Ten aanzien van het ‘andere afloop’-criterium is het volgende van belang:
de bewijslast dat voldaan wordt aan het ‘andere afloop’-criterium ligt bij de belanghebbende;
het ‘andere afloop’-criterium moet worden ingevuld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval; en
de belanghebbende moet een inbreng kunnen leveren die voor het bezwarende besluit van belang kan zijn en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze inbreng tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden.
De Hoge Raad erkent verschillende situaties waarbij kan worden voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium. Het gaat dan om situaties waarbij de belanghebbende:
zonder de procedurefout in een eerdere fase een juridische stelling naar voren had kunnen brengen, die hout snijdt;
zonder de procedurefout een verweermogelijkheid zou hebben gehad die door de procedurefout teniet is gegaan;
zonder de procedurefout in een eerdere fase een discussie over de feiten had kunnen voeren, welke discussie niet van redelijke grond ontbloot is;
een schikking is aangeboden door het bestuursorgaan; en/of
door de eerdere uitspraak van een gerechtelijke instantie (deels) gelijk heeft gekregen en daarna ongelijk.
De vraag is of deze aanwijzingen altijd leiden tot het concreet voldoen aan het ‘andere afloop’-criterium. Mijns inziens zijn een aangeboden schikking of een eerder gelijk aan de zijde van belanghebbende aanwijzingen dat de belanghebbende wellicht voldoet aan het ‘andere afloop’-criterium, maar moet dit in iedere zaak steeds aan de hand van de specifieke feiten en omstandigheden worden vastgesteld. De aangeboden schikking of een eerder gelijk dat wordt gekregen van een lagere rechterlijke instantie op zichzelf acht ik onvoldoende. De reden waarom de belastingdienst een schikking aanbiedt, vind ik ook relevant. Ook bij een eerder gelijk moet wel worden bezien waarom gelijk is gegeven.
Ten aanzien van een schending van het recht op (inzage in) de stukken vult het Hof van Justitie het ‘andere afloop’-criterium anders in. Bij belastende stukken moet worden bezien of sprake kan zijn van een andere afloop als de stukken worden weggedacht. Voor ontlastende stukken behoeft de belanghebbende slechts te bewijzen dat de niet-overlegging daarvan het verloop van de procedure en de inhoud van het bezwarende besluit in zijn nadeel heeft kunnen beïnvloeden. Ten aanzien van een schending van het recht op (inzage in) de stukken volgt de Hoge Raad dit toetsingskader van het Hof van Justitie niet.
Met het onderzoek in dit hoofdstuk kan de laatste stap aan het stappenplan worden toegevoegd. Daarnaast is de bewijslastverdeling toegevoegd. De eerste vier stappen bepalen of sprake is van een schending van het kenbaarmakingsbeginsel, daarbij is het aan het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat geen sprake is van een schending. De vijfde, tevens laatste stap ziet op de gevolgen van een schending, waarbij het aan de belanghebbende is aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium. Het stappenplan (de beslisboom) ziet er dan als volgt uit:
Figuur 21
Dit stappenplan is een structurerend instrument dat in het volgende hoofdstuk zal worden gebruikt als leidraad voor het analyseren van het nationale recht ten aanzien van het kenbaarmakingsbeginsel in fiscale zaken. In het laatste hoofdstuk zal ook het tweede deel van de onderzoeksvraag (op welke wijze kan het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht worden ingericht, zodat het in lijn is met de uitgangspunten en criteria die het kenbaarmakingsbeginsel stelt?) aan de hand van dit stappenplan worden beantwoord. De verschillende stappen in het stappenplan kunnen als volgt worden samengevat.
De stappen 1 en 2
De eerste twee stappen bepalen feitelijk of op de fase voor het nemen van het besluit het kenbaarmakingsbeginsel van toepassing is. Daarvoor moet enerzijds sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht (stap 1) en anderzijds sprake zijn van een bezwarend overheidsbesluit waarvan de belanghebbende de geadresseerde is (stap 2). Voor de specifieke gedetailleerde achtergrond van de stappen 1 en 2 wordt verwezen naar hoofdstuk 4 (stap 1) en hoofdstuk 5 (stap 2). Of sprake is van het ten uitvoer brengen van het Unierecht is niet in elke zaak eenvoudig te beantwoorden. Ten aanzien van het Nederlandse belastingrecht wordt in het volgende hoofdstuk geanalyseerd wanneer sprake is van het ten uitvoer brengen van Unierecht en hoeveel duidelijkheid er bestaat ten aanzien van de verschillende fiscale rechtsgebieden (paragraaf 8.2). Vervolgens moet sprake zijn van een adressaat van een bezwarend overheidsbesluit. De temporele, subjectieve en objectieve reikwijdte van het Nederlandse hoorrecht in fiscale zaken wordt in het volgende hoofdstuk onderzocht (paragraaf 8.3).
Stap 3
De derde stap maakt inzichtelijk in hoeverre een belanghebbende zijn standpunt naar behoren en effectief kenbaar heeft kunnen maken. Hierbij zijn allerlei varianten mogelijk, van het in het geheel niet naar behoren en effectief kenbaar mogen maken van een standpunt in de voorfase (alle vier de aspecten worden beperkt) tot het enkel niet ter inzage krijgen van een enkel stuk (hoofdstuk 5). In paragraaf 8.4 komt het hoorrecht aan de orde en wordt dit afgezet tegen de inhoud van het kenbaarmakingsbeginsel. De overeenkomsten en verschillen tussen het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht en het kenbaarmakingsbeginsel kunnen op die manier in beeld worden gebracht waarmee in hoofdstuk 9 het eerste deel van de onderzoeksvraag kan worden beantwoord.
Stap 4
Als sprake is van een beperking van het kenbaarmakingsbeginsel, moet vervolgens worden uitgezocht of sprake is van een gerechtvaardigde beperking. Dit is de stap waarbij het kenbaarmakingsbeginsel concurreert met andere beginselen. Het relatieve karakter van beginselen is besproken in hoofdstuk 3 en het wegen van beginselen in hoofdstuk 6. In paragraaf 8.5 zal ik met deze kennis onderzoeken welke beperkingen het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht kent. Aan de hand van de omstandighedencatalogus kan worden voorspeld of een geconstateerde beperking in het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht een gerechtvaardigde beperking zal zijn. Op die manier kan inzicht worden verkregen in de gevallen waarin het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht kan leiden tot schending van het Unierecht.
Stap 5
In dit hoofdstuk is reeds aandacht besteed aan de mogelijke consequenties van een schending. In paragraaf 8.6 zal worden onderzocht hoe in Nederland wordt omgegaan met de gevolgen van een schending van het hoorrecht. Hierbij wordt vanuit het beginsel van procedurele autonomie onderzocht of, en zo ja, welke andere gevolgen een schending kan hebben (paragraaf 8.6.2). Daarna kan in hoofdstuk 9 het tweede deel van de onderzoeksvraag worden beantwoord.