Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/7.2
7.2 Partieel vernietigen van een materieel bezwarend besluit
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362955:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 14 februari 1990, zaak C-301/87, (Frankrijk/Commissie), punt 31.
HvJ 10 september 2013, zaak C-383/13, (G. en R.), punt 36 tot en met 42; HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 77; Zie ook: Maagdenberg, van den en Meijerman 2018, onder 2.2.4.1.
Zie bijvoorbeeld: HvJ 3 juli 2014, zaken C-129/13 en C-130/13, (Kamino), punt 79; HvJ 10 september 2013, zaak C-383/13, (G. en R.), punt 38; HvJ 14 februari 1990, zaak C-301/87, (Frankrijk/Commissie), punt 31.
Conclusie A-G Warner van 19 september 1974, in de zaak 17/74, (Transocean Marine Paint Association), p. 1090.
HvJ 10 november 2016, zaak C-548/15, (De Lange).
HvJ 15 juli 1964, zaak 66/63, (Nederland/Hoge Autoriteit), p. 1127 en p. 1135.
HR 14 augustus 2015, nr. 13/01940, NTFR 2015/2450, BNB 2015/207, r.o. 2.7.4; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 januari 2018, nr. BRE 16/3635, ECLI:NL:RBZWB:2018:429, r.o. 2.16.
Conclusie van A-G Wathelet van 23 augustus 2013 in de zaak C-383/13, (G. en R.), punt 58 e.v.
In de vorige paragraaf is geconcludeerd dat de lidstaten procedurele autonomie hebben en dat het Hof van Justitie aan de procedurele autonomie de voorwaarde stelt dat de nationale regels moeten voldoen aan de vereisten van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Het Hof van Justitie stelt aan de gevolgen van een schending van het kenbaarmakingsbeginsel ook nog de voorwaarde dat nietigverklaring van het bezwarende besluit pas aan de orde is als aan het ‘andere afloop’-criterium wordt voldaan.1 Het ‘andere afloop’-criterium voorkomt dat een schending van het kenbaarmakingsbeginsel afbreuk kan doen aan het effect van het Unierecht.2 Alleen als een belanghebbende door de schending daadwerkelijk is benadeeld, kan een schending leiden tot vernietiging van het bezwarende besluit. In deze paragraaf wordt onderzocht wat het Hof van Justitie bedoelt met vernietiging van het bezwarende besluit en of daaronder ook een partiële vernietiging van het bezwarende besluit kan vallen.
De jurisprudentie van het Hof van Justitie lijkt een partiële vernietiging van een bezwarend besluit uit te sluiten, omdat het Hof van Justitie in de arresten over schending van het kenbaarmakingsbeginsel veelvuldig het gehele bezwarende besluit vernietigt.3 Ik concludeer echter dat een partiële vernietiging van een bezwarend besluit als gevolg van een schending van het kenbaarmakingsbeginsel onder omstandigheden mogelijk is. Hiervoor is van belang dat een onderscheid bestaat tussen het materiële bezwarende besluit waarop het kenbaarmakingsbeginsel van toepassing is en het formele besluit of het formele document dat dit materiële bezwarende besluit omvat (paragraaf 5.2). Al eerder is besproken dat in het geval het formele document meer omvat dan het materiële bezwarende besluit, er wel sprake kan zijn van het partieel vernietigen van het formele besluit of formele document. Mijns inziens kan echter ook het materiële bezwarende besluit partieel worden vernietigd, als de schending van het kenbaarmakingsbeginsel niet op het gehele materiële besluit ziet of de beperking of de benadeling niet het gehele materiële bezwarende besluit raakt.
Schematisch ziet dat er als volgt uit (hokjesmodel):
Figuur 19
Met een materiële benadering van het kenbaarmakingsbeginsel, kan mijns inziens het rechtsgevolg bij een geconstateerde schending enkel dat deel van het besluit raken waarvan de belanghebbende aannemelijk maakt dat hij zich ten aanzien van dat deel niet optimaal heeft kunnen verdedigen. Steun hiervoor is te vinden in de zaak Transocean Marine Paint Association. A-G Warner overweegt in zijn conclusie dat partijen het erover eens zijn dat het Hof van Justitie bevoegd was een besluit van de Commissie gedeeltelijk nietig te verklaren en dat deze opvatting stellig in overeenstemming is met de rechtspraak.4 Transocean Marine Paint Association had van de Commissie een verlenging gekregen van een eerder gevraagde en verkregen ontheffing waarbij het verbod op mededinging op de markt van scheepsverven werd beperkt. De verlenging van de ontheffing kende stringente voorwaarden. Transocean Marine Paint Association verzocht vernietiging van één van de voorwaarden die werd gesteld aan de verlenging van de ontheffing. Uiteindelijk vernietigde het Hof van Justitie niet het gehele besluit. Dat zou voor Transocean Marine Paint Association ook verkeerd uitwerken, want bij een vernietiging van het gehele besluit zou Transocean Marine Paint Association de ontheffing kwijt zijn. Het Hof van Justitie vernietigde alleen de gestelde benadeling, maar heeft die partiële vernietiging niet beargumenteerd. Een ander voorbeeld dat vorenstaande duidelijk maakt, is de zaak van De Lange.5 Deze zaak ging over een aanslag IB/PVV waarbij er discussie was over de door De Lange opgevoerde scholingskosten. De vraag was of sprake was van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie. Met artikel 6.30 van de Wet IB 2001 wordt het Unierecht ten uitvoer gebracht (non-discriminatierichtlijn). Uiteindelijk was geen sprake van discriminatie. Als dat wel het geval zou zijn geweest, zou dat mijns inziens niet hebben geleid tot vernietiging van de gehele aanslag IB/PVV. Het Unierecht zag immers alleen op de scholingsuitgaven, dan kan strijd met het Unierecht slechts tot gevolg hebben dat de kosten alsnog moeten worden geaccepteerd. Een schending van het Unierecht kan daarmee tot een partiële vernietiging van een bezwarend besluit leiden. Het gevolg hiervan kan een vermindering van een aanslag zijn in plaats van een vernietiging van de aanslag. Dat het Hof van Justitie partieel vernietigt, blijkt ook uit de zaak Nederland t. Hoge Autoriteit.6 Partieel vernietigen is daarbij mogelijk voor zover sprake is van een zelfstandig te onderscheiden onderdeel van het geheel. Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 zou dit ook kunnen worden afgeleid, omdat hij aan het verwijzingshof meegeeft dat dit hof dient te beoordelen of de inbreng van de belanghebbende tot een andere afloop had kunnen leiden en zo ja, in hoeverre.7
De mogelijkheid een besluit onder omstandigheden partieel te vernietigen, houdt in dat het gevolg van een schending van het kenbaarmakingsbeginsel in balans kan worden gebracht met de ernst van de schending. Een grove schending dient dan mijns inziens tot vernietiging van het bezwarende besluit te leiden. Minder grove schendingen kunnen dan leiden tot een partiële vernietiging of, zoals wordt besproken in paragraaf 8.6.2, andere rechtsgevolgen. Marginale schendingen van het kenbaarmakingsbeginsel leiden niet tot een vernietiging van het bezwarende besluit.8