Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.3.3
7.4.4.3.3 Vereiste ernst van de schending
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940236:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie daaromtrent nader paragraaf 7.4.6.2.1.
Zie (met name wat betreft gebreken in de administratie) Koopman 1996, p. 151, Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 122, Feteris 2007, p. 315 en Albert 2005, p. 178-179. Zie voor een voorbeeld inzake de schending van de bewaarplicht: HR 27 januari 2006, BNB 2006/191. Zie voorts HR 12 oktober 1988, BNB 1988/323 en Hof Amsterdam 5 november 2003, V-N 2004/50.6.
HR 17 april 2020, V-N 2020/19.19, BNB 2020/95, r.o. 2.4.1, HR 17 april 2020, V-N 2020/19.20, BNB 2020/96, r.o. 2.4.1. De vraag of de uitoefening van een bepaalde informatiebevoegdheid als zodanig de grenzen van het evenredigheidsbeginsel overschrijdt, staat hier volgens mij los van. Als die grenzen worden overschreden, kan er naar mijn mening geen sprake zijn van een schending, omdat het niet verplicht is om onevenredige informatieverzoeken na te komen. De Hoge Raad lijkt een en ander evenwel op één hoop te gooien. Zie in dit kader ook Hof Amsterdam 24 december 2020, V-N 2021/14.17, r.o. 5.2, waarin het Hof ook de inspanningen van de belastingplichtige (om aan het informatieverzoek te voldoen) aan het evenredigheidsbeginsel toetst. Met de Redactie Vakstudie-Nieuws ben ik van mening dat die toets niet uit de arresten van de Hoge Raad kan worden afgeleid.
Zie paragraaf 7.4.6.2.1 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie, waaronder met name HR 11 december 1991, BNB 1992/69.
Zie – in de sleutel van de informatiebeschikking – HR 25 juni 2021, V-N 2021/29.15, BNB 2021/125, r.o. 3.1.3. Uit de bewoordingen van het arrest lijkt te volgen dat de evenredigheidstoets ten aanzien van de administratieplicht al ligt besloten in de vraag of die administratieplicht als zodanig is geschonden. Als dat het geval is (omdat de aard en omvang van de gebreken ernstig genoeg zijn om te concluderen dat de administratie niet kan dienen als grondslag voor de vaststelling van de fiscale verplichtingen), zou de sanctie van de omkering in beginsel steeds gerechtvaardigd zijn (zie ook r.o. 3.3.4). Zie voorts Hof Amsterdam 19 april 2016, V-N 2016/40.7.
HR 23 september 2005, BNB 2006/21, V-N 2005/46.5, NTFR 2005/1233.
HR 25 januari 2002, BNB 2002/136, V-N 2002/7.5.
In de literatuur over de situatie voor de invoering van de informatiebeschikking (toen de omkering nog rechtstreeks uit de schending van de informatieverplichtingen voortvloeide) was dit algemeen aanvaard, zie Koopman 1996, p. 148 en p. 160-161, Feteris 2007, p. 311 (noot 90), De Blieck e.a. 2009, p. 302.
Zie paragaaf 7.4.4.2.1.
Vgl. (in het tijdperk vóór de informatiebeschikking) HR 23 december 1959, BNB 1960/26, Hof ’s-Hertogenbosch 7 mei 2010, V-N 2010/46.4, en HR 7 juni 1995, BNB 1995/231.
Zoals hiervoor is opgemerkt, kan in de procedure tegen de informatiebeschikking al de vraag aan de orde komen of de geconstateerde schending van de informatieverplichting(en) van voldoende gewicht is om de sanctie van de omkering te rechtvaardigen. Net als bij de categorie I-triggers is dat (vanwege de evenredigheidstoets1) ook bij de categorie II-triggers niet bij elke omissie of bij elk gebrek het geval.2 Er moet evenredigheid zijn tussen het doel en (de gevolgen van) het middel, (de omkering die het gevolg is van) de informatiebeschikking.3 Het niet beantwoorden van enkele ondergeschikte vragen uit een uitgebreide, gedetailleerde vragenbrief levert bijvoorbeeld niet per se een schending van art. 47 AWR op (laat staan dat die ernstig genoeg zou zijn voor de omkering).4 Relatief geringe gebreken die aan de administratie van een onderneming kleven, rechtvaardigen nog niet de conclusie dat de administratieplicht is geschonden, laat staan de zware sanctie van de omkering.5 Het niet verstrekken van overduidelijk fiscaal relevante informatie vormt daarentegen wél een schending van art. 47 AWR.6 Hetzelfde geldt voor het opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen.7
Verder kunnen ook categorie II-triggers zien op de tijdigheid van het voldoen aan de informatieverplichtingen: een schending kan er bijvoorbeeld in zijn gelegen dat de door de inspecteur gestelde termijn als bedoeld in art. 49 lid 1 AWR is overschreden. Net als bij categorie I-triggers betekent het enkel te laat verstrekken van de gegevens dan nog niet automatisch dat er ook grond is voor de omkering van de bewijslast. Op welk moment het precieze omslagpunt ligt, is niet geheel duidelijk. Wellicht kan een parallel worden getrokken met de jurisprudentie inzake het niet doen van de vereiste aangifte:8 het kritische moment ligt daar op het uiterste tijdstip dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag in redelijkheid nog rekening kan houden met de te laat aangeleverde gegevens en inlichtingen.9 Vertaald naar categorie II-triggers zou dan ook informatie die weliswaar te laat (want buiten de in eerste instantie gestelde termijn), maar nog vóór het nemen van de informatiebeschikking is verstrekt, meetellen. Mogelijk kan zelfs informatie die wordt verstrekt ná het nemen van de informatiebeschikking, maar vóór het opleggen van de aanslag of (wanneer de informatiebeschikking pas in bezwaar is genomen) het doen van de uitspraak op bezwaar nog de omkering voorkomen.10