Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.4.3.2
7.4.4.3.2 De tussenstap van de informatiebeschikking
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940585:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het OM kan daarom gedurende die periode (nog) geen strafrechtelijke opsporingsmiddelen (zoals een doorzoeking) inzetten, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2020 (strafkamer), V-N 2020/53.23. Hof ’s-Hertogenbosch 12 juni 2018 (strafkamer), V-N Vandaag 2018/1234 oordeelde dat het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de informatiebeschikking feitelijk schorsende werking heeft.
Zie voor een fraai voorbeeld, waarin duidelijk deze inhoudelijke toetsing van de opvatting van de inspecteur naar voren komt Hof ’s-Hertogenbosch 7 februari 2019, V-N 2019/22.17. Zie voor de temporele aspecten van deze toetsing (beoordeling van de schending naar het tijdstip waarop de informatiebeschikking is vastgesteld) nader Hof Arnhem-Leeuwarden V-N 2021/3.17, r.o. 4.3-4.4, Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2020, V-N 2020/19.1.1 en Hof Amsterdam 5 juni 2018, V-N 2018/46.1.4.
Evenals eerder reeds de inspecteur, zie HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.3.4.
HR 4 juni 2021, V-N 2021/26.20, BNB 2021/122, r.o. 3.4. In deze zin ook reeds: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij de Conclusie van A-G IJzerman van 2 maart 2015, V-N 2015/18.5 en in de Aantekening bij Rb Gelderland 20 december 2018, V-N 2019/20.18. Het kwam echter voor dat de rechter de belastingplichtige toch de gelegenheid bood om vastgestelde gebreken in de administratie te herstellen, zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 16 juni 2016, V-N 2017/3.6 en de zaak die leidde tot HR 4 juni 2021, V-N 2021/26.20, BNB 2021/122. In de Aantekening bij laatstgenoemd arrest verdedigt de Redactie Vakstudie-Nieuws dat de Hoge Raad de deur op een kier houdt voor het herstellen van gebreken in (op zichzelf wel gevoerde) administraties.
De voorlopige aanslag staat niet in de wettekst genoemd en dus kan ter zake daarvan geen informatiebeschikking worden genomen (zie ook Rb Noord-Nederland 14 februari 2019, V-N 2019/22.18).
HR 2 oktober 2015, V-N 2015/50.6, BNB 2016/4, r.o. 2.3.2 en r.o. 2.4.3. Dat geldt ook als de inspecteur al in het kader van de aanslagregeling heeft gewezen op de informatieverplichtingen, zie Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, V-N 2022/34.19, r.o. 4.3.
De Hoge Raad heeft dat in ieder geval voor wat betreft de schending van de administratieplicht met zoveel woorden gezegd, zie HR 4 juni 2021, V-N 2021/25.7, r.o. 2.4.2 en HR 4 juni 2021, V-N 2021/26.20, BNB 2021/122, r.o. 3.1.4.
Art. 52a lid 3 AWR. Er kan dan niet opnieuw een (inhoudelijk gelijkluidende) informatiebeschikking worden genomen, zie onder meer Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2022, V-N 2022/34.19, r.o. 4.4. Vgl. ook HR 14 oktober 2022, V-N 2022/45.24.
HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.3.6, HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.6, BNB 2017/93, r.o. 2.3.7.
HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.3.4, HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.6, BNB 2017/93, r.o. 2.3.7. Zie ook reeds Van Eijsden 2009, paragraaf 5.2.
HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.2.1-3.2.2. In deze casus had de inspecteur in de latere procedure de bevindingen van het boekenonderzoek ingebracht, dat ten tijde van de vernietiging van de informatiebeschikking nog niet was afgerond (r.o. 2.2.1). Zie voorts paragraaf 7.4.4.3.1 hiervoor.
HR 3 december 2015, V-N 2015/65.9, BNB 2016/46.
HR 18 december 2015, V-N 2016/2.5, BNB 2016/47, r.o. 2.2.3. Zie art. 52a lid 3 AWR.
Hof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2019, V-N 2019/57.1.9, r.o. 4.38 (het tegen deze uitspraak gerichte cassatieberoep werd niet ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van gronden, zie HR 28 augustus 2020, V-N 2020/44.14). Zie voorts paragraaf 7.4.2.1.
HR 4 juni 2021, V-N 2021/25.7, r.o. 2.4.2.
HR 25 juni 2021, V-N 2021/29.15, BNB 2021/125, r.o. 3.3.3. Hetzelfde geldt voor de categorie I-triggers, zie paragraaf 7.4.4.2.3.
Zie daarover nader paragraaf 7.3.10.2.
HR 18 december 2015, V-N 2016/2.7, BNB 2016/49, r.o. 4.2, Hof ’s-Hertogenbosch 15 april 2021, V-N 2021/32.16. Overigens is dat gelet op de wettelijke formulering van art. 52a lid 1 AWR ook niet goed denkbaar: in beroep kan er – behoudens de regeling van art. 27a AWR en mogelijk de toepassing van de bestuurlijke lus – immers geen sprake meer zijn van een door de inspecteur ‘te nemen beschikking’ waarop de informatiebeschikking ziet.
Zie daarover nader paragraaf 7.4.6.2.2 hierna.
HR 10 februari 2017, V-N 2017/9.5, BNB 2017/92, r.o. 3.3.2-3.3.3. Zie voor een voorbeeld waarin uitdrukkelijk voor het laatste wordt gekozen Hof Arnhem-Leeuwarden V-N 2021/3.17, r.o. 4.12.
De twee andere beoogde wijzigingen zijn (1) het verkorten van de procedure tegen de informatiebeschikking door de rechtbank over te slaan en (2) het niet langer aanmerken van een schending van de administratieplicht als grond voor het nemen van een informatiebeschikking.
Zie de Fiscale Beleidsagenda die de Staatssecretaris van Financiën op 27 mei 2019 heeft aangeboden (V-N 2019/29.3). Zie over de inhoud van de voorgenomen wijzigingen nader Kamerstukken II 2018/19, 33 772, nr. 5 en V-N 2019/19.19.
Schorsende werking en nieuwe voldoeningstermijn
Uit de wettelijke formulering volgt dat de informatiebeschikking onherroepelijk moet zijn, voordat de omkering daadwerkelijk kan intreden. Dat betekent dat de informatiebeschikking schorsende werking heeft: hangende de bezwaartermijn en de eventuele bezwaar- en beroepsprocedures die tegen die informatiebeschikking worden ingesteld, heeft deze geen effect.1 In die bezwaar- en beroepsprocedure staan het bestaan en de reikwijdte van de volgens de inspecteur geschonden informatieverplichting centraal.2 Pas als de rechter het beroep ongegrond acht, herleven de informatieverplichtingen waarop de informatiebeschikking ziet, met dien verstande dat de rechter3 in beginsel een nieuwe termijn moet stellen om alsnog aan die verplichtingen te voldoen.4 Vooral in de sfeer van de administratieplicht van art. 52 AWR is herstel achteraf vaak niet meer mogelijk, bijvoorbeeld als vast komt te staan dat er geen administratie is bijgehouden. Daarom kan en mag de rechter in zulke gevallen geen herstelmogelijkheid bieden.5 Naar mijn mening geldt hetzelfde voor de schending van de bewaarplicht (iets niet bewaren is immers naar zijn aard onherstelbaar).
Procesrechtelijke aspecten
Blijkens de wettekst moet een informatiebeschikking altijd worden genomen met betrekking tot een (of meer) op te leggen aanslag(en) of te nemen beschikking(en).6 De inspecteur is ook in de bezwaarfase bevoegd om een informatiebeschikking te nemen, zelfs als hij ten aanzien van de eerder opgelegde aanslag nog geen informatiebeschikking had genomen.7 De informatiebeschikking ziet dan op de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag (de ‘te nemen beschikking’).
De inspecteur kan ook na het opleggen van de informatiebeschikking (bijvoorbeeld in beroep) nog feiten en omstandigheden aandragen die de schending van de informatieverplichting onderbouwen.8
Als de inspecteur een aanslag oplegt of een beschikking (zoals dus een uitspraak op bezwaar) neemt, voordat de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden, vervalt die informatiebeschikking van rechtswege.9Nadat de informatiebeschikking eenmaal onherroepelijk is geworden, staat de schending van de daarin opgenomen informatieverplichting(en) vast. De vraag of die informatieverplichtingen als zodanig rechtmatig waren, kan in de (latere) procedure tegen de aanslag of de beschikking niet opnieuw of alsnog10 aan de orde worden gesteld. In gevallen waarin de belastingplichtige pas na het onherroepelijk worden met de rechtmatig gevraagde informatie over de brug is gekomen (bijvoorbeeld tijdens de nieuwe voldoeningstermijn), kan echter nog wel aan de orde komen of en in hoeverre daarmee uiteindelijk is voldaan aan die informatieverplichtingen.11 Als een informatiebeschikking over de administratieplicht is vernietigd, staat die omstandigheid er evenmin aan in de weg dat in de (latere) procedure over de aanslag een inhoudelijk standpunt over de administratie wordt ingenomen. De uitwerking van dat standpunt kan zelfs tot omkering leiden, maar alleen vanwege het niet doen van de vereiste aangifte (dus als categorie I-trigger).12
Een informatiebeschikking kan betrekking hebben op meerdere jaren en op meer dan één belastingmiddel. In het verlengde daarvan kan de beschikking ook gedeeltelijk worden vernietigd (bijvoorbeeld omdat blijkt dat alleen de vragen ten aanzien van één middel volledig zijn beantwoord).13 Om dezelfde reden kan de informatiebeschikking ook gedeeltelijk van rechtswege vervallen (als de inspecteur een aanslag oplegt voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden).14 Iets dergelijks geldt eveneens als de informatiebeschikking ziet op posten ter zake waarvan de bewijslast reeds op de belastingplichtige rust.15 Een informatiebeschikking die ziet op de schending van de administratieplicht, kan echter niet gedeeltelijk worden vernietigd.16 Als een of meer aan de informatiebeschikking ten grondslag gelegde feiten niet kunnen bijdragen aan de vaststelling dat de administratieplicht is geschonden, moet de rechter beoordelen of de overige feiten die conclusie wél rechtvaardigen. Als dat laatste het geval is, blijft de informatiebeschikking in stand. De beoordeling of de administratieplicht is geschonden, is dus een alles-of-niets kwestie.
Voor wat betreft de administratieplicht geldt verder dat de inspecteur per tijdvak moet vaststellen dat niet is voldaan aan de verplichtingen van art. 52 AWR.17
Nadat beroep is ingesteld, mag de inspecteur zijn bevoegdheden ex art. 47 en verder AWR jegens de belastingplichtige niet langer uitoefenen om bewijs te vergaren.18 Daarom kan de inspecteur na de bezwaarfase geen informatiebeschikking meer nemen en als hij dat toch doet, blijft die zonder rechtsgevolgen.19
Ten slotte heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de vraag of de geconstateerde schending van de informatieverplichting(en) wel ernstig genoeg is om de omkering te rechtvaardigen, in de procedure tegen de informatiebeschikking beantwoord kan worden.20 Indien en voor zover de rechter die vraag ontkennend beantwoordt, moet hij de informatiebeschikking (in zoverre) vernietigen. Dat laat onverlet dat deze vraag ook (en eventueel opnieuw) in de latere procedure tegen de aanslag aan de orde kan worden gesteld, nadat de daarop betrekking hebbende informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.21 Overigens is een wetsvoorstel aangekondigd dat er onder meer22 in voorziet dat de evenredigheidsvraag alleen nog maar in die latere procedure tegen de aanslag kan worden beantwoord.23 De procedure tegen de informatiebeschikking wordt dan dus beperkt tot de beoordeling of er sprake is van een schending van een informatieverplichting.