RvdW 2025/1037:Medeplegen poging tot diefstal met geweld, art. 312 lid 2 onder 2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten alternatief scenario t.a.v. DNA-bewijs (DNA-spoor dat is aangetroffen op de nabij plaats delict aangetroffen handschoen) en redengevendheid voor bewijs van tapgesprek tussen verdachte en zijn vriendin. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: T.a.v. het door verdediging aangedragen alternatieve scenario heeft hof overwogen dat verdachtes eerdere bij politie afgelegde verklaring dat handschoen afkomstig was van garage waar hij had gewerkt en waar hij zijn handschoenen soms achterliet, niet aannemelijk is omdat onderzoek door politie heeft uitgewezen dat hij niet bij desbetreffend garagebedrijf werkzaam is geweest. Zijn latere bij Rb afgelegde verklaring dat hij handschoenen thuis gebruikte om te klussen en deze had uitgeleend aan zijn medeverdachte en niet meer heeft teruggekregen, acht hof niet aannemelijk met name in het licht van verklaring van deskundige dat het te verwachten is dat aan binnenkant van handschoen DNA-materiaal wordt aangetroffen van laatste drager. Deze oordelen zijn niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Hof is kennelijk uitgegaan van scenario waarin overvallers (delen van) hun beider inbrekerskostuum (bivakmuts en handschoenen) hebben achtergelaten in buurt van plaats delict. T.a.v. redengevendheid van tapgesprek heeft verdachte, nadat hij zelf was gearresteerd en bij R-C was voorgeleid en geconfronteerd met feit dat zijn DNA is aangetroffen op handschoen in buurt van plaats delict, tegen zijn vriendin gezegd dat ‘hij’ (medeverdachte) ‘die zooi’ daar heeft achtergelaten. Hof heeft geoordeeld dat verdachte derhalve over informatie over delict beschikte die niet in dossier stond, te weten dat het zijn medeverdachte is geweest die ‘die zooi’ in buurt van plaats delict heeft achtergelaten. Deze gevolgtrekking is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte op dat moment al wist dat zijn medeverdachte was aangehouden i.v.m. strafbaar feit en dat hijzelf net daarvoor bij R-C was geconfronteerd met feit dat zijn DNA was aangetroffen op handschoen die in buurt van plaats delict was gevonden, doet hier niet aan af. Dat zijn medeverdachte was opgepakt en verdachte daarvan op de hoogte was, betekent immers nog niet dat verdachte ook kon weten dat zijn medeverdachte ‘die zooi’ had achtergelaten. Volgt verwerping. Samenhang met RvdW 2025/1036.