Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.7.3
4.3.7.3 Beboeting bij afgaan op onjuiste voorlichting?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661586:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. In internationale literatuur Cauble 2015, p. 467 e.v.; volgens OTS 2018, punt 4.14-4.16 legt de Australische fiscus geen boete op wanneer belastingplichtigen uitgaan van de verstrekte guidance.
In andere context: Wanneer de belastingplichtige gebruik maakt van een belastingadviseur bij wie sprake is van opzet, kan die opzet niet worden toegerekend aan de belastingplichtige (zie HR 1 december 2006, nr. 40 369, BNB 2007/151; HR 13 februari 2009, nr. 07/12891, BNB 2009/114).
Zie par. 4 lid 1 BBBB (tekst 2021). Zie over het leerstuk van het pleitbare standpunt o.a. HR 21 april 2017, nr. 15/05278, V-N 2017/22.9.
Bijv. in Hof Arnhem 5 juli 2011, nr. 11-00012, V-N 2011/43.19.6 betoogde belanghebbende dat de boete moest vervallen aangezien hij meermaals inlichtingen had ingewonnen bij de Belastingdienst, zowel telefonisch als via de Website (r.o. 4.2). Het Hof ziet echter (anders dan de Rechtbank) geen aanleiding de verzuimboete te matigen of te laten vervallen; Van avas of strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur was geen sprake (r.o. 4.3-4.4.). Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 6 mei 2021, nr. 20/00273 t/m 20/00277, V-N 2021/35.1.8, r.o. 4.8 e.v. (cassatie ingesteld). In Rechtbank Gelderland 21 juli 2016, nr. AWB - 15 _ 423, V-N 2016/54.4 was belanghebbende afgegaan op voorlichting van een koepelorganisatie en stond volgens haar een pleitbaar standpunt aan de opgelegde vergrijpboete in de weg. De Rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een te maken verwijt en vernietigde de boetebeschikking.
Vgl. Brief staatssecretaris van Financiën Wiebes van 5 april 2017, Kamerstukken II 2016/2017, 31066, nr. 353. Volgens de staatssecretaris is een boete ook niet aan de orde wanneer belastingplichtigen ‘oprechte fouten’ maken in hun belastingaangifte (staatssecretaris van Financiën Snel in brief van 4 april 2019, kenmerk 2019-0000057531, p. 12).
Zie over de binding van uitingen van bewindslieden in Douma 2021, par. 6.1.5.
Zijdelings komt de vraag op of een burger kan worden geconfronteerd met een bestuurlijke boete wanneer hij, afgaande op onjuiste voorlichting van de Belastingdienst, bijvoorbeeld een onjuiste belastingaangifte doet. Het antwoord op die vraag dient mijns inziens in beginsel ontkennend te zijn.1 Voor het opleggen van een fiscale vergrijpboete is wettelijk gezien opzet of grove schuld vereist (zie Hoofdstuk VIIIA, afdeling 1, par. 2 AWR). Wanneer een burger te goeder trouw afgaat op achteraf onjuiste informatie van de Belastingdienst, zal van opzettelijk of grof schuldig handelen in strijd met de wet mijns inziens geen sprake zijn.2
Voor een verzuimboete is mijns inziens evenmin plaats in gevallen waarin de burger te goeder trouw afgaat op achteraf onjuiste informatie van de Belastingdienst (zie Hoofdstuk VIIIA, afdeling 1, par. 1 AWR). In zo’n geval kan immers worden betoogd dat ten aanzien van het begane verzuim afwezigheid van alle schuld bestaat.3 Verder kan worden beargumenteerd dat als de burger een in voorlichting weergegeven interpretatie van de Belastingdienst van het belastingrecht volgt, die achteraf onjuist blijkt te zijn, sprake is van een standpunt dat objectief pleitbaar was. Een pleitbaar standpunt staat volgens vaste jurisprudentie aan boeteoplegging in de weg.4
Bovendien acht ik het opleggen van een boete aan een burger die te goeder trouw is uitgegaan van achteraf onjuiste (en dus onzorgvuldige) voorlichting in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Bij een oprechte fout van de burger, op het verkeerde been gezet door onjuiste (dus onzorgvuldige) informatie, is mijns inziens geen sprake van een boetewaardige gedraging. Overigens lijkt de belastingrechter in onjuiste en/of voorlichting niet steeds aanleiding te zien om een streep door de opgelegde boete te zetten.5 In zo’n geval komt de vraag op of de belastingrechter voldoende rekening houdt met de situatie die tot boeteoplegging heeft geleid.
Tot slot is van belang dat de staatssecretaris van Financiën eerder heeft toegezegd dat er geen ruimte is voor een boete als belastingplichtigen in goed vertrouwen afgaan op informatie van de Belastingdienst.
‘Wanneer een belastingplichtige op basis van foutieve informatie verkregen via de Belastingtelefoon de aangifte te goeder trouw invult, heeft dat als rechtsgevolg dat de inspecteur bij het beoordelen van de aangifte deze fout mag corrigeren, wat leidt tot een juiste aanslag. Een boete is op een dergelijk punt uiteraard niet aan de orde.’6
Deze opmerking ziet op informatie verkregen via de BelastingTelefoon, maar ik zie geen reden om het daartoe te beperken. Het kan evengoed opgaan bij door de burger gemaakte fouten op grond van via andere kanalen van de Belastingdienst verstrekte inlichtingen. Aangezien de staatssecretaris hierboven, in zijn hoedanigheid als hoofd van de wetsuitvoerder, aangeeft op welke wijze de Belastingdienst zijn bevoegdheden zal uitoefenen, is de Belastingdienst gebonden aan een dergelijke beleidsuiting.7 In zo’n geval staat dus ook het vertrouwensbeginsel aan boeteoplegging in de weg.