Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.7.2
4.3.7.2 Gelijkheidsbeginsel en voorlichting
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661587:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Het vertrouwensbeginsel werkt in de regel niet ten opzichte van derden, maar tussen de Belastingdienst en belastingplichtige (bijv. Hof Arnhem Leeuwarden 19 januari 2021, nr. 19/00763, V-N 2021/17.24.18, r.o. 4.16); Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.0.B (actueel t/m 16 oktober 2021).
Zie HR 27 januari 2006, nr. 39.810, BNB 2006/151, r.o. 4 (‘(….) het gelijkheidsbeginsel niet betrekking heeft op een consistente behandeling van een belastingplichtige, maar op gelijke behandeling van de ene belastingplichtige ten opzichte van een of meer andere belastingplichtigen’). Zie Douma 2021, p. 299.
Vgl. HR 04 februari 1981, nr. 20 176, BNB 1981/90, over een situatie waarin een toelichting bij een belastingplichtige vertrouwen had gewekt. De Hoge Raad oordeelde dat vertrouwen niet ten nadele van die belastingplichtige mocht worden opgeheven door het doen van een mededeling aan (uitsluitend) die ene belastingplichtige. Volgens Geppaart 1984, p. 487 wordt het vertrouwensbeginsel hier ‘ondersteund’ door het gelijkheidsbeginsel. Zie ook Smit 1984b, p. 192; Geradts in FED 2002/469, punt 4. Recenter: Rechtbank Arnhem 21 september 2007, nr. AWB 07/1831, NTFR 2007/2014, beriep belanghebbende zich op zowel het vertrouwensbeginsel (vanwege door een internetpagina van Ministerie van Financiën en een brochure van de Belastingdienst gewekt vertrouwen) als het gelijkheidsbeginsel (vanwege andere bewoners die geen naheffingsaanslag zouden hebben ontvangen). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt niet gehonoreerd.
Vgl. HR 7 december 2001, nr. 36 517, FED 2002/469.
Vgl. toelichting bij het aangiftebiljet in BNB 1988/148; HR 4 februari 1981, nr. 20 176, BNB 1981/90.
Zie in dit kader de kritische kanttekeningen van Geradts in FED 2002/469, par. 4.
HR 7 december 2001, nr. 36517, BNB 2002/45.
Recenter zie BNB 2021/9, r.o. 2.5.2 inzake uitingen op de Website, waarin het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt (mist feitelijke grondslag, conclusie A-G Niessen punt 4.3).
Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.4.2 (actueel t/m 2 februari 2021). Bijv. belanghebbende slaagde niet in bewijslast in Rechtbank Arnhem 21 september 2007, nr. AWB 07/1831, NTFR 2007/2014; HR 18 september 2020, nr. 19/03974, BNB 2021/9, r.o. 2.5.2 en conclusie A-G Niessen, punt 4.3.
Het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel hebben een andere werkingssfeer.1 Het vertrouwensbeginsel ziet op consistent handelen van de Belastingdienst ten opzichte van een burger, terwijl het gelijkheidsbeginsel ziet op een gelijke behandeling van de ene burger ten opzichte van de andere burger(s).2 Dat neemt niet weg dat in situaties waarin bij (onjuiste) voorlichting speelt ook het gelijkheidsbeginsel aan de orde kan zijn.
Voorbeelden
Bijvoorbeeld als een belastingplichtige zich beroept op de toelichting, maar de Belastingdienst dat vertrouwen met een mededeling aan (uitsluitend) die belastingplichtige beoogt op te heffen (maar niet ten aanzien van anderen).3 Verder valt in de context van voorlichting te denken aan de situatie dat een onjuistheid in de rekenhulp4 of toelichting5 bij het aangifteprogramma bij een groot aantal belastingplichtigen heeft geleid tot een onjuiste (te lage) berekening van de verschuldigde belasting, terwijl deze fout slechts bij een enkeling door de inspecteur bij het opleggen van de aanslag is gecorrigeerd. De eerstgenoemde gevallen worden dan ten opzichte van de wet gunstiger behandeld dan laatstgenoemde gevallen, terwijl beide van hetzelfde aangifteprogramma gebruik hebben gemaakt. Een dergelijke kwestie kwam aan de orde in het betoog van belanghebbende in BNB 2002/45.
In BNB 2002/45 heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten over de vraag of de handelwijze van de Belastingdienst, waarbij een fout enkel in bepaalde gevallen werd gecorrigeerd, een schending van het gelijkheidsbeginsel was, nu belanghebbende de (feitelijke) stelling te laat naar voren heeft gebracht (pas in de cassatieprocedure6). Van Leijenhorst acht dat ‘jammer, want als het inderdaad zo is dat bij het wegnemen van de gevolgen van de fout in de aangiftediskette willekeurig te werk is gegaan, had het beroep op het gelijkheidsbeginsel een goede kans van slagen gehad.’7 Bij mijn weten is er nadien geen rechtspraak verschenen waarin een dergelijke kwestie door de belastingrechter is beslecht.8
Overigens kunnen zowel het vertrouwensbeginsel als het gelijkheidsbeginsel contra legem-werking hebben. Het gelijkheidsbeginsel werkt in die zin ruimer dat het niet gaat om gewekt vertrouwen, maar om gelijke behandeling. Dat betekent dat ook ‘achteraf’ een beroep op het gelijkheidsbeginsel mogelijk is, terwijl bij het vertrouwensbeginsel dit wordt verhinderd door het dispositievereiste (4.3.4). De burger draagt de bewijslast voor feiten en omstandigheden voor de door hem aan de orde gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel.9