Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.7.1
4.3.7.1 Zorgvuldigheidsbeginsel en voorlichting
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661539:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rechtbank Noord-Nederland 13 november 2018, nr. AWB - 18 _ 673, V-N 2019/31.2.3, r.o. 11; BNB 2010/314 en HR 24 september 2010, nr. 08/03543, BNB 2010/315; Hof Amsterdam 21 mei 1999, nr. 97/21509, r.o. 5.2.
Vgl. Scheltens in BNB 1990/148: ‘Wat in dit verband nu juist de toelichtingen bij de aangiftebiljetten aangaat zal men in het oog moeten houden dat deze (…) zich specifiek richten op de vragen van het aangiftebiljet en aan de individuele invuller daarvan zo duidelijk als mogelijk is aanwijzingen trachten te geven. Juist daarbij is de grootste zorgvuldigheid geboden wat dan echter medebrengt dat de belanghebbende daaraan een extra vertrouwen moet kunnen ontlenen.’ Recenter zie IJzerman in FED 2022/17, punt 8.
HR 24 september 2010, nr. 08/03539, BNB 2010/314, r.o. 3.5.2. Zie ook BNB 2010/315, r.o.. 3.5.2.
Zie Van der Vegt in NTFR 2010/2301; redactie V-N 2010/50.9; Thomas in FED 2010/113.
Zie ook HR 24 september 2010, nr. 08/03543, BNB 2010/315, r.o. 3.5.2; Hof Arnhem 18 januari 2005, nr. 02/4102, V-N 2005/35.1, r.o. 13 (geen heffingsrente vanwege een omissie in de aangiftediskette); Rechtbank 's-Gravenhage 29 september 2009, Awb 08/7441, V-N 2010/16.3 (geen heffingsrente bij onzorgvuldige invulinstructie).
Bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 oktober 2015, 1500067, V-N 2015/64.15.10, waarin de toelichting bij het aangiftebiljet op het punt van de voorwaarden bij de ouderschapsverlofkorting onvolledig was, maar het Hof de heffingsrente in stand laat. Zie ook Hof Leeuwarden 7 december 2012, nr. BK 10/00338 IB, V-N 2012/21.28.1, r.o. 4.7.
Zie Rechtbank Noord-Nederland 13 november 2018, nr. AWB - 18, 673, V-N 2019/31.2.3 r.o. 11. Vgl. over de werkingssfeer van het zorgvuldigheidsbeginsel de redactie in V-N 2011/10.7: ‘De opmars van het zorgvuldigheidsbeginsel in de rechtspraak van de Hoge Raad gaat gestaag verder. Tot nog toe beperkt hij zich tot de periferie (de heffingsrente, de proceskosten en dergelijke), maar het kan niet uitblijven dat het zorgvuldigheidsbeginsel ook in het hart van het belastingrecht een plaats krijgt, zowel bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de formalisering van de materiële belastingschuld, als bij de beoordeling van de invordering van de geformaliseerde belastingschuld.’
Bijv. Hof Amsterdam 21 mei 1999, nr. 97/21509, r.o. 5.2 waarin het Hof oordeelt dat de voorlichtingsplicht van de overheid niet zo ver gaat dat ‘het onvoldoende zijn van die voorlichting of het achterwege blijven daarvan kan leiden tot het vernietigen of verminderen van aanslagen’.
Het zorgvuldigheidsbeginsel verlangt dat de Belastingdienst de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij zijn handelen jegens belastingplichtigen. Dat geldt dus ook bij de uitvoering van zijn voorlichtende taak (paragraaf 2.3.2.6). Bij onjuiste voorlichting van de Belastingdienst kan naast het vertrouwensbeginsel ook het zorgvuldigheidsbeginsel aan de orde komen: soms spelen zij naast elkaar of lopen zij door elkaar heen.1 De relevantie van het zorgvuldigheidsbeginsel bij tekortschietende voorlichting ligt voor de hand: is de verstrekte informatie wel in lijn met de vereiste zorgvuldigheid?2 In hoofdstuk 2 heb ik besproken op welke wijze het zorgvuldigheidsbeginsel een rol speelt bij de normering van de kwaliteit van voorlichting (paragraaf 2.3.2.6; 2.5.2). Daarbij viel op dat tekortkomingen niet altijd worden gesanctioneerd of gecompenseerd.
Een belangrijk arrest waarin zowel het vertrouwensbeginsel als het zorgvuldigheidsbeginsel bij voorlichting werden toegepast betreft BNB 2010/314 (paragraaf 4.3.3).3 Belanghebbende had in deze zaak een teruggaaf algemene heffingskorting gekregen op basis van een te eenvoudig en onvolledig aanvraagformulier. De Hoge Raad acht de Belastingdienst – conform de koers uit de voorlichtingsjurisprudentie – niet op grond van het vertrouwensbeginsel gebonden aan de onjuiste voorlichting in het formulier en een mededeling op het aanslagbiljet (r.o. 3.3.3). Wel was het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden:
‘(…) dat belanghebbende uitsluitend als gevolg van onjuiste voorlichting door de Belastingdienst ten onrechte deze voorlopige teruggaaf heeft aangevraagd en gekregen. Het is daardoor uitsluitend aan onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst te wijten dat belanghebbende heffingsrente verschuldigd zou zijn in verband met het opleggen van de definitieve aanslag, waarmee deze voorlopige teruggaaf verrekend is. Onder die omstandigheden verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich ertegen dat de Inspecteur deze heffingsrente in rekening brengt.’
Kortom, vanwege de onzorgvuldige informatie mag de Belastingdienst geen heffingsrente naast de aanslag in rekening brengen. In de literatuur is op dit oordeel met instemming gereageerd.4 Welke conclusies kunnen aan BNB 2010/314 worden verbonden? Voor wat betreft voorlichting valt op dat de strikte risicoverdeling bij onjuiste voorlichting overeind blijft, maar de bijkomende financiële consequenties (rente) worden gemitigeerd.5 Toch is het geen vaste praktijk en verbindt de belastingrechter niet steeds gevolgen aan geconstateerde tekortkomingen in voorlichting.6
Verder kunnen aan onvoldoende zorgvuldigheid in voorlichting andere (processuele) gevolgen worden verbonden, zoals proceskostenvergoeding of verschoonbare termijnoverschrijding (paragraaf 2.3.2.6, 2.5.2). Dergelijke gevolgen vormen als het ware een compensatie voor de consequenties wanneer een burger als gevolg van een onzorgvuldigheid op het verkeerde been wordt gezet.
Van belang is dat de beginselen een andere strekking hebben: het zorgvuldigheidbeginsel legt nadruk op de zijde van de Belastingdienst, het vertrouwensbeginsel legt nadruk op de zijde van de burger. De vraag of een burger mag vertrouwen op onjuiste voorlichting is daarmee een andere vraag dan of de Belastingdienst zorgvuldig is geweest in zijn voorlichting. De Hoge Raad verbindt aan schending van de beginselen andere gevolgen: het vertrouwensbeginsel werkt contra legem, het zorgvuldigheidsbeginsel niet.7
Uit de fiscale jurisprudentie kan (als gezegd) worden afgeleid dat onjuiste of onvolledige voorlichting als zodanig niet altijd een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel oplevert.8 De vraag rijst of dit terecht is, of anders moet. Zou tekortschietende (zoals onjuiste, onvolledige of onduidelijke) voorlichting steeds – een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel moeten inhouden? De belastingrechter gaat dus niet zo ver, nu aan onzorgvuldige voorlichting niet steeds consequenties worden verbonden. Er zijn mijns inziens goede argumenten om dat wel te doen. Het zorgvuldigheidsbeginsel brengt immers mee dat een behoorlijke uitvoering van de voorlichtende taak zorgvuldig dient te zijn (paragraaf 2.3, 2.5.2). Onjuiste, onvolledige of onduidelijke voorlichting voldoet in principe niet aan die zorgvuldigheidsnorm. De belastingrechter dient de zorgvuldigheid van voorlichting daarom effectief te normeren. Wat mijns inziens in ieder geval niet wenselijk is, is dat de belastingrechter constateert dat voorlichting te kort schiet (bijvoorbeeld bij een niet-kenbare onjuistheid), maar daar geen gevolg aan verbindt. Dan zou de voorlichtende taak van de Belastingdienst zich effectief deels buiten de reikwijdte van rechterlijke toetsing bevinden. Bovendien is van belang dat voorlichting binnen het gesloten stelsel van rechtsbescherming niet als zodanig aan de orde kan worden gesteld bij de rechter. In dat opzicht moet dan ook in situaties waarin dit wel aan bod komt, de gelegenheid worden ‘aangegrepen’ om eventuele onzorgvuldigheden te belichten (bijvoorbeeld in een rechtsoverweging ten overvloede).