Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.3.6
2.3.6 Ontstaansmoment van de rechten uit pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264480:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
D. 13,7,39 (Modestinus). Gaius seius ob pecuniam mutuam fundum suum lucio titio pignori dedit: postea pactum inter eos factum est, ut creditor pignus suum in compensationem pecuniae suae certo tempore possideret.
Anders dan het Nederlandse “compensatie” in de vertaling doet vermoeden, heeft compensatio hier de betekenis van aflossing, afrekening of verrekening: Heumann/Seckel 1958, p. 83. Vgl. D. 6,1,65pr (Papinianus); D. 20,1,1,3 (Papinianus).
Dernburg 1864, p. 76; Kohler 1882, p. 63 e.v; Manigk 1910, p. 55 en 61-64; Kupiszewski 1974, p. 233; Kaser, Studien III, p. 84-85.
D. 20,1,1,3 (Papinianus). Pacto placuit, ut ad diem usuris non solutis fructus hypothecarum usuris compensarentur fini legitimae usurae.
Vgl. Kupiszewski 1974, p. 233.
De rechten uit pandgebruik ontstonden op het moment waarop de schuldeiser het onderpand onder zich kreeg. Dit stelde hem immers in staat om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken. Als partijen het onderpand onmiddellijk bij de vestiging onder de pandgebruiker brachten, traden de rechten uit pandgebruik dus ook onmiddellijk in werking. In deze situatie was sprake van een vuistpand.
De rechten uit pandgebruik konden echter ook later dan het moment van vestiging intreden. In deze situatie was aanvankelijk sprake van een vuistloos pandrecht. Gedurende de looptijd van de gesecureerde vordering konden partijen echter overeenkomen dat het pandrecht werd omgezet in een vuistpand en dat de pandhouder een recht van pandgebruik kreeg. Dit blijkt uit de eerste twee zinnen van D. 13,7,39 (Modestinus):
“Gaius Seius heeft vanwege een geldlening een hem toebehorend perceel grond aan Lucius Titius in pand gegeven. Daarna is tussen hen de afspraak gemaakt dat de schuldeiser zijn pand ter compensatie van zijn geld gedurende een bepaalde tijd in bezit zou hebben.”1
In deze tekst had Lucius Titius een geldlening verstrekt aan Gaius Seius. Tot zekerheid van deze geldlening had Gaius Seius een pandrecht gevestigd. Vermoedelijk ging het in eerste instantie om een vuistloos pandrecht. Vervolgens zetten partijen het vuistloze pandrecht om in een vuistpandrecht. Lucius Titius kreeg het onderpand onder zich, en wel ter compensatie van zijn geld (in compensationem pecuniae suae). Dit impliceert dat Lucius Titius met het onderpand een opbrengst mocht genereren, welke gold als aflossing op de gesecureerde vordering.2 Partijen hadden dus afgesproken dat Lucius Titius de bevoegdheid kreeg het onderpand te gebruiken.
Voorts kon de pandgebruiker het onderpand onder zich nemen op het moment waarop zijn schuldenaar in verzuim kwam. Vanaf het moment waarop de schuldeiser het onderpand in vuistpand had genomen, kon hij de rechten uit pandgebruik gaan uitoefenen.3 De constructie waarbij het intreden van de rechten uit pandgebruik was gekoppeld aan het verzuim van de schuldenaar noem ik ook wel verzuim-pandgebruik. Een voorbeeld van een verzuim-pandgebruik was de eerste volzin van D. 20,1,1,3 (Papinianus):
“Bij afspraak was overeengekomen dat als de rente niet op tijd zou zijn voldaan, de vruchten van de verhypothekeerde goederen met de rente verrekend zouden worden tot op de wettelijk toegestane rente. Hoewel aanvankelijk een lagere rente in de stipulatie was vastgelegd, is deze overeenkomst volgens de heersende leer toch niet ongeldig, omdat de hogere wettelijke rente aan de stipulatiecrediteur rechtsgeldig toegezegd kon worden vanaf het moment dat de lagere rente niet op tijd voldaan zou worden.”4
De tekst laat zien dat een pandrecht tot stand is gekomen. Een nevenbeding (“bij afspraak”, pacto placuit) bij de overeenkomst gaf de pandhouder voorts het recht om de vruchten van de verpande goederen te genieten. De waarde van deze vruchten diende hij in mindering te brengen op de vervallen wettelijke rente. Het ligt voor de hand dat deze tekst ging om een hypotheca. Kennelijk golden de vruchten pas als aflossing op de vervallen wettelijke rente (en als er nog iets over was, op de hoofdsom) op het moment waarop de schuldenaar in verzuim kwam. Tot het intreden van verzuim had de pandhouder dus geen recht van pandgebruik, wat impliceert dat de verpande goederen zich nog onder de schuldenaar bevonden. Na het intreden van verzuim kon de pandhouder de verpande goederen onder zich nemen, en zich uit de vruchten van die goederen de wettelijke rente laten aflossen. De functie van het pandgebruik in deze tekst was dus het stellen van zekerheid voor en de aflossing van de wettelijke rente die met het verzuim kwam te vervallen.5
Een andere verklaring voor deze tekst is, dat een hypotheca tot stand kwam, en dat het onderpand onder de schuldenaar bleef tijdens verzuim. De vruchten kwamen vanaf het verzuim echter toe aan de pandgebruiker. Tegen deze verklaring pleit, dat in het bronnenmateriaal het intreden van het recht van pandgebruik veelal is gekoppeld aan possessio, de situatie waarin de pandgebruiker het onderpand onder zich heeft. In de situatie waarin de pandhouder huurvorderingen als vruchten inde (waarover §2.4.7), lijkt het mij echter goed denkbaar dat de pandhouder een recht van pandgebruik uitoefende, zonder het onderpand in possessio (onder zich) te hebben.