Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/10.4.2.4
10.4.2.4 Relatie met de bijzondere bewijsminima
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 344a Sv is gecreëerd bij wet van 11 november 1993 (Wet getuigenbescherming), Stb. 1993, 603 (i.w.tr. 1 februari 2004). Zie voor een uiteenzetting van de jurisprudentie van het EHRM § 4.5 Aan de verhouding tussen de criteria aangelegd door de Hoge Raad en de criteria gehanteerd door hetEHRMwordt in de volgende paragraaf nog nader aandacht besteed.
Het EHRM neemt inmiddels op dit punt een meer genuanceerd standpunt in. Zie Ellis, Simms & Martin t. Verenigd Koninkrijk (EHRM 10 april 2012, nrs. 46099/05 en 46699/06) en hetgeen De Wilde hieromtrent heeft opgemerkt (De Wilde 2012, p. 2332-2338).
Bleichrodt 2011, p. 15
Crijns 2010, p. 74 en 103.
Nijboer 2011, § 3.11.4
Bleichrodt 2011, p. 15.
Onder invloed van de rechtspraak van het EHRM zijn in artikel 344a Sv nadere bewijsminima voor bijzondere getuigenverklaringen opgenomen.1 Uit het eerste lid volgt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan ‘niet uitsluitend of in beslissende mate’ mag berusten op verklaringen van personen wier identiteit voor de verdediging niet bekend is.2 Dat kunnen verklaringen zijn afkomstig van personen die de status van bedreigde of afgeschermde getuige hebben gekregen (art. 344a lid 2 Sv) of verklaringen afkomstig uit andere anonieme bronnen. Het in artikel 344a lid 1 Sv neergelegde criterium brengt mee dat naast een of meer anonieme getuigenverklaring(en) altijd bijkomend bewijsmateriaal van andere aard aanwezig dient te zijn en dit van voldoende gewicht moet zijn. De eis neergelegd in het eerste lid lijkt een zwaarder criterium te behelzen dan het algemene voor getuigenverklaringen geldende bewijsminimum verwoord in artikel 342 lid 2 Sv, dat slechts stelt dat het bewijs tegen de verdachte door de rechter niet ‘uitsluitend’ op de verklaring van één getuige kan worden aangenomen. Het verband tussen de getuigenverklaring en het bijkomend bewijs mag blijkens de recente jurisprudentie van de Hoge Raad weliswaar niet te ver verwijderd zijn, maar de Hoge Raad stelt in relatie tot artikel 342 lid 2 Sv niet dat het bewijs tegen de verdachte niet in beslissende mate zou mogen berusten op de verklaring van de getuige.
Ten aanzien van verklaringen uit anonieme bron waarvan de informant niet de status van bedreigde of afgeschermde getuige heeft gekregen of processen- verbaal van de politie waarvan de opsteller anoniem is gebleven, stelt de wet in het derde lid een extra eis ten opzichte van het eerste lid. Een dergelijke verklaring kan alleen tot het bewijs meewerken indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal (art. 344a lid 3 sub a Sv) en de verdediging niet op enig moment de wens te kennen heeft gegeven om de betreffende persoon te ondervragen (art. 344a lid 3 sub b Sv). Dat het gaat om een aanvullende eis ten opzichte van het eerste lid volgt mede uit de formulering van dit artikel. Het derde lid van artikel 344a Sv is geformuleerd vanuit de toelaatbaarheid van de anonieme verklaring voor het bewijs, terwijl de formulering in de overige bewijsminima is gericht op de rechter (zie art. 342 lid 2 Sv en art. 344 lid 1 en 4 Sv). In de literatuur is wel opgemerkt dat aan de aanvullende eis uit het derde lid niet of nauwelijks zelfstandige betekenis lijkt toe te komen ten opzichte van de eis neergelegd in het eerste lid.3
In het vierde lid van artikel 344a Sv is een soortgelijk bewijsminimum als in het eerste lid opgenomen voor de verklaringen van getuigen met wie op grond van artikel 226h lid 3 of 226k Sv een afspraak is gemaakt (de kroongetuige). Hierbij staat slechts vermeld dat het bewijs niet uitsluitend op dit type verklaringen mag zijn gegrond. Het bijkomend bewijs dient van een andere bron te zijn, maar de bewezenverklaring mag wel in beslissende mate op de verklaring van de kroongetuige berusten. Dat is niet zo verwonderlijk omdat afspraken met kroongetuigen in beginsel worden gemaakt vanwege de bestaande bewijsnood. Dit volgt ook uit het subsidiariteitsbeginsel: is er voldoende bewijs tegen een verdachte aanwezig dan dient een zogenaamde deal met de kroongetuige achterwege te blijven.4 Daar komt bij dat kroongetuigen wel op het onderzoek ter terechtzitting kunnen worden ondervraagd, waardoor de inbreuk op het ondervragingsrecht minder groot is dan bij verklaringen van anoniem gebleven personen.5 Veel praktische meerwaarde heeft dit artikel niet boven het bepaalde in artikel 342 Sv, omdat een zaak met meerdere kroongetuigen maar zonder enig ander wettig bewijsmateriaal lastig voorstelbaar is.6