Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/5.6.1
5.6.1 Een procedure onmogelijk 'blijkt'
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS432981:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Anders Rb. Arnhem 25 april 1991, NJPR 1991, 326: 'Nu de Luxemburgse rechter klaarblijkelijk nog niet door partijen is geadieerd en deze zich dus ook nog niet over zijn eventuele rechtsmacht heeft uitgesproken, is het nog niet duidelijk of inderdaad -zoals eiser stelt- de Luxemburgse rechter zich niet bevoegd zal achten om over diens vordering te oordelen. Eiser heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de Luxemburgse rechter geen rechtsmacht zal aannemen. (...) Aangezien thans niet voldoende aannemelijk is dat sprake is van een negatief rechtsmachtsconflict, zal de Rb. niet op deze grond als forum necessitatis internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter aannemen.'
Art. 9 sub b Rv vereist dat een procedure in het buitenland onmogelijk blijkt. Het gebruik van het werkwoord 'blijken' doet het voorkomen alsof de voorwaarde geldt dat de buitenlandse rechter door de aanlegger is geadieerd en deze zich onbevoegd heeft verklaard. Dat is echter niet het geval. Het lijkt mij voldoende dat aannemelijk wordt gemaakt dat een procedure buiten Nederland onmogelijk is, zonder dat deze aldaar daadwerkelijk aanhangig behoeft te zijn gemaakt. Voor de toepassing van art. 9 sub b Rv is dus niet vereist dat de aanlegger in de Nederlandse procedure een beslissing van de buitenlandse rechter overlegt waarin hij zich onbevoegd heeft verklaard.1Toegegeven zij dat de Nederlandse rechter soms hooguit zal kunnen voorspellen of een procedure in het buitenland onmogelijk is. Met zekerheid valt zulks niet altijd vast te stellen, omdat de buitenlandse rechter zelf oordeelt over zijn bevoegdheid.